The Prospector ligt zoals Club Fred (Fresno) middenin een gekleurde buurt en we deelden dan ook het podium met wat eruit zag als zes stoere Latino's en zwarten in een band genaamd Mode. We leerden al snel dat harde mannen niet noodzakelijk brulboeien zijn en konden op onze laatste avond genieten van een van de beste bands waarmee we samen stonden in de States. Stevige psychedelische jamrock, met twee albums (in eigen beheer) die geproduced werden door de keyboardspeler van The Mars Volta. We genoten ervan.
Achteraf ruilden we shirts, cd's en knuffels met Mode en reden we rechtstreeks naar het vliegveld om onze vlucht naar het belgenland te halen.
Thuis gaven we een interview met Studio Brussel over de belevingen in Daniel Lanois' studio. Herbeluisteren kan hier.
- del.icio.us
- MySpace
- Netlog
Gezien de houten kop die we allemaal opliepen in Las Vegas, wisselden we de harde rock van de heenrit in voor de betere singer-songwriters en zachte akoestische muziek op de terugrit. Tom Waits (closing time), Bonnie “prince” Billy, Mark Lanegan, Jesse Sykes, Avett Brothers en beide Wainwrights houden ons in een slaaproes terwijl we wat Vitamin Water drinken om de illusie van enige gezondheid op te wekken.
Op uitnodiging van Trixie en Bram die we enkele dagen eerder in Hollywood
tegenkwamen, gingen we een kijkje nemen in de studio-mansion van Daniel
Lanois, het huis en de man die verantwoordelijk zijn voor zowat de
helft van alle goede muziek in ieders platenkast, van U2
tot Bob Dylan en alles daartussenin. In het huis schuifelden we
voorzichtig langs een vijftal grammy's en het peperdure - volledig
vintage en analoge - opnamemateriaal.
Allemaal
heel indrukwekkend, maar een echte studio is pas een echte studio als
ook Wallace Vanborn er iets opneemt en na enkele pinten en Trixie’s
favoriete rode wijn kregen we het voorstel een nummer op te nemen.
Aangezien
we het oude orgeltje van Marvin Gaye niet nodig hadden volstond de
drumkit van Brian Blade, de bas waarmee Daryl Johnson speelde en
Trixie op backings om in enkele uurtjes een fijne, akoestische
live-versie van Reap op tape te zetten.
De kers op de taart heet dat dan.
Voor we in Las Vegas aankwamen, ontsnapten we net aan de dood. Naast ratelslangen en andere insecten die berust zijn om de vernietiging van het mensenras, zijn ook zondagsrijders in de woestijn een plaag. Gelukkig konden we dankzij de snelle reflexen van onze chauffeur dan toch genieten van de pracht en praal van Vegas en al onze spaarcenten erdoor jagen aan de blackjacktafels.
Geloof trouwens niet wat ze u vertellen, de woestijn kan serieus koud zijn in de nazomer. Tussen de windhozen, Joshua Trees, eindeloze vlaktes en berglandschappen komt een goed voorbereide soundtrack van pas. Het is de ideale gelegenheid om de autoradio eens serieus luid te zetten en wij deden dat met o.a. Eels, Kyuss, Mogwai, Black Crowes, Faith No More en Clutch.
Na het inchecken in The Hilton (op hoop van Paris te zien natuurlijk) speelden we in The Divebar. Geen originele naam voor een club hier – zowat het equivalent van een café genaamd “de bruine kroeg” in België – maar het was ongetwijfeld de beste set en het wildste publiek dat we tot nu toe mochten meemaken. Tegen bikers die vlammenwerpers op hun brommers hebben gemonteerd en zwoele latina’s zeggen wij geen nee. De kans om echte groupies mee te nemen naar onze hotelkamer slaan we – gezien we allemaal een vriendin hebben en de groupies eigenlijk de meisjes waren van de band waar we de avond mee deelden – wijselijk af.
Om de avond af te ronden, strompelden we nog wat rond op de Strip en speelden we wat tafels in Paris Las Vegas.
Elke club in en rond Hollywood lijkt door celebrities of would-be-celebrities
gerund. We dronken corona in Richie Sambora’s club, passeerden Johnny Depp’s Viper Room en speelden in de Cat
Club, eigendom van de drummer van de Stray Cats (de band met Brian Setzer). Alvorens we de club binnengingen,
baanden we ons een weg tussen een school emo-pop-punk-kids die zich verzameld
hadden rond de Whiskey A Go Go, dronken we een milkshake bij Duke’s en keken
naar de indrukwekkende reeks auto’s die passeerden op Sunset Boulevard.
De Cat Club was niet wat we verwacht hadden. Een pak kleiner, een pak
minder prestigieus en een pak minder rock-’n-roll. De barman draaide alle
nieuwste hits van Justin Timberlake en Rihanna terwijl de booker eerder een klein
fabriekje dan een rockshow probeerde te runnen. “On stage now, off stage
now, one more song, give me your passports.”
We lieten hem de pret niet bederven en mochten naast Louis, de kapitein
van de boottocht de dag voorheen, een kleine delegatie Amerikaanse Belgen
begroeten. Trixie (Whitley), Bram en Ian maakten tijd vrij om tussen hun
opnames met Robert Plant (de echte, niet een toevallige naamgenoot) in de
studio van Daniel Lanois naar de show te komen kijken. Echte Gentenaren zijn er
voor elkaar.
Achteraf dronken we met de delegatie veel te veel en veel te dure whiskycola’s en vielen nog wat mooie barmeisjes lastig.
Aangezien
onze show in San Diego ter elfder ure werd gecancelled, hadden we een
vervangshow geboekt in The Doll Hut in Anaheim, zowat een deelgemeneente van LA
zoals De Pinte bij Gent hoort. Een serieuze onderschatting van het spitsuur
rond Los Angeles later moesten we de show schrappen en naar plan B grijpen: een
afspraak met een goede vriend van onze manager voor een boattrip in Newport
Beach.
Plan B
bleek nog lang zo slecht niet toen we allemaal op een luxejacht met chardonnay
in de handen richting het restaurant van Gwen Stefani in een van de rijkste
buurten van de wereld aan het varen waren. Zowel die avond als de dag nadien –
we hadden nog een dag zonder show - neemt onze nieuwe beste vriend ons op
sleeptouw. We cruisen langs één
van de huizen van Madonna (ze was thuis, we zagen haar teevee aan staan), de
boten van Nicolas Cage, een buitenverblijf van President Obama en nemen een
plons tussen de dolfijnen in de Grote Oceaan, ergens tussen Newport Beach en
Long Beach.
We naderen stilaan Los Angeles. Gisteren speelden we in Club Fred in Fresno, een van de steden in de woestijn ten noordoosten van LA. De stad “won” vorig jaar de op-een-na-gevaarlijkste-stad-in-Amerika-award, maar daarvan was weinig te merken in de buurt waar wij zaten, een kleine zone midden in de Latinogemeenschap die een toevluchtsoord is voor de andere locals.
Club Fred is een cultclub. Met namen als Helmet en Modern Talking die er de afgelopen jaren nog stonden en met een decor om u tegen te zeggen was het tot nog toe veruit de beste club waar we al speelden. Er was een serieuze opkomst en we deelden de avond met Trumpet Solo, een lokale band die iets weg had van The Pixies die door de mixer werden gehaald met hardere grunge en stonerpunk. Hun nummer “We are a hard working economy” zullen we alleszins nog enkele weken neuriën in de auto. Ze deden hun bandnaam alle eer aan door ergens midden in een nummer een verschrikkelijke trompetsolo tevoorschijn te toveren die nergens op sloeg. Wel heel leuk natuurlijk.
Dankzij knappe, dansende, rondborstige meisjes (wij vermoeden siliconen) en een hoop enthousiaste Fresnians brachten we de beste set tot nog toe in het land van de Whopper. Achteraf werden er pitchers bier (pale ale deze keer) gebracht ter bedanking.
San Francisco is zalig. Voor het ontbijt bij Mel's (een vintage diner met een overload aan jukeboxen met Frank Sinatra) bellen we kort met Bram Willems in het programma Select op Stubru, Belgium's finest. Daarna is het tijd om de stad degelijk te verkennen. San Fran; dé stad bij uitstek om California's bijnaam - the golden state - te vertegenwoordigen. Mooi weer, gezellige sfeer, de gekende stadstram, de heuvels die ideaal zijn voor politieachtervolgingen in Hollywoodfilms en een overdosis aan mooie Aziatische meisjes. Wij zijn fan.
We werden gevraagd of we een petitie wilden tekenen voor het legaliseren van homohuwelijken, maar konden gezien we Belgen zijn weinig helpen. “Belgium? Oh... you live in one of the intelligent countries”, kregen we te horen. Aangezien dit een van de meest liberale steden in Amerika is denken de meeste mensen er zo over. België als referentiepunt voor verbeteringen in San Francisco, how about that.
Na de toerist te hebben uitgehangen, zakten we af naar Oakland, waar we ’s avonds in de Stork Club speelden. In Berkeley, een klein stadje onderweg naar Oakland, ontdekten we de Amoeba record store, een van de steeds schaarser wordende echte CD- en vinylwinkels en sloegen elk ons voorraadje in (King Crimson, Mclusky, Parliament, Slowdive, Tower of Power, Primus, Kool and the Gang... the good stuff). Berkeley blijkt een aanrader voor de echte muziekliefhebber of wie van hippe tweedehandskledij houdt en wederom een trekpleister voor mooie Aziatische meisjes.
Buiten wat technische mankementjes verliep de show vlot en de lokale punkrockers hadden al genoeg Pabst Blue Ribbon (het bier dat iedereen hier drinkt) achter de kiezen om te roepen en tieren en waggelen en dansen tijdens de show.
Wie het korte Stubru interviewtje eens wil herbeluisteren kan altijd hier terecht.
Twee dagen vrij. Niks te doen, geen show. Tijd voor sightseeing op de 101 Freeway! 500 kilometer cruisen langs de Grote Oceaan en door het Redwood Forest, een nationaal park met gigantische bomen waar je letterlijk met de auto door kan rijden (letterlijk dus, als attractie). Opletten voor de dinosaurussen van Jurassic Park en Ewoks uit Return of the Jedi, die hier allemaal tot leven zijn gewekt. Daarna zagen we een indrukwekkende zonsondergang van op het strand en de branding. Een mens – geen rockers zoals wij - zou er al eens emotioneel van worden.
Eenmaal aangekomen in San Francisco trokken we naar de Ramada Inn, aan de “vreemde” kant van de stad. We hoorden dat de hoertjes die we overal zagen hoogstwaarschijnlijk van het tent-in-de-broek-type waren en dat de buurt ook bekend stond voor heroïne- en crackdealers. Gezellig is anders, maar de Mexicanen koken hier degelijke fajita's. De bonen laten we liggen uit solidariteit voor elkander, we zitten immers gemiddeld vijf uur per dag samengepropt in onze Dodge "Regi".
Oregon is één groot bos. De ardennen, maar dan met spinnen die een volwassen mens kunnen neerleggen, afgehakte hertenhoofden op pick-uptrucks en veel footballfans, allemaal met vlagjes aan hun auto bevestigd, en zich in een lange rij verplaatsend over het land. Hooligans hebben ze overal.
We speelden in de Diablo’s Downtown Lounge in Eugene, na de slechtste stand-upcomedyshow die we in jaren hebben meegemaakt en een aangename countryband uit Texas. Bij een band uit Texas horen bijnamen. We ontmoeten drummer “Tugboat” Chris, de mooie zangeres “Pearl” Amanda en ronselen nieuwe fans waaronder een Nasa-ingenieur die zichzelf de naam “Dangerous Dan” meegeeft. Tugboat en Pearl loodsen ons na de show naar een sloot Blue Ribbon bier en een hoop straffe verhalen op een themafeest over zombies waar we ons – zwarte kringen om de ogen van dagen rijden en weinig slaap – meteen ingeburgerd voelen.
De Texanen komen uit Lubbock, de op een na meest conservatieve stad in Amerika, maar zijn allemaal zeer grappig en dragen humor die je eerder van Europeanen zou verwachten. Guns hebben ze wel allemaal; Pearl draagt een klein handpistool in haar groene Cowboyboots die gemaakt werden door de gitarist en Rob – de eigenaar van het huis, een houthakker die in zijn vrije tijd aan Belgen bewijst dat zijn voorhoofd een tiental serieuze stoten van een veiligheidshelm aankan – heeft in zijn slaapkamer drie jachtgeweren en een six-shooter.
Veel gebrul en zombiegedrag later crashte iedereen op de vloer of de dichtstbijzijnde sofa’s. Tugboat Chris kletste bij het pannenkoekenontbijt nog een ferme scheut whisky en drie pinten achterover en liet weten dat we altijd welkom zijn in Texas wanneer we afscheid namen en aanzetten naar de 101 Scenic freeway richting San Fransisco.
Wie interesse heeft in echte handgemaakte cowboyboots kunnen we altijd doorverwijzen naar Cobrarock.
Blogs De Standaard
Zoeken op deze blog
Laatste berichten
Bloggende politici
Bloggende journalisten
Vlaamse blogs
Stadsblogs
Fotoblogs
Buitenlandse blogs
Blogosfeer
