Foto's


 

Foto's


 

Kamp Kandahar samengevat

De zeven zonden van het kamp

Stof

Mijn blote voeten in open sandalen zien eruit alsof ik in een bak talk heb gebaggerd

Monica’s neus bloedt

Zwarte camouflageschoenen kunnen nu ingezet worden bij het winteroffensief

Water

Overal, maar werkelijk overal staan kartonnen met flesjes water

We drinken gemiddeld vijf liter per dag en gaan niet plassen

Op het tarmac om drie uur ’s middags: water langs mond erin, langs rug er weer uit

Hitte

Pieken tot 49,5 graden

Zonnecréme: 50+

Monica heeft rode, verbrande ogen (zonnebril en fototoestel is een moeilijke combinatie)

Koude

Airco in de tent en afstandsbediening zoek

Dikke slaapzak

Heerlijke douche ’s avonds voor slapengaan

Oordoppen

Tegen het lawaai van de vliegtuigen ’s nachts

Tegen het lawaai van de F-16’s op reportage

Tegen het lawaai van het vliegtuig in het vliegtuig

Stank

Kerosine op de landingsbaan

De open shit pit, waarvoor de militairen nog steeds geen oplossing hebben

Lang leve de goeie deo

Verspilling-

Tenten dag en nacht verlicht met tl-lampen

Maaltijd afgelopen, en alles wat op dienblad staat in plastic zak kieperen

Dikke slaapzak tegen de airco

Corry Hancké


 

Foto's


 

Kandahar, 6 uur in de ochtend (half vier in België)

Jan Carpets is de naam van het kleine winkeltje waar je Afghaanse spullen kunt kopen. Donkere blauw-rode tapijten, grote geitenwollen bruine deken-sjaals van het type dat Bin Laden draagt, fijne vrouwensjaals in Pasjminawol, de pannenkoekachtige mutsjes zoals Generaal Massoud er een droeg en de fijne Pakistaanse, vaak met goud geborduurde, harde hoedjes van de Baluchistam. Er hangen zelfs enkele boerka’s te wapperen in de wind.

Jan Carpets doet goede zaken, elke keer als ik langs zijn winkeltje passeer, is hij aan het onderhandelen met een klant.

Voor de meeste inwoners van de ruim 13.000 inwoners van het militaire kamp in Kandahar, is dit de enige glimp die ze van Afghanistan te zien krijgen. Hier verblijven vooral militairen die zich met logistiek en organisatie bezighouden. De luchtmachtbasis in Kandahar is de voornaamste aanvoerroute voor al het materiaal dat voor het zuiden van Afghanistan is bestemd.

Vooral in dit gedeelte van het land wordt slag geleverd tegen de taliban. Die hebben hun uitvalsbasis in buurland Pakistan, en halen hun voornaamste opiuminkomsten uit de poppy-oogst in de zuidelijke provincies van Afghanistan. Da’s eenvoudig uitgelegd, want in de werkelijkheid zijn er ook taliban die hier uitrusten om in Pakistan te gaan vechten, hebben krijgsheren die niet met de taliban verbonden zijn, ook een aandeel in de poppy-opbrengsten en wordt er soms ook in het noorden van het land gevochten.

Monica9 Maar de meeste buitenlanders op de militaire basis van Kandahar hebben nog nooit een Afghaan van dichtbij gezien. Tenzij misschien de dagloners die hier op het kamp komen werken. Ze worden aangeworven om wegen in het kamp aan te leggen. Dat moet een cultuurclash zijn voor die mannen. Een Afghaan met zijn lang hemd en mutsje in de buurt van een F-16 piloot met zijn helm en zijn zuurstofmasker; de verkoper van Jan Carpets bij een mollige Amerikaanse in short met een ice-cappuccino in haar handen.

De militaire basis is gebouwd door de Amerikanen, en dat merk je. Een pizza Margherita bij de Pizzahut, een Giant uit de Burgerking, of een cappuccino met een donut van Tim Horten’s. Je kunt het allemaal kopen in grote containers die rond een grote vierkante ruimte zijn opgesteld.

Er is zelfs een bank, waar je euro’s in dollars kunt wisselen. De geldbriefjes zijn echt, maar de cents zijn plastieken muntjes die je alleen in het kamp kunt gebruiken. Hopelijk heeft iemand van de organisatoren dat ook aan Jan Carpets meegedeeld. Net de Club Mediterranée, waar je ook wekenlang met speelgoedgeld winkeltje kunt spelen.

De containers voor de foodies behoren tot een soortement ranch. Een houten constructie van open gangen rond een plein waarin wel drie voetbalmatchen tegelijk kunnen worden gespeeld. De Canadezen hebben er een hockeyveld aangelegd, waarin ze ijshockey spelen zonder ijs en schaatsen. Dertien ploegen dingen er naar de beker. Het gaat er zo ruw aan toe dat sommige spelers eerder in de ziekenboeg zullen terechtkomen omdat hun knie naar achteren plooit nadat er een stick is tegenaan gekomen, dan dat ze in een hinderlaag van de taliban zijn gevallen.

De hele dag lang drentelen er militairen rond, sommigen in short, blote billen en slippers (niet  op dienst), anderen in lange broek, combatlaarzen en een geweer aan de schouder lopen er wacht.

In het kamp zijn drie sportzalen. De Nederlanders geven aan elk van hun soldaten die 100 kilometer op de loopband loopt een T-shirt waarop Kaf-Run (Kandahar Airfield) staat. En onderweg naar de F-16’s, in een woestijnachtig gebied waar het vaak boven de veertig graden is, passeer je pijlen waarop ‘Jogging-route’ staat. Rare jongens, die soldaten.

De Nederlandse militairen hebben een Dutch Corner, een voornamelijk frisdrankencafé waar activiteiten worden georganiseerd. Filmvoorstellingen, gewoon kletsen of informele vergaderingen. Op zondagavond wordt er salsa gedanst. Dat leek me wel wat, om me met blonde jonge knapen of donkere Surinamers heupwiegend over de dansvloer te bewegen. Helaas zijn Monica en ik dan al vertrokken naar Tarin Kowt, een klein Nederlands kamp iets verderop. Wij hebben alleen het genoegen gesmaakt om een avondje Bingo mee te maken. ‘Pak het papiertje – Vul een kruisje in – Bingohoo-Bingohoo (roepen ze dan in koor) – Wacht de cijfers af – kom je prijs halen –Bingohoo-Bingóhoo.’

Er is ook een kleine supermarkt op het kamp, waar je shampoo, zeep, stapels condooms, parfum, chocolade en alcoholvrije wijn kunt kopen. Er liggen postkaartjes waarop een prachtige oude grijsaard je aankijkt, ‘Greetings from Afghanistan’ staat erop.

Corry Hancké


 

Foto's


 

Kandahar, tien uur ’s avonds (half acht Belgische tijd)

Corryhancke Mijn Chokotoffs zijn niet gesmolten. Een dag lang heb ik gevreesd voor sokken gedrenkt in chocolade, of handdoeken die op dag 1 al een bruine kleur hadden. Maar niets van dat alles. De chokotoffs hebben temperaturen van 45 graden in de zon overleefd.

Ze hebben een hele dag op de tarmac gestaan, in de zon, ergens in het Midden Oosten waar wij gisteren moesten overstappen van een Nederlands op een Amerikaans vliegtuig. Toen bleek dat de vlucht naar Kandahar voor een dag was uitgesteld, werden wij overgebracht naar een leegstaande basis in de buurt, terwijl de bagage op de landingsbaan bleef staan.

Met de Chokotoffs wil ik de tolken verleiden. Zij werken voor de Nederlandse militairen, maar ik zal hen ook moeten vragen om te vertalen als ik iets aan de plaatselijke bevolking wil vragen. En chocolade –zeker Belgische- doet wonderen, daar ga ik vanuit.

Op onze vlucht zat trouwens zo’n tolk. Een Afghaanse vluchteling die in 1998 zijn land heeft verlaten, en die nu voor het eerst teruggaat. Hij heeft in Nederland Pashtun geleerd. Dat is de taal die in het zuiden van Afghanistan wordt gesproken, terwijl hij afkomstig is uit het noorden. Hij vertelde me dat hij onmiddellijk kan horen als iemand Pashtun met een Pakistaans accent spreekt. Dat betekent stront aan de knikker, omdat de Pakistani mogelijk met andere dan vredelievende bedoelingen naar de Nederlanders is gekomen.

Vanmiddag zijn we met een Amerikaanse C-17 overgebracht naar Kandahar. In rijen van twee zijn we via het laadruim achterin aan boord gestapt. 120 dezelfde uniformen, 120 dezelfde scherfvesten en helmen.

Met oordopjes tegen het lawaai is het moeilijk converseren tijdens de vlucht. Dan maar lezen en rondkijken naar al die kortgeschoren mannenkopjes met knalgele dopjes uit hun oren.

Kaarturuzgan Uiteindelijk zijn we in Kandahar gearriveerd, een provincie in het zuiden van Afghanistan, en de belangrijkste basis voor de troepen in het zuiden. Het kamp heeft een omtrek van 30 kilometer, er verblijven ruim 13.000 militairen van verschillende nationaliteiten.

‘Niet evident hoor’, zegt een Nederlandse militair die in het bestuur van het kamp zetelt. ‘Neem nou de toiletten: wij gaan op de bril zitten, terwijl mensen uit Azië er op gaan staan.’ De man heeft er, met 24 anderen, een fulltime baan aan om het kamp te runnen. De hygiëne van de wc-brillen is daar maar een zeer klein onderdeel van.

Monica en ik slapen in een tent waar 8 stapelbedden staan. We hebben de tent voor ons alleen. Luxe. ‘Als het alarm gaat, plat op de vloer gaan liggen voor twee minuten. Daarna hollen naar de dichtstbijzijnde bunker’, zei de persverantwoordelijke van de Nederlandse Defensie op het kamp. Mortieraanvallen, u begrijpt het wel. (slik)

De teksten die we schrijven, worden nagelezen. Er is ons op gewezen dat we niet mogen vermelden op hoeveel meter de raket het kamp heeft gemist. ‘Anders weet de vijand hoe ze in de toekomst moet mikken’.

Regelmatig vliegen helikopters of F-16-vluchten over. De gesprekken stokken, niet uit angst, maar omdat die machines zo veel lawaai maken dat er geen conversatie doorkomt.
Ik zal vannacht mijn knalgele oordoppen insteken. Geel met een oranje streepje in. Als Monica wil gaan plassen, zal ze mij zien liggen in het donker.

Corry Hancké


 

Acht uur, militaire luchthaven in Eindhoven.

Corryhancke_2 Met de GSM plat tegen het raam, kan de vrouw nog een fotootje van haar echtgenoot maken. ‘Je hoopt dat ze terugkomen’, zegt ze me terwijl ze haar tranen droogdept. ‘Het is al de vierde keer dat hij naar Afghanistan vertrekt. En tot nu toe is alles goed verlopen.’

Iets verderop staat een familie: grootvader, grootmoeder, moeder, zusje en zoon. De jonge soldaat vertrekt voor de eerste keer. Hij zit er stilletjes bij. ‘Het was als een donderslag bij heldere hemel’, zegt moeder. ‘Hij is pas sinds juni in het leger, en nu moet hij al vertrekken. Hij stuurde me het bericht per sms, ik schrok me dood.’ Grootmoeder vindt het maar niks. ‘Wat moet hij in Afghanistan? Wij hebben daar niks te zoeken. Dat ze het zelf maar uitzoeken’, zegt ze mopperend.

Zo’n 120 soldaten van het Nederlandse leger vertrekken voor minstens drie maanden naar Afghanistan. Sommigen gaan naar de hoofdstad Kaboel, maar de meesten worden verwacht in het zuiden van het land. Daar heeft het Nederlandse leger al zestien soldaten verloren. Het is Talibancountry.

Enkele oudgedienden staan een groentje uit te wuiven. Een stoere handdruk. ‘Succes man. Nu gaat het echte werk beginnen.’

De soldaten zijn rustig, de kauwgummonden en wiebelende benen buiten beschouwing gelaten. Velen gaan voor de derde of vierde keer terug, anderen zullen binnenkort voor het eerst met een ‘echte’ vijand geconfronteerd worden. ‘Neen, ik ben niet bang’, zegt een jonkie. Ik schat ‘m vooraan in de twintig. ‘Dat is het leven waarvoor ik heb gekozen, en de gevaren horen erbij.’ Woorden die uit de mond van Tom Cruise komen, net voordat hij in zijn Top Gun machine stapt.

Sommige ouderen zijn minder enthousiast. Een man van vijftig, die sinds ’77 bij de Nederlandse defensie is, wordt voor het eerst uitgestuurd. Een kleine teddybeer in zijn rugzak houdt ‘m gezelschap. ‘Mijn nieuwe laarzen knellen. Ik ben nog snel andere combatshoes gaan kopen, anders houd ik het niet uit.’

We vliegen op een onbekende bestemming, ergens in het Midden-Oosten. Daar moeten we overstappen in een Brits legervliegtuig, dat ons naar Kandahar zal brengen.

Op de vlucht komen de eerste nieuwsgierige vragen. ‘Wie zijn die twee vrouwen met dat Belgisch accent?’ Monica, de fotografe en ik, zullen twee weken bij de Nederlandse soldaten blijven. We gaan uitzoeken hoe zij proberen de taliban en de krijgsheren te verslaan. We gaan in Camp Holland verblijven, in de provincie Uruzgan. In onze bagage zitten alleen kleren in camouflagekleuren. ‘Liefst geen fuchsia of turkoise’, had de voorlichter van Defensie ons gezegd. ‘Dat word je al snel een schietschijf.’ (slik)

Op de luchthaven, ergens in het Midden-Oosten (de militairen hebben ons gevraagd niets over de stad te schrijven), wordt het menens als we onze helm en scherfvest krijgen. In België spreken we van een kogelvrij vest, de vesten van de Nederlanders beschermen ook tegen de scherven van bermbommen (slik).

Het is bloedheet, en daar sta ik op een zinderende tarmac. Een bolle computertas op mijn rug, een pothelm op mijn hoofd en een scherfvest van tien kilo over mijn schouders. De Ninaturtle trekt ten oorlog.

Met bulderende stem vertelt een man ons dat we enkele uren moeten wachten. Het Britse vliegtuig dat ons verder naar Kandahar moest brengen, heeft vertraging maar het zou ook kunnen dat het Amerikaanse vliegtuig dat voor ons bestemd was, met een mankement aan de grond staat. Militaire precisie, heel belangrijk in de oorlog.

Na twee uur drentelen, en flauwe grappen ‘de luchtvaartmaatschappij heet May be, want je weet nooit wanneer je arriveert’, krijgen we te horen dat we niet meer zullen vertrekken.

We worden overgebracht naar een leeg kamp van de Britten, ergens in het Midden-Oosten. ‘De taktische verplaatsing wordt 24 uur verdaagd’ heet dat in militair jargon. Bij De Lijn zouden er voor minder opstanden uitbreken. Maar hier nemen de soldaten het nieuws gelaten op. ‘Ach, het is rennen of wachten’, zegt er een.

Mogen we onze bagage meenemen? ‘Negatief’.

Daar zit ik: gestrand ergens in het Midden-Oosten, zonder schone kleren, of tandpasta.

Kobi, een van de vrouwelijke soldaten met wie ik een container deel, haalt een zakje met kleine flesjes toiletspullen en een kussen tevoorschijn. Ze heeft al vier maanden Kandahar achter de kiezen en wordt na een klein jaar alweer uitgestuurd. Da’s een vrouw die wat gewend is.

Ik, ik heb alleen mijn helm en mijn scherfvest bij de hand.

Corry Hancké


 

Over deze blog

De Standaard-journaliste Corry Hancké en fotografe Monica Monté logeren twee weken embedded bij de Nederlandse militairen in Uruzgan.



Zoeken op deze blog





Vlaamse blogs