Mount Everest

'Ik wil dat het VOORBIJ is... Het maakt me niet uit hoe, laat het ophouden. Ik ben aan het stappen en joggen, mijn achillespezen trekken samen, ik ben helemaal leeg... ' Zo omschreef een Australische vriendin haar laatste zeven kilometer van haar eerste marathon, die van Sydney vorige maand. Gelukkig voegt ze er meteen aan toe dat het AMAZING was om dan toch over de meet te lopen. 'Het is absoluut de moeite. Ik heb nooit eerder zoveel voldoening gevoeld!'

Hoewel ze mij dus wat schrik aanjaagt, stelt Deborah me in haar mail ook gerust: 'Ik beschouw de trekking naar het basiskamp van Mount Everest toch nog als het moeilijkste wat ik dit jaar gedaan heb.' Die trekking heb ik in februari samen met haar en zes anderen tot een goed einde gebracht. Het was een erg zware tocht, die ik volledig onderschat had, maar die uiteindelijk toch doenbaar bleek.

Ik vermoed dat Basecamp niet zozeer meer pijn doet of een betere conditie vereist dan een marathon, maar dat de trekking mogelijk mentaal zwaarder kan zijn, omdat je meer dan bij een marathon de controle over je lichaam verliest. Als je echt niet meer kunt tijdens een loopwedstrijd, dan kan je nog altijd opgeven. Maar als je in het midden van het Himalaya-gebergte ten prooi valt aan hoogteziekte, dan is er niet meteen een manier om je beter te voelen. Alleen een uren- tot dagenlange afdaling kan je weer genezen.

Je kunt ook de omgekeerde redenering maken: omdat je tijdens een marathon altijd kunt stoppen, is het mentaal moeilijker om door te zetten. In het gebergte heb je toch een tijdlang geen zicht op beterschap, dus kan je evengoed nog wat doorgaan.

Enfin, ik zal volgende week wel zien of er überhaupt een vergelijking te maken valt. Het enige objectieve criterium dat ik zou kunnen bedenken is de fysieke tol: in Nepal verloor ik vijf kilo en de nagels van beide grote tenen. Ik neem aan dat ik ook uit New York zal terugkeren met enkele defecten. Ik hoop wel dat mijn teennagels deze keer gespaard blijven, want de twee grote zijn pas sinds deze maand helemaal terug aangegroeid.


 

You only get one shot

Dana international, Katrina & The Waves en ABBA: mijn mp3-speler is alweer verrijkt, dankzij het Eurovision verzamelalbum. De meest foute liedjes vind ik doorgaans de beste om op te lopen. Ze wiegen je niet in slaap zoals grijsgedraaide platen of laten je niet wegdromen zoals je favoriete nummers, maar prikkelen je gehoor, al dan niet in goede zin, waardoor je alert blijft.

Ik heb de afgelopen maanden muziekgenres leren appreciëren die me voordien helemaal niets zeiden. Wie geraakt er niet opgezweept door Rihanna's "Please don't stop the music"? Of wie plaatst er geen versnelling bij Geri Halliwells versie van "It's raining man"? Met "Can't get you out of my head" van Kylie Minogue blijf ik bij de les en als Eminem "you only get óne shót, do nót miss your chance to blów" door mijn oortjes schreeuwt, heeft mijn opgefokte zelf moeite om géén rapgebaren te maken.  

Af en toe kan je muziekbibliotheek verrassen: een liedje dat je al langer kende, blijkt tijdens het lopen het perfecte ritme te hebben. Ik ontdekte een viertal nummers die me pas na pas vooruit stuwen: het donkere "Paint it black" van de Rolling Stones, het onvermoeibare "Hitchen' A Ride" van Green Day, het iets tragere "Fly Away" van Lenny Krevitz, perfect voor bergop, en tenslotte Puff Daddy's "Come with me" uit de Godzilla-soundtrack, dat gecomponeerd lijkt op mijn loopritme.

Voor New York laat ik mijn soundtrack thuis. Mogelijk zijn mp3-spelers verboden tijdens de marathon, maar dat hoef ik zelfs niet te weten: ik wil sowieso niets van de omgeving missen. Als ik de verhalen van mijn voorgangers mag geloven, is de sfeer in de Big Apple uniek. Mensenhagen die je vooruit schreeuwen: ze helpen je dansend naar de meet. You better go capture this moment and hope it doesn't pass you. Amen to that, Eminem.


 

Taalgrens

Toen ik mijn trainingsschema voor het eerst bestudeerde, maakte ik wilde plannen: ik zou bij eb gaan lopen op het Noordzeestrand, ik zou het Zoniënwoud in alle mogelijke richtingen doorkruisen, ik zou eens naar de Ardennen treinen om daar dan kilometers te vreten en ik zou af en toe eens terugkeren naar mijn studentenstad Gent, om er op het zachte houthaksel langs de Watersportbaan mijn knieën te sparen.

Van dat alles is niets in huis gekomen. Op mijn vakantie in Italië en Kroatië, de autoloze zondag in Brussel en twee wedstrijden na, heb ik telkens dezelfde wegen platgelopen. In een kwartiertje ben ik van mijn appartement in Brussel in het Elisabethpark naast de basiliek van Koekelberg, waar ik rondjes kan draaien tot ik er bij neerval. Of ik ga de andere kant op en loop door het centrum en langs het kasteel van Groot-Bijgaarden. 

Mijn lange duurlopen van het weekend bedwong ik telkens bij mijn ouders in Overijse. Ik heb er mijn eigen taalgrensroute uitgestippeld. De Hoeilaartsesteenweg en Koninginnelaan vallen gedeeltelijk samen met de lijn die ons land in tweeën verdeelt. Op de ene stoep loop ik nog in Vlaanderen, als ik oversteek ben ik in Wallonië. Ik wissel nog twee keer van gewest vooraleer ik langs Vlaamse zijde het meer van Genval bereik. Het communautair vaarwater bestaat echt! Het is deze grote plas waarin de taalgrens verdrinkt. De taal die de talrijke joggers en wandelaars langs de oever spreken is universeel: een knikje wanneer je iemand voor een eerste keer kruist, een voorzichtige glimlach bij een tweede keer, de tanden bloot bij alle volgende keren. De vissers zitten niet verlegen om een applausje bij elke passage.

Ik tel de rondjes af. Nog twee keer de tour van het Elisabethpark, nog één keer rond het kasteeldomein van Groot-Bijgaarden, en nog twee keer de oever van le Lac belopen en dan vlieg ik naar een gloednieuw decor.


 

Risicogedrag

Ik schat dat ik intussen al 17 jaar tennis speel, minstens één keer per week. In die, laten we zeggen, 900 uren, heb ik me niet één keer echt geblesseerd. De kans dat ik nu woensdag in mijn laatste 60 minuten tennis voor de marathon dan toch een verzwikte enkel of een spierscheur oploop, is miniem. Maar de schrik is me om het hart geslagen en ik heb - wat zeer zelden gebeurt - afgebeld. Ik zou het mezelf nooit vergeven mocht ik al het werk van de afgelopen maanden verspelen in een banale rally.

Het is natuurlijk in de eerste plaats niet bijster slim om te blijven tennissen in volle voorbereiding op een marathon, dat besef ik. Ten eerste is het een sport waarin je vroeg of laat toch een verkeerde beweging maakt, met een zware blessure tot gevolg. Het aantal steunverbanden en littekens in mijn tennisclub zijn niet te tellen. Bovendien heb ik al last van overbelaste beenspieren, dus kan ik tussen de looptrainingen door beter rusten. En tot slot: tennissen en marathonlopen vormen een ongelukkige combinatie. De afgelopen maand heb ik er keer op keer van langs gekregen van mijn tennispartner. Vorige week droop ik na ons uurtje met 2-6 af. Het voelt alsof ik bij elke pas wegzink in het gravel, ik kom amper nog bij een bal. Om een goede conditie te kweken, heb ik al mijn explosiviteit moeten inleveren, zo lijkt het wel.

Dat ik het toch niet kon laten om wekelijks een balletje te slaan, toont aan wat ik begin dit jaar niet meer zo zeker wist: tennis is mijn favoriete sport. Ik mis het om met de tanden op elkaar van links naar rechts te spurten en me ongeremd in een rally te smijten

Volgend jaar loop ik geen marathon. Ik ga me met herwonnen motivatie opnieuw op het gele balletje focussen. Mijn racket kan maar het best profiteren van deze twee weken platte rust.


 

De marathonhandleiding

Enkele weken geleden kreeg ik post uit Amerika. In de dikke omslag zat De ING New York City Marathon Handleiding. Vergis je niet, in de Big Apple kan je niet gewoon aan de start verschijnen, 42 km lopen en een medaille in ontvangst nemen. Voor het massagebeuren moet je een complex ritueel doorlopen.

21 van de 64 pagina's in het boek zijn een ode aan de sponsors, maar op de overige 43 pagina's staat onder meer minutieus uitgelegd waar, wanneer, met welke benodigdheden en welk openbaar vervoer ik mijn startnummer en chip moet gaan ophalen. Ik krijg die dag bovendien een goody bag - hopelijk betekent dat ook in Amerika een zak met cadeautjes van de sponsors - die op de dag van de wedstrijd moet gelden als bagagezak. Goed dat ik zoiets op voorhand lees, want mocht ik bij de start mijn kleding in mijn eigen rugzak steken, dan zouden ze die niet naar de aankomst brengen.

Het leukste hoofdstuk is 'Race Day'. Daarin verneem ik hoe de grote dag ongeveer zal verlopen, waardoor ik nu al kan wegdromen: in een dampig, koud New York neem ik nog voor zonsopgang de taxi naar Battery Park, in het puntje van Manhattan en met zicht op het Vrijheidsstandbeeld. Om 8u vertrekt daar de ferryboot naar Staten Island. Weer aan land, word ik in een bus vol collega's naar Fort Wadsworth gebracht, waar de troepen verzamelen. Met nummer 46012 behoor ik tot het blauwe peloton en moet ik dan ook in het blauwe 'dorp' wachten op de start. In de oranje en groene zone ben ik niet welkom. Ik geef mijn goody bag met droge kleding af, sip aan een glas water en eet nog een bagel tot het bijna tijd is om te vertrekken. Ik trek vervolgens mijn warme trui en trainingsbroek uit, gooi die in de container waarvan de inhoud aan het goede doel wordt geschonken, en schuifel dan met tienduizenden anderen door een nauwe kraal naar de start. Tijdens die laatste meters voor het schot denk ik aan het publiek langs de weg, aan het moment waarop ik mijn familie zie staan, aan de kilometer waarin de vermoeidheid toeslaat, aan de boomkruinen van Central Park, aan de aankomstboog en aan de warme aluminium deken die me enkele meters na de meet om de schouders wordt gelegd...

Wordt over 13 dagen vervolgd.


 

Penne con salsa pomodoro fresco

Een van de leukste aspecten aan een marathontraining is het ongegeneerd pasta mogen eten. Het maakt mijn dag goed als ik mezelf op penne met verse(!) tomatensaus kan trakteren. Met koolhydraten (in de pasta), vitaminen (in de saus) en een handjevol proteïnen (in de kaas) leg ik een goede basis voor een sportieve dag. Er zijn ongezondere verslavingen.

Natuurlijk mag ik niet overdrijven, en dat is mogelijk wel gebeurd. Ik ben sinds de start van mijn trainingen nog geen gram vermagerd. Mijn kleren zitten wel wat losser omdat ik heel wat vet in spieren heb omgezet, maar aan het figuur van de doorsnee marathonloopster zal ik wel nooit geraken. Ik trek het mij niet aan: diëten is geen optie wanneer je meer dan ooit van je lichaam vraagt en eten is een van mijn grootste passies, ik kan het niet laten.

Hoewel ik dus de verbruikte calorieën zonder gewetensproblemen compenseer, ben ik wel erg bewust bezig met wat er wanneer op mijn bord komt. Zo ga ik nooit de deur uit zonder ontbijt. En ik begin nooit aan een ontbijt zonder een glas vers geperst fruitsap. Als zogenaamde pescotariër, een vegetariër die wel vis eet, moet ik opletten voor een tekort aan ijzer en de vitamine C in citrusvruchten zorgt voor een betere opname van dat broodnodige element.

Voor het vervolg van de dag zijn pasta, vis, groentenstoemp, tomaten, kaas, noten, volkorenbrood, yoghurt, bananen, koekjes en chocolade(melk) de toppers op mijn boodschappenlijstje. Die kon ik een hele zomer lang aanvullen met de gele courgettes en rucolasla uit de tuin van mijn vader. Vlees eet ik dus helemaal niet, maar ook gefrituurd eten en kant-en-klare maaltijden komen bij mij niet op tafel.

Dé leukste manier om energie op te slaan is op restaurant gaan. Tegen Italiaans zeg ik uiteraard nooit nee, maar ook vegetarische thali bij de Indiër, een schotel sashimi in een Japans restaurant of een warm geitenkaasje in een brasserie kan ik onmogelijk weigeren. En als ik dan toch aan het tafelen ben, dan mag een dessert nooit ontbreken. Crème brûlée, panna cotta met bosbessencoulis of een moelleux aux chocolat zijn elk hun half uur lopen waard.


 

40 graden celsius

Ik heb voor het eerst dit najaar wolkjes geblazen en ik heb voor het eerst weer dat snijdende, koude gevoel in mijn longen gehad. Wat is het plots fris! Maar goed, nu kan ik wennen aan het weer dat ik ook in New York kan verwachten. Dat mag ook wel na een zomer waarin ik aan heel wat anders gewoon ben geraakt.

DSC01222 Met een welbepaald doel voor ogen moet je door weer en wind blijven trainen. Ook toen ik in juli voor twee weken op vakantie was in Italië en Kroatië, moest ik mijn kilometers kloppen. De derde dag ging om 6u30 mijn wekker af in hartje Venetië. Ik hees me haastig in mijn loopkleding, dronk preventief een pint water en ging rond 7u de deur uit. De hitte die me toen op de schouders viel, had ik nooit eerder gevoeld. Het was snik, snikheet, minstens 40 graden, en dan ook nog eens heel erg vochtig, alsof de kanalen me tot aan de lippen stonden. Ik heb er drie dagen na elkaar een parcours van slechts 6 kilometer afgelegd, maar het waren van de zwaarste trainingen die ik doorstaan heb. Trapje op, trapje af, en tussendoor de drankleveranciers ontwijken die 's morgens de steegjes inpalmen. Enkel op het San Marco-plein kon ik echt genieten van de omgeving: om er helemaal in je eentje te zijn, is vroeg opstaan een must, zo blijkt.

Een week later in Kroatië was het minder warm, 'maar' 30 graden. Toch heb ik me ook daar in het zweet gewerkt als nooit tevoren. De eigenaar van ons vakantiehuis had me 'een mooi weggetje' beschreven naar een nabijgelegen dorp, zo'n 7 kilometer verderop. Bleek dat het om een oneffen, onbeschut pad ging, waarvan de laatste vier kilometers onafgebroken bergop gingen. Twee keer heb ik die calvarietocht tot een goed einde gebracht.

Als ik terugdenk aan die zomerse ochtendsessies, dan warm ik vanzelf weer op. En hoewel ik zo weer naar Italië en Kroatië wil reizen, ben ik dan toch blij dat ik nu in frisse lucht mag trainen.

_MG_1779


 


 

Action hero

Een goed paar schoenen volstaat om te lopen. Dat schreef ik nog in mijn eerste blog. En dat klopt, tot op zekere hoogte. Of beter: tot een zekere afstand. Wanneer je meer en meer begint te lopen, ga je ongemakken ondervinden die te verhelpen zijn met aangepaste kledij en vindingrijke accessoires.

Zo ontdek je plots hoe comfortabel loopsokken zijn: in mijn eerste loopjaar kon ik geen 10 km lopen zonder blaren, maar met aangepaste sokken heb ik er nog nauwelijks gehad. Na een eerste testtraining ging ik meteen vier paar extra kopen.
Toen ik een flodderende trainingsbroek ruilde voor een aansluitende driekwartbroek, vond ik mezelf van de ene dag op de andere heel wat sierlijker lopen.
En ik raak nog steeds niet uitgepraat over het geweldige topje dat ik me begin dit jaar aanschafte: flinterdun, heel snel droog, mooie snit en het zit nooit verkeerd. Ook mijn mp3-speler zit in een nagelnieuwe uitrusting.

Op een gegeven moment ben ik wel op de rem gaan staan. Zo stond ik op het punt om een drankgordel te kopen, zo een soort van action hero belt die Batman niet zou misstaan, waaraan je flesjes en gels kunt binden. Heel erg nuttig, maar ik oordeelde dat er ook een te groot verwachtingspatroon aan een dergelijk accessoire hangt. Het leek me iets voor échte lopers. Het lijkt me bovendien ook niet erg comfortabel. En dus schakelde ik de afgelopen maanden voor mijn lange trainingen mijn ouders in als levende drankgordel: zo zette mijn moeder zich geregeld met een boek op een bankje langs het meer waarrond ik liep en reikte ze me van tijd tot tijd een flesje water aan.

Vandaag ben ik in de loopwinkel anders wel om het serieuzere materiaal gegaan. Ik smeer voortaan anti-frictiezalf, die een beschermende film legt op de huid om schuurwonden te voorkomen. En in New York zal ik - dan toch! - een gordel dragen, eentje waaraan je je startnummer kunt bevestigen. Je kunt zo tijdens een wedstrijd een laagje kleding uittrekken zonder je nummer opnieuw te moeten opspelden. Maar misschien nog belangrijker: je hoeft dankzij die gordel niet te prikken in je erg dure 50% polyester/50% polyamide longsleeve shirt met reflecterende strips. Ook dat laatste heb ik me vandaag aangeschaft, en het is meteen de laatste verwennerij die ik mezelf gegund heb voor de start van de marathon.


 

Luistersessie

Ik denk wel dat ik een marathon kan uitlopen, maar het gaat verdomd veel pijn doen. Dat is de conclusie na mijn langste training, die van 32 km. 3 uur en 20 minuten lang maakte ik mezelf wijs dat het allemaal toch wel meeviel, maar de waarheid is dat de inspanning na 25 km begon te knagen.
Omdat ik voldoende tijd voorhanden had en vooral niet mocht vervallen in doemdenken, nam ik een goed gekende tip ter harte: luister naar je lichaam, het weet meer dan jijzelf.

Mijn beenspieren verrasten. Terwijl ik al maanden beducht ben voor overbelasting in mijn onderbenen, met name in het linker, was het vandaag mijn rechterdij die niet klaar leek voor de generale repetitie. Een typisch voorbeeld van overcompensatie? Al na 15 km stond mijn hamstring gespannen, waardoor ik heel de tweede helft van mijn training vreesde voor krampen.

Mijn maag had goed en slecht nieuws. Omdat ik de afgelopen weken soms een leeg gevoel kreeg tijdens lange trainingen, heb ik deze keer halverwege een graanreep gegeten, en die verteerde ik zonder problemen. Maar met sportdrank heeft mijn spijsvertering het helemaal gehad: anderhalve liter van het isotone goedje resulteerde in zure oprispingen.

Mijn hersenen zagen reden tot optimisme. Zo moet ik bijvoorbeeld niet wanhopen op hellingen: die zijn keer op keer een beproeving, maar net na de top lijkt lopen weer heel wat makkelijker te gaan dan net voor het bergop gaat. Je kan helemaal tot rust komen wanneer je de luxe van een vlakke weg herontdekt.

Mijn hart en longen klaagden niet. Meer nog, mijn hart heb ik de hele tijd niet gehoord. En nooit moest ik naar adem happen, altijd had ik voldoende lucht om iets zeggen of zelfs te roepen tegen mijn ouders die hier en daar langs het parcours opdoken.

Mijn huid was niet opgezet met mijn prestatie. Over mijn hele lichaam staan schuurwonden. Elke oneffenheid, elk randje aan mijn kledij liet een spoor na. Het grootste slachtoffer is de op een na grootste teen van mijn rechtervoet: die is nu een half millimetertje korter, terwijl de nagel waarschijnlijk het einde van de maand niet haalt.

Maar de luidste schreeuw van mijn lichaam kwam helemaal op het eind. Eindelijk weer mogen stappen was de verlossing waar ik naar uitkeek, maar het liep anders uit: bij mijn eerste pasjes leek het wel of mijn benen zo van mijn romp gingen vallen. Een rechte lijn kon ik niet meer houden.

Nee, de marathon van New York zal ik niet zomaar eventjes uitlopen. Maar gewoon nog een uurtje langer doorgaan dan vandaag, staat mijn lichaam me hopelijk toe.


 

Rariteitenkabinet

Het is vaak een vreemd gezicht, een kinesistenpraktijk: een verzameling patiënten die elk druk bezig zijn met een specifieke oefening om een specifieke spiergroep te trainen. De ene hangt aan een sportrek, de andere balanceert op twee halve bollen, nog een andere krult een handdoek op met zijn tenen en eentje ligt dubbelgevouwen te stretchen. En dan is er ook nog de 'gelukzak' die gemasseerd wordt door de kinesist. 

Wat deze mensen precies scheelt, kan een leek niet zomaar zien. De meesten van deze patiënten zien er fit uit. De spieren, die al dan niet hardhandig gekneed worden door de kine, ogen doorgaans perfect in orde. Zo zag ik onlangs een danser in de praktijk, soepel rondhuppelend, mooi gespierd en zonder een grammetje vet. De man vouwde zich bij tal van oefeningen in de meest onmogelijke bochten. Maar toen de kinesist de spieren in zijn schouder aanpakte, schreeuwde de danser het uit van de pijn.

Schijn bedriegt, dat kan ik beamen. Ik mag intussen toch stellen dat mijn benen nooit sterker waren dan vandaag. Als ik stap, en zelfs als ik loop, doen ze doorgaans perfect wat ik vraag. Toen ik twee maanden geleden voor alle zekerheid met een sluimerende pijn in de onderbenen naar de dokter en vervolgens naar de kinesist stapte, verdacht ik mezelf van aanstellerij. Maar een masseerbeurt later wist ik wel beter: ook ik kronkelde van de pijn, met een vertrokken gezicht in de ligtafel gedrukt. Mijn kuitspieren bleken overbelast, mijn scheenbeenvlies dreigde te gaan ontsteken.

Het is wonderbaarlijk hoe kinesisten met hun vingers spieren kunnen lezen. De mijne vond blessures die ik zelf pas gevoeld zou hebben wanneer het te laat was geweest. Zonder mijn wekelijkse behandeling haal ik de marathon niet. En daarom sta ook ik weleens in het rariteitenkabinet te balanceren op twee halve bollen.


 

Over deze blog



Webredactrice Lotte Alsteens loopt op 1 november - als alles goed gaat - de marathon van New York. Het is de eerste (en laatste?) keer dat ze zich aan 42,195 kilometer zal wagen. Uitlopen is het enige doel.

Na maanden langzaam opbouwen, staat nu de laatste, intensieve trainingsmaand voor de deur. De eindsprint richting Big Apple begon op 4 oktober met de Brussels Half Marathon.


Zoeken op deze blog





Vlaamse blogs