Kameel

Nog een beetje en ik rol de marathon uit. Ik ben nu voor de tweede dag op rij bezig met carbo-loading: koolhydraten vreten. Een week geleden vond ik het een leuk vooruitzicht om me vol te mogen proppen met pasta en andere meelproducten, maar gisteren was ik het al na enkele uren beu.

Twee bananen, een graanreep, vier sneden krenten- en notenbrood met confituur en choco, muesli met yoghurt en fruit, noedels met tomaten en champignons, een muffin, een gigantisch diep bord vermicellinoedels met springrolls en broodpudding was het beste wat ik op mijn eerste koolhydratendag voor mekaar kreeg. Vandaag deed ik ongeveer even goed met naast opnieuw twee bananen en vier sneden brood, nu ook drie graanrepen, een American cookie, een wafel met verse aardbeien, pasta met broccoli en parmezaanse kaas, wit brood, en een Italiaans gebakje.

En alsof dit alles mijn maag nog niet genoeg vult, drink ik ook de hele dag door liters water en thee. Met gevolg dat ik ook om de haverklap naar het toilet moet en op de mooie Washington Square ter plaatste stond te trappelen omdat er niet meteen een klein kamertje in de buurt was. Er zijn leukere manieren om een stad te bezoeken.

De theorie achter bovenstaande schranstraining is de volgende: tijdens mijn eerste dagen in New York heb ik zo goed als géén koolhydraten gegeten - op het menu stonden toen vooral vis en groenten - waardoor mijn lichaam snakte naar zetmeel en aanverwanten. Die krijgt het nu wel waardoor het gretig een reserve opbouwt. De extra calorieën moeten mij dan zondag voor een groot deel door de marathon loodsen. Het extra water behoedt me kameelgewijs voor snelle dehydratatie.

Het zou moeten werken: een vriendelijke lezer/loopcoach heeft me dit voedingsschema opgestuurd en hij heeft hier zondag 22 lopers aan de start staan, wat toch wel wat wil zeggen. Ik wil hem dan ook oprecht bedanken, mocht blijken dat deze vreetpartij de man met de hamer op afstand houdt.


 

Finish

Ik heb de finish gehaald. Te voet, tijdens een wandelingetje, terwijl ik een muffin aan het eten was. In de zuidwestelijke hoek van Central Park zijn nu al de hekken, de tribunes, de aankomstboog, de toiletten en de EHBO-tent opgesteld. De lopers zijn er ook al: ze verkennen in pelotonnetjes de slotmeters, velen van hen getooid in hun ING New York Marathon T-shirt.

Ook ik ben nu officieel lid van dat clubje: het shirt - een dry fit longsleeve van Asics - zat in de goody bag die ik deze middag kreeg toen ik mijn startnummer ging oppikken in het Javits Center, een groot congrescentrum aan de oever van de Hudson. Zodra ik mijn hand legde op de 46012 die ik zondag op mijn buik speld, begon mijn hart sneller te kloppen. En ik was kennelijk niet de enige die in de grote hal overmand werd door de marathonkoorts: iedereen liep er uitgelaten rond, shopte naar hartenlust in de talrijke standjes van de sponsors en poseerde onnozel maar ongegeneerd voor de muur waarop het parcours geschilderd is.

Het virus verspreidde zich vervolgens ook in de rest van de stad: de straten en de metro's vulden zich met mensen die de ING-zak rond de schouder hadden hangen. En inmiddels gaat de invasie van buitenaf onverminderd voort: mijn familieleden die vandaag kwamen overgevlogen vanuit Brussel zeiden dat ze in het vliegtuig omringd werden door lopers, die uren over niets anders praatten dan over de marathon.

Deze mensen moeten ongetwijfeld denken wat door mijn hoofd gaat: laat het nu maar snel zondag zijn. Geen enkel verkenningstochtje kan mijn zelfvertrouwen opkrikken, enkel starten en vervolgens aankomen kunnen mij genezen van deze allesoverheersende spanning.


 

Schuldig

Verdorie, wat is het moeilijk om te rusten in New York. Ik zou deze laatste dagen vooral moeten stilzitten, maar hoe kan je dat in godsnaam doen wanneer je voor het eerst in een van 's werelds boeiendste steden bent? Ik kan toch niet in mijn hostelkamer blijven liggen? 

Deze avond kon ik me gelukkig in de zetel nestelen in het appartement van mijn broer, die hier woont en werkt. En ook op restaurant gaan, voor het ontbijt en voor de lunch, paste perfect in mijn schema: zitten en eten, meer wordt van mij niet verwacht. Maar in de voor- en namiddag ben ik bijna de hele tijd in beweging gebleven. 

De lange afstanden heb ik dan wel zittend in de metro afgelegd, maar wanneer je bovengronds wil geraken moet je toch weer heel wat trappen op. Tussendoor liet ik me verleiden door winkels en bezienswaardigheden, wat helemaal nefast is voor de benen. Al slenterend pers je ze langzaam maar zeker uit. 

En als ik dan in een fantastisch gebouw als het treinstation Grand Central ben, vergeet ik waarom ik in New York ben. Ik kijk mijn ogen uit en wil dan elke hoek om; zo tellen de meters op. Pas wanneer ik op de zoveelste affiche van de marathon bots, voel ik me schuldig. 

Ik heb mijn benen dan maar op een andere manier verwend. Aan Columbus Circle heb ik ze in een gigantische runners store van een nieuwe loopbroek voorzien, zogenaamde Pro Tights, met ondersteunende strips. Een dure verpakking die zal dienen voor na de marathon, want tijdens heb ik mijn vertrouwde driekwartbroek aan. Zo heb ik mezelf al meteen een aanzet gegeven om ook na zondag te blijven lopen.


 

In korte broek

Hier ben ik dan. New York, Manhattan, Central Park. Hier moet het gebeuren.

Geen wonder dat de marathon van New York de bekendste ter wereld is. Het groene hart van de Big Apple blijkt het loopparadijs te zijn. Ik had al vaker gehoord dat je wel altijd joggers ziet in Central Park, maar dat het er werkelijk krioelt van de hardlopers had ik nooit verwacht. 

Meteen na aankomst in mijn hostel heb ik me omgekleed voor een eerste rustige training. Hoewel het regende, schatte ik in dat een T-shirt zou volstaan. De portier dacht daar anders over, maar ik verzekerde hem dat ik het niet te koud zou hebben. Ik liep vervolgens op goed geluk het park binnen, in de hoop meteen de weg te vinden naar het Reservoir, de gigantische plas water waarrond ook in Hollywood-films gelopen wordt. Lang moest ik niet zoeken: ik kon gewoon de stroom lopers volgen. 

Terwijl ik me even daarvoor in de straat bekeken voelde omdat ik met korte mouwen de regen indook, keek ik zelf met stijgende verbazing naar de schaars geklede kerels die me in het park voorbij snelden. Bij de eerste jongen in bloot bovenlijf dacht ik nog dat het om een uitzondering ging, een plaatselijke gek. Maar niet veel later raasden drie mannen met louter een shortje aan voorbij. Hun ruggen zagen zwart van de opspattende modder. Na hen heb ik er zo nog wel een tiental zien passeren. 

Een half uurtje, langer heeft mijn eerste kennismaking met Central Park niet geduurd. Maar toch was dit al een onvergetelijke ervaring. Ik schat dat ik in die korte tijd wel tweehonderd lopers gezien heb. Hardlopers, met nadruk op hard. Het was pas in de laatste meters dat ik voor het eerst iemand voorbijstak. Waardoor ik me in extremis toch nog goed genoeg voelde om me onder de sportieve uptowners te mengen. 


 

Vanzelfsprekend

Het is zover. Dinsdagochtend om 9u05 vertrekt mijn vliegtuig richting New York. De eerstvolgende keer dat ik voet aan de grond zet in België hoop ik 42,195 km in de benen te hebben.

Ik ben bloednerveus. Al maanden beheerst de marathon mijn leven. Iedereen uit mijn kennissenkring weet wat ik komende zondag ga doen. En nu ben ik bovendien aan het bloggen op een publieke website. Er is geen weg terug, hier wil ik zo graag in slagen.

'Veel succes in New York, maar het zal wel lukken', dat is wat ik de afgelopen dagen het meest gehoord heb. Toen ik daarnet nogmaals hetzelfde hoorde uit de mond van een collega, vroeg ik of het ook ok was als ik de finish niet haal. Ik wil niet pessimistisch klinken, maar dat iedereen er zomaar vanuit gaat dat ik de marathon zal uitlopen, maakt me extra zenuwachtig. Een andere collega had goed geluisterd, hij nam afscheid met 'Veel geluk. Maar het is voor jezelf hé.' En dat is waar, ik had dit ook willen doen als er niemand op de hoogte was van mijn plannen. Ik moet af en toe eens een grens kunnen verleggen, dan ben ik weer voor een tijdje opgeladen.

Toch wil ik deze uitdaging niet ten koste van alles halen. De afgelopen week werd ik meer dan eens met de risico's geconfronteerd. Drie mensen stierven tijdens de marathon van Detroit, een van hen was, net als ik, 26 jaar oud. Diezelfde dag kwam ook de broer van zanger en presentator Jan Leyers om het leven tijdens de marathon van Amsterdam. Het gaat dan wel om uitzonderingen - statistisch gezien moet ik me nauwelijks zorgen maken - maar toch zat ik de hele week met mijn gedachten bij hen. Hoe ook zij uitkeken naar die ene dag, hoe ook zij maanden trainden, hoe ook zij met zelfvertrouwen aan de start verschenen. Hun dramatische dood mag geen reden zijn om dromen op te bergen, maar ze waarschuwen wel voor vanzelfsprekendheid.


 

De kunst van het stappen

Enkele dagen voor mijn vertrek naar New York ben ik nog even mijn zinnen gaan verzetten in de Ardennen, ver van de drukke steden, winkels en bussen waarin de griep dezer dagen wild om zich heen slaat. We zijn er tussen de watervallen van Coo en het mooie Stavelot een 17-tal kilometer gaan wandelen. Stilaan moet ik voldoende rust nemen - lees: zitten en liggen - maar beschouw het voorbije weekend als mijn laatste stuiptrekking in de voorbereiding op de marathon.

Stappen vermoeit nauwelijks. Een mens is door de evolutie heen gekneed tot de meester-wandelaar. Niemand zal al lopende een hert vangen, maar onze voorouders hadden wel het geduld en de fysiek om vele uren de sporen van een vluchtend dier te volgen tot ze hun stilaan uitgeputte prooi inhaalden en tenslotte afmaakten. Als we rechtop staan valt ons lichaam liever van de ene pas in de andere, dan dat het blijft staan, slentert of loopt.

Toch is het mogelijk de biomechanica tegen te werken, merk ik. Wanneer je maanden aan een stuk vier keer per week vele kilometers gaat lopen, dan is het moeilijk om geduldig te wandelen. Ik merkte dit weekend dat ik op de vlakke stukken op springen stond, klaar om de weg voor me in looppas op te vreten.

Die potentiële loopenergie die mijn benen doet gloeien wanneer ik stap, ben ik al een tijd geleden gewaargeworden. Meer bepaald wanneer ik mijn dagelijkse wandeling naar het werk maak. In een gemiddeld tempo ben ik er op 22 minuten, al lopende zou ik al in een dikke 10 minuten op de redactie zijn. Maar ik moet me inhouden: ten eerste is het voor mezelf en mijn collega's niet aangenaam als ik bezweet aan mijn bureau ga zitten, bovendien is lopen met gewone kleding en met bijvoorbeeld bottines aan allesbehalve bevorderend voor spieren en gewrichten.

Ik blijf dus nog een weekje als een springveer door het leven gaan, tot ik op 1 november meer mag lopen dan mijn benen wensen.


 

Mount Everest

'Ik wil dat het VOORBIJ is... Het maakt me niet uit hoe, laat het ophouden. Ik ben aan het stappen en joggen, mijn achillespezen trekken samen, ik ben helemaal leeg... ' Zo omschreef een Australische vriendin haar laatste zeven kilometer van haar eerste marathon, die van Sydney vorige maand. Gelukkig voegt ze er meteen aan toe dat het AMAZING was om dan toch over de meet te lopen. 'Het is absoluut de moeite. Ik heb nooit eerder zoveel voldoening gevoeld!'

Hoewel ze mij dus wat schrik aanjaagt, stelt Deborah me in haar mail ook gerust: 'Ik beschouw de trekking naar het basiskamp van Mount Everest toch nog als het moeilijkste wat ik dit jaar gedaan heb.' Die trekking heb ik in februari samen met haar en zes anderen tot een goed einde gebracht. Het was een erg zware tocht, die ik volledig onderschat had, maar die uiteindelijk toch doenbaar bleek.

Ik vermoed dat Basecamp niet zozeer meer pijn doet of een betere conditie vereist dan een marathon, maar dat de trekking mogelijk mentaal zwaarder kan zijn, omdat je meer dan bij een marathon de controle over je lichaam verliest. Als je echt niet meer kunt tijdens een loopwedstrijd, dan kan je nog altijd opgeven. Maar als je in het midden van het Himalaya-gebergte ten prooi valt aan hoogteziekte, dan is er niet meteen een manier om je beter te voelen. Alleen een uren- tot dagenlange afdaling kan je weer genezen.

Je kunt ook de omgekeerde redenering maken: omdat je tijdens een marathon altijd kunt stoppen, is het mentaal moeilijker om door te zetten. In het gebergte heb je toch een tijdlang geen zicht op beterschap, dus kan je evengoed nog wat doorgaan.

Enfin, ik zal volgende week wel zien of er überhaupt een vergelijking te maken valt. Het enige objectieve criterium dat ik zou kunnen bedenken is de fysieke tol: in Nepal verloor ik vijf kilo en de nagels van beide grote tenen. Ik neem aan dat ik ook uit New York zal terugkeren met enkele defecten. Ik hoop wel dat mijn teennagels deze keer gespaard blijven, want de twee grote zijn pas sinds deze maand helemaal terug aangegroeid.


 

You only get one shot

Dana international, Katrina & The Waves en ABBA: mijn mp3-speler is alweer verrijkt, dankzij het Eurovision verzamelalbum. De meest foute liedjes vind ik doorgaans de beste om op te lopen. Ze wiegen je niet in slaap zoals grijsgedraaide platen of laten je niet wegdromen zoals je favoriete nummers, maar prikkelen je gehoor, al dan niet in goede zin, waardoor je alert blijft.

Ik heb de afgelopen maanden muziekgenres leren appreciëren die me voordien helemaal niets zeiden. Wie geraakt er niet opgezweept door Rihanna's "Please don't stop the music"? Of wie plaatst er geen versnelling bij Geri Halliwells versie van "It's raining man"? Met "Can't get you out of my head" van Kylie Minogue blijf ik bij de les en als Eminem "you only get óne shót, do nót miss your chance to blów" door mijn oortjes schreeuwt, heeft mijn opgefokte zelf moeite om géén rapgebaren te maken.  

Af en toe kan je muziekbibliotheek verrassen: een liedje dat je al langer kende, blijkt tijdens het lopen het perfecte ritme te hebben. Ik ontdekte een viertal nummers die me pas na pas vooruit stuwen: het donkere "Paint it black" van de Rolling Stones, het onvermoeibare "Hitchen' A Ride" van Green Day, het iets tragere "Fly Away" van Lenny Krevitz, perfect voor bergop, en tenslotte Puff Daddy's "Come with me" uit de Godzilla-soundtrack, dat gecomponeerd lijkt op mijn loopritme.

Voor New York laat ik mijn soundtrack thuis. Mogelijk zijn mp3-spelers verboden tijdens de marathon, maar dat hoef ik zelfs niet te weten: ik wil sowieso niets van de omgeving missen. Als ik de verhalen van mijn voorgangers mag geloven, is de sfeer in de Big Apple uniek. Mensenhagen die je vooruit schreeuwen: ze helpen je dansend naar de meet. You better go capture this moment and hope it doesn't pass you. Amen to that, Eminem.


 

Taalgrens

Toen ik mijn trainingsschema voor het eerst bestudeerde, maakte ik wilde plannen: ik zou bij eb gaan lopen op het Noordzeestrand, ik zou het Zoniënwoud in alle mogelijke richtingen doorkruisen, ik zou eens naar de Ardennen treinen om daar dan kilometers te vreten en ik zou af en toe eens terugkeren naar mijn studentenstad Gent, om er op het zachte houthaksel langs de Watersportbaan mijn knieën te sparen.

Van dat alles is niets in huis gekomen. Op mijn vakantie in Italië en Kroatië, de autoloze zondag in Brussel en twee wedstrijden na, heb ik telkens dezelfde wegen platgelopen. In een kwartiertje ben ik van mijn appartement in Brussel in het Elisabethpark naast de basiliek van Koekelberg, waar ik rondjes kan draaien tot ik er bij neerval. Of ik ga de andere kant op en loop door het centrum en langs het kasteel van Groot-Bijgaarden. 

Mijn lange duurlopen van het weekend bedwong ik telkens bij mijn ouders in Overijse. Ik heb er mijn eigen taalgrensroute uitgestippeld. De Hoeilaartsesteenweg en Koninginnelaan vallen gedeeltelijk samen met de lijn die ons land in tweeën verdeelt. Op de ene stoep loop ik nog in Vlaanderen, als ik oversteek ben ik in Wallonië. Ik wissel nog twee keer van gewest vooraleer ik langs Vlaamse zijde het meer van Genval bereik. Het communautair vaarwater bestaat echt! Het is deze grote plas waarin de taalgrens verdrinkt. De taal die de talrijke joggers en wandelaars langs de oever spreken is universeel: een knikje wanneer je iemand voor een eerste keer kruist, een voorzichtige glimlach bij een tweede keer, de tanden bloot bij alle volgende keren. De vissers zitten niet verlegen om een applausje bij elke passage.

Ik tel de rondjes af. Nog twee keer de tour van het Elisabethpark, nog één keer rond het kasteeldomein van Groot-Bijgaarden, en nog twee keer de oever van le Lac belopen en dan vlieg ik naar een gloednieuw decor.


 

Risicogedrag

Ik schat dat ik intussen al 17 jaar tennis speel, minstens één keer per week. In die, laten we zeggen, 900 uren, heb ik me niet één keer echt geblesseerd. De kans dat ik nu woensdag in mijn laatste 60 minuten tennis voor de marathon dan toch een verzwikte enkel of een spierscheur oploop, is miniem. Maar de schrik is me om het hart geslagen en ik heb - wat zeer zelden gebeurt - afgebeld. Ik zou het mezelf nooit vergeven mocht ik al het werk van de afgelopen maanden verspelen in een banale rally.

Het is natuurlijk in de eerste plaats niet bijster slim om te blijven tennissen in volle voorbereiding op een marathon, dat besef ik. Ten eerste is het een sport waarin je vroeg of laat toch een verkeerde beweging maakt, met een zware blessure tot gevolg. Het aantal steunverbanden en littekens in mijn tennisclub zijn niet te tellen. Bovendien heb ik al last van overbelaste beenspieren, dus kan ik tussen de looptrainingen door beter rusten. En tot slot: tennissen en marathonlopen vormen een ongelukkige combinatie. De afgelopen maand heb ik er keer op keer van langs gekregen van mijn tennispartner. Vorige week droop ik na ons uurtje met 2-6 af. Het voelt alsof ik bij elke pas wegzink in het gravel, ik kom amper nog bij een bal. Om een goede conditie te kweken, heb ik al mijn explosiviteit moeten inleveren, zo lijkt het wel.

Dat ik het toch niet kon laten om wekelijks een balletje te slaan, toont aan wat ik begin dit jaar niet meer zo zeker wist: tennis is mijn favoriete sport. Ik mis het om met de tanden op elkaar van links naar rechts te spurten en me ongeremd in een rally te smijten

Volgend jaar loop ik geen marathon. Ik ga me met herwonnen motivatie opnieuw op het gele balletje focussen. Mijn racket kan maar het best profiteren van deze twee weken platte rust.


 

Over deze blog



Webredactrice Lotte Alsteens loopt op 1 november - als alles goed gaat - de marathon van New York. Het is de eerste (en laatste?) keer dat ze zich aan 42,195 kilometer zal wagen. Uitlopen is het enige doel.

Na maanden langzaam opbouwen, staat nu de laatste, intensieve trainingsmaand voor de deur. De eindsprint richting Big Apple begon op 4 oktober met de Brussels Half Marathon.


Zoeken op deze blog





Vlaamse blogs