In godsnaam

Fkingodsnaam Staat u ons toe even een kop te plukken uit het nieuws van de dag: ‘Moslim geeft schijnhuwelijk toe in tv-programma’. De in opspraak gebrachte moslim is niemand minder dan Abdelali Jahoub, de (on)gelukkige die in het huwelijk trad met de Vlaamse Linsey Daman, een 21-jarig meisje dat zich vol overtuiging tot de islam bekeerde.

Hoe we dat allemaal weten, zonder het artikel te lezen? We keken gisterenavond naar de eerste aflevering van Annemie Struyfs ‘In godsnaam’, een docureeks over de zin en onzin van verschillende godsdiensten. De islam werd als eerste onder de loep genomen en daartoe keken we een klein uur lang naar de transformatie van de vrije Linsey naar de gesluierde en onderdanige Safiya.

In ‘In godsnaam’ kun je moeilijk op de boodschapper schieten. Annemie Struyf licht het geloof op een integere manier door. Haar bijtijds gezellige naïviteit werkt ontwapenend en het programma verzandt nooit in een kruisverhoor. Hoogstens in een kritische bevraging van de vooroordelen die we zo ijverig verzameld hebben tegenover alles wat niet onder de kerktoren past. Struyf laat niet na om van de gelovigen in het programma hetzelfde te vragen.

‘In godsnaam’ velt geen oordeel maar wil het ‘zachte en het harde gezicht’ van elke godsdienst tonen. Het maakt dat zowel de grootste ketter als de vurigste gelovige in dit programma een blauwdruk van zijn overtuigingen zal terugvinden. Het bevestigt wat we willen horen en laat ons de vrijheid om de ogen te sluiten voor wat we niet willen zien. Maar zo gaat dat met programma’s die een eerlijk beeld schetsen: we boetseren de docureeks tot de fictie van onze eigen verwachtingen.

De echte sterkte van het programma zal dit keer niet aan de kijkcijfers afgemeten kunnen worden maar aan zijn echo: hoe luid klinkt het debat dat ‘In godnaam’ opnieuw aanzwengelt? Hoe groot is het ongeloof over zoveel geloof in een land waar kerken leeglopen? De eerste aflevering is, als we de nieuwskoppen nagaan, alvast een schot in de roos: ‘Moslim geeft schijnhuwelijk toe in tv-programma’. Het cliché is in de arena geworpen, nu is het aan de gelovige en de ongelovige, kortom, aan de verlichte geesten om het aan flarden te trekken.  (vks) 


‘In godsnaam’, om 21.10u. op Eén, negen weken lang.


 

De Generatieshow

De Generatieshow - © VRT 2010 - Bart Musschoot Kijken naar De Generatieshow gaf ons dat gevoel dat we ook altijd hebben wanneer we als enige nuchtere met een zatte bende op stap zijn: iedereen lijkt zich te amuseren, maar wij begrijpen niet waarom.

De Generatieshow is een soort televisionele versie van de spelletjesavond van de jeugdbeweging.

Een chaotische quiz, doorspekt met leukigheden en optredens. Vijf duo’s BV’s nemen het tegen elkaar op: de jaren zestigers, zeventigers, tachtigers, negentigers en – euhm – nullers. We zagen in het deelnemersveld BV’s als Tom Waes, Martine Prenen, Kurt Van Eeghem, Eline De Munck of Luc De Vos. De meeste ‘vragen’ die hen werden gesteld, zagen we in een of andere versie ooit al opduiken in een of andere quiz. Zij waren nu een keer verkleed met blinddoek om en moesten raden wie ze waren, moesten dan weer dansen met een hoofdtelefoon op, waarna hun medekwisser mocht raden over welke song het ging.

U weet hoe dat soort shows zijn: een zwiepende camera, fluitende en joelende mensen op de tribunes, lachend en dansende BV’s. Uiteindelijk wint er elke week een generatie BV’s, en die krijgt uiteraard ‘we are the champions’ van Queen te horen, in ware Swingpaleis-traditie.

Een prettige boel voor wie meedoet, en voor het publiek, maar ons televisiescherm werkte als een stevige buffer tussen al die pret en onze sofa.

Het decor, zo zagen we op datzelfde scherm, zag er prachtig uit: kleurrijk, origineel en zo nog een paar adjectieven. Ook over de presentator kunnen we geen kwaad woord schrijven; Bart Peeters is zichzelf en laat de show net niet ontsporen tot complete chaos.

Misschien volgende week voor het kijken eerst iets alcoholisch drinken?

Kristof Hoefkens
De Generatieshow, elke vrijdag om 20.40u op één


 

Gala van de Gouden Schoen

Leterme Ik weet wel dat alles er op tv groter uitziet dan de werkelijkheid, maar wat een ongelooflijk groot podium. En die zaal: afgeladen vol met prachtige mensen. Zo’n uitzending heet ook niet gewoon ‘de uitreiking van de Gouden Schoen’. Natuurlijk niet. Dit is 'het gala van de Gouden Schoen'.

Maar los van het podium, de zaal en de jurk van de presentatrice, was het gala-gehalte niet echt groot. Op het einde leek het het gala vooral het bal van de prins uit Assepoester. Die ene blinkende schoen bleef onbeheerd achter en er was niemand, niemand die hem wilde aantrekken.

Daar konden de organisatoren van het prinselijk bal natuurlijk niet aan doen, net zomin als de organisatoren van het gala. Maar door het wegblijven van Standard en Jovanovic miste het gala wel zijn orgelpunt.

Dat de beroemste supporter van Standard dan maar de trofee in ontvangst nam, was een magere troost. En het had ook iets vreemds: de supporter die de boycot van zijn lievelingsploeg boycot. Leterme zei bestraffend dat Standard de bladzijde moest omdraaien - iets waar hijzelf specialist in is geworden - en toen was het gala gedaan.

Een jammerlijk einde voor een gala dat nooit een gala was. Een klein gehouden optreden van Daan, tilt zo’n show niet naar een glamoureus niveau. De danskunsten van Dupré (sterspeler bij Lokeren en vooral de enige voetballer die zoiets wil doen) nog veel minder.

Met die dansende Dupré leek Carl Huybrechts terug. Toen die nog de Gouden Schoen presenteerde, liet hij voetballers ook heel graag liet opdraven in komische filmpjes. (Komisch werd hier gebruikt als intentieverbintenis, niet resultaatverbintenis.)

Het dansje was evenwel de enige echte uitschuiver van de avond. De hele uitzending had beslist enkele zeer mooie momenten. De portretten van Perisic en Jovanovic thuis in Kroatie en in Servië waren knap en veelzeggend. Veelzeggend over de leefomstandigheden waar beide topspelers uit afkomstig zijn. Veelzeggend ook over het karakter van de spelers. Zo leek pa Jovanovic een schatje (met pruik, denk ik) maar ook iemand tegens wiens kar je beter niet rijdt.

De quotes van de avond kwamen van de moeders. Zo biechtte mama Vermaelen op dat de sterspeler van Arsenal, haar zoon Thomas dus, vroeger een grasallergie had. Mama Lukaku wist dan weer te vertellen dat zoon Romelu vroeger het hoofd van zijn plastic pokemonpop er afdraaide om ermee te shotten.

Knap van de organisator was ook het samenbrengen van Yves Leterme, Jean-Luc Dehaene en Herman Van Rompuy. Vroeger werden CD&V'ers ingedeeld volgens stand bij ACW, Unizo of Boerenbond. Nu delen we hen in bij Anderlecht, Brugge of Standard. Maar los van de stunt, kwam er niet zo veel boeiends uit de monden van de politici. Op dat ene moment na, toen Yves Leterme zich leek te generen dat hij zoveel voetbalmatchen had gezien. ‘In die tijd deed je ook niet anders. Mocht je ook niets anders doen,’ monkelden zijn politieke vrienden.

Bart Dobbelaere

Het Gala van de Gouden Schoen
Gezien op VTM op woendag 13 januari


 

My name is Michael

Michael Hier op de redactie schudden ze er meewarig het hoofd bij, maar ik héb iets met Michael Jackson. Bad was de soundtrack van mijn kinderjaren en draaide overuren terwijl mijn broer en ik posters tekenden op grote rollen printpapier, op het bed sprongen en op onze meest creatieve momenten zelfs brooddeegfiguren bakten naar de beeltenis van de meester. En we waren allebei ook wat stiller dan gewoonlijk in de dagen na de dood van onze held, eind juni.

Bij VTM proberen ze het overlijden van Michael Jackson te compenseren door te doen waar ze in Vilvoorde het beste in zijn: een grote talentenjacht organiseren. In My name is Michael wil VTM, in samenwerking met de Nederlandse zender RTL4, de popster doen herleven door op zoek te gaan naar de beste van zijn talrijke imitators. Correctie: de twee beste, want Koen Wauters en zijn bevallige Nederlandse assistente Nicolette Van Dam gaan op zoek naar een kleine én een grote Michael Jackson.

Geen gemakkelijke opdracht, want Michael Jackson was een complex figuur. Een zeldzaam begaafde muzikant die samen met Madonna en Prince de popmuziek kneedde tot wat ze tegenwoordig is. Een wervelende performer, die zijn dertig jaar jongere achtergronddansers naar huis moonwalkte. En bovenal een visionaire entertainer, wat nog maar eens duidelijk gemaakt werd in de concertfilm This is it. Al zal de wereld hem in eerste instantie blijven herinneren als de excentriekeling die net iets te graag aan zijn neus liet sleutelen, of van het kinderlijke Disney-imago dat hij zo cultiveerde.

Het is niet makkelijk al deze aspecten neer te zetten. Dat blijkt al meteen in de eerste minuten van My name is Michael, met een compilatie van de eerste kandidaten. Dat blijken plots allemaal Jacksonadepten-met-bierbuik die onder overvloedig gehijg en gekreun in verschillende maten van overtuiging naar hun kruis grijpen. Een geinige karikatuur, dat wel, maar ver verwijderd van de essentie van de popster en twijfelachtig materiaal om het bestaan van het programma te rechtvaardigen.

Gelukkig wordt My name is Michael nooit een freakshow of uitlachtelevisie. Er wordt aandacht besteed aan de kleine succesjes en de grote ontgoochelingen van sympathieke buschauffeurs, schattige tweelingmeisjes, dansleraressen die net iets te zelfverzekerd zijn, en hypergetalenteerde musicaldansers, maar allemaal worden in hun waardigheid gelaten. De meer getalenteerde kandidaten krijgen het leeuwendeel van de zendtijd, met als grote uitschieter de twaalfjarige dansbom Mika.

My name is Michael
wil duidelijk een serieuze talentenjacht zijn en daarom zit, naast een musicalproducent, een zangeres en een Amerikaanse topchoreograaf, ook Ronny Mosuse in de jury. Het is vooral hij die met uitgestreken gezicht de zangprestaties van de kandidaten en kandidaatjes eerlijk en professioneel analyseert en zo de geloofwaardigheid van de jury redt. Het valt immers al snel op dat bijvoorbeeld jurylid en zangeres Berget Lewis automatisch het etiket ‘fantastisch’ kleeft op alles wat gebracht wordt door een mensje van minder dan een meter lang.

Maar de achilleshiel van het programma is zijn eigen opzet. Onder het mom van een eerbetoon, biedt My name is Michael anderhalf uur doorslagjes van het echte werk. Dit is geen zoektocht naar een nieuw supertalent zoals Michael Jackson, maar naar het beste kopieerapparaat dat de meest accurate imitatie kan brengen

Vincent Merckx

‘My name is Michael’, zaterdag 20.40 uur op VTM
 

Bracke op vrijdag

Bracke

Veel rek zat er niet meer op de 

Keien van de Wetstraat. Alle politici waren al meerdere keren de revue gepasseerd. Een praatprogramma dat mensen uitnodigt ‘die nog niet plat geïnterviewd zijn’, was dan ook meer dan welkom. Ziehier het opzet van Bracke op vrijdag. De eerste gast, Guy Verhofstadt, paste niet meteen in dat profiel. Maar goed, je moet toch één klepper hebben om de kijker te lokken. Zeker als je Siegfried Bracke heet.

 

Toegegeven, we zijn geen fan van de man. De ‘slow journalism’ van De toestand, waarmee Bracke in de herfstvakantie mocht proefdraaien, kon zijn oudere gasten, zoals Jean-Luc Dehaene en Godfried Danneels, misschien bekoren. Maar voor de dramatische toon waarmee Bracke zijn gasten graag zwaarbeladen uitspraken ontlokt, gaan wij op vrijdagavond niet meteen gezellig in de zetel zitten.

 

Het was dan ook uitkijken of Bracke zijn beloftes zou waarmaken. ‘Interessant, warm maar ook een beetje geestig’, had hij zijn programma aangekondigd. Een geestige Bracke, dat hadden we nog niet gezien! Jammer genoeg blijft dat ook zo na de eerste aflevering.

 

Het decor zat nochtans goed. Misschien ligt het aan mij, maar de rode pluchen sofa waarin Verhofstadt mocht plaatsnemen, deed me sterk denken aan het programma Mag ik u kussen? van Bart Peeters. Maar daarmee houden alle gelijkenissen ook op. Op een warme sfeer was het tevergeefs wachten. Integendeel. Het programma was nog niet goed begonnen of Bracke zadelde ons met een ongemakkelijk gevoel op: ‘2010 wordt een somber jaar’, ‘het worden tien magere jaren voor Europa’ en ‘ik heb het gevoel dat we collectief armer worden’, orakelde hij. Een mens wordt er niet bepaald vrolijker van.

 

En de centrale gast? Die nam de spervuur van vragen in dank aan om nog eens een verdoken betoog te houden voor een ‘Verenigde Staten van Europa’. Ook hier niets nieuws.

 

Kon niets ons dan bekoren? Toch wel. Het leukste aan het hele programma was het filmpje met Mathias De Clercq, de ‘politieke zoon’ van Verhofstadt, in de troonzaal van het Gentse stadhuis of de universiteitsbibliotheek. In twee minuten toonde De Clercq zich openhartiger dan in alle interviews die hij tot nu toe heeft gegeven, en ook best kritisch. Over het migrantenstemrecht bijvoorbeeld, waar Verhofstadt tegen was. ‘Toen ik zijn eigen geliefkoosde Hayek – wie zijn principes verloochent, gaat naar de hel - terugsmeet in zijn gezicht, is Guy het onmiddellijk afgetrapt, al monkelend.’

 

Conclusie: Als Bracke erin slaagt om de geestige Michel Daerden naar zijn sofa te halen, kijken we graag nog eens terug. Tot dan is het beter dat we gewoon vrienden blijven.

Yves Delepeleire 

 

‘Bracke op vrijdag’, elke vrijdagavond op Canvas.


 

Goesting

Goesting-2 Net als je denkt dat we het echt wel allemáál gehad hebben met kookprogramma’s en aanverwanten, komen programmamakers op de proppen met nóg maar eens een variatie op hetzelfde thema. ‘Een fictiereeks over koken en een sterrenrestaurant, zou dat niets zijn?’

Je vraagt je intussen af of er op de brainstormsessies terzake af en toe niemand opstaat die met euvele moed oppert: ‘Toch niet weeral koken?’ Waarop de harde realiteit van de kijkcijfers wordt bovengehaald en er zoiets ontstaat als Goesting, de nieuwe fictiereeks op één.

Goesting draait rond het fictieve restaurant Felixir en brengt ons in de hoofdrollen onder meer Jan ‘de Joeri’ Van Looveren als de bullebak-topchef Mauro; Patsy Van der Meeren als zijn vriendin-maître d’hôtel Laurence; Chris Thys als zaalpersoneel Linda; en Gène Bervoets, warempel, als de sommelier van dienst.

Nu zijn wij niet meteen een grote fan van olijke Gène, maar het moet gezegd: Bervoets voelt zich in zijn rol als een vis in het water. Eindelijk hoeft hij eens niet geforceerd te lachen of overdreven amicaal te wezen om naar sympathie te hengelen. Bervoets doet gewoon zijn ding en hij doet dat niet slecht.

Daarnaast maken twee nieuwkomers hun debuut: Louis Talpe — agent Toby uit de Ketnetreeks Mega Mindy — speelt de souschef-to-be en Darya Gantura (23) het keukenhulpje Nicolien. De eerste kwam in deze eerste aflevering nog te weinig aan bod, maar de jonge Darya deed dat lang niet slecht. Om te veel complimenten kort te houden: behalve de net iets te zeer getypecaste ouders van de kok Mauro, waren de acteerprestaties best oké.

Maar is dit nu ook een goede reeks? Dat is een moeilijke. Ja, want ze brengt pretentieloze, onderhoudende ontspanning, zonder al te veel ongeloofwaardige scenariowendingen of uitschuivers (de scène op het toilet niet te na gesproken). Nee, want ze stijgt ook niet uit boven de doorsnee fictie-middelmaat. Bovendien deden de begingeneriek, de voice-overs — de gevreesde ‘moraal van het verhaal’ — en de beperkte belichting meer dan eens denken aan de succesvolle Britse fictiereeks Hotel Babylon. Maar dan zonder het lekker hoge tempo of de vinnige dialogen.

Goesting zal ons niet doen thuisblijven op donderdagavond, maar als we er toevallig op terechtkomen, zullen we ook niet meteen wegzappen. En misschien was dat ook gewoon de ambitie.

Filip Salmon

Goesting, elke donderdag om 21.20 uur op Eén.

 

Arm Wallonië, een reis door het beloofde land

‘De geschiedenis van België is als een soap: alles keert terug’, vertelde documentairemaker Pascal Verbeken dinsdag in De Standaard. Dat ene zinnetje vat ook perfect samen wat het eerste deel van de driedelige tv-serie Arm Wallonië, een reis door het beloofde land bij mij opriep.

Dat is niet onlogisch, want Pascal Verbeken en Luckas Vander Taelen hebben de documentaire opgebouwd als een gefilmd antwoord aan Auguste De Winne, de Franstalige socialistische journalist die in het begin van de vorige eeuw verslag uitbracht van zijn reis door hongerend Vlaanderen. Een slimme zet, want op die manier kan de commentaarstem zijn verhaal vertellen en op een rustige en ongedwongen manier veel informatie geven over de situatie en het leven van toen in Vlaanderen en Wallonië.

De documentaire laat de laatste getuigen aan het woord van de ongeveer 500.000 Vlamingen die destijds de ellende ontvluchtten om een beter leven op te bouwen in het welvarende Wallonië. Want de Walen stonden toen bekend voor hun dynamiek en iedereen wou er bijhoren. De meesten, zoals de nu 99-jarige Clarine Trossaert waren daarvoor nog nooit in Wallonië geweest.

Het klinkt een beetje macaber, maar de sporen van de grote concentratie aan Vlamingen vind je niet zozeer terug in de ‘Vlaamse wijken’ in de streek van Charleroi maar op de begraafplaatsen. De migratie is er gebeiteld in marmer en arduin. De helft van de namen zijn Vlaams.

De makers schuwen de politieke en communautaire tegenstellingen en analyses niet. ‘Vlaanderen is zijn zwarte jaren vergeten net zoals ze je boek vergeten zijn’, antwoordt de stem aan De Winne. Waarop de controversiële actie van de N-VA van enkele jaren geleden aan de scheepslift van Strépy-Thieu, om de geldstromen van Vlaanderen naar Wallonië aan te klagen, in herinnering wordt gebracht. N-VA-voorzitter én historicus Bart De Wever moet toch geweten hebben dat de streek door Vlamingen ‘gemaakt’ is: het Centrumkanaal in Henegouwen is door 80 procent Vlamingen gebouwd. Hoe luidt het spreekwoord alweer? Wie zijn geschiedenis niet meer kent, heeft geen zicht op de toekomst?

Maar de ‘grote Belgische geschiedenis’ domineert niet, het is de combinatie met de persoonlijke levensverhalen van de ‘laatste getuigen’ die deze documentaire zo krachtig maakt. ‘Het is belangrijk dat we weten dat onze wortels hier liggen’, zegt een van de getuigen. ‘Het maakt niet uit of we Vlaming, Waal, Turk of Italiaan zijn. We vergeten zo vaak het verhaal van de mensen zelf.’

Het programma leert ook dat regisseur Luckas Vander Taelen, ondanks zijn professionele koerswijzigingen, de stiel nog niet verleerd heeft. Al krijgen we in het eerste deel wel een heel somber beeld van het intussen verpauperde Wallonië. De camera beweegt zich langzaam door de armtierige wijken. En het valt mij op dat in de loop van de uitzending de zon er nooit schijnt. Altijd pakken de grijze wolken samen boven de troosteloze buurten en de terrils. De kunstmatige heuvels zijn de eenzame getuigen van ooit betere tijden.

De documentaire flirt met de melancholie, die volgt na de euforie van weleer, en dat gevoel wordt nog versterkt door de muziek van Ad Cominotto. Zelfs een praktisch probleem van een oude Vlaamse emigrant – ‘Ik ben de weg kwijt, mijn terril is verdwenen’ – krijgt in deze context een heel symbolische betekenis.

Leo Bonte

Gezien op dinsdag 5 januari om 22 uur op Canvas


 

In de keuken

CULTL_G602KAHD2_1+FC_SFEER2_jpg_275 Het zoveelste kookprogramma zou het absoluut niet zijn. Nee, dit zou een ware portrettenreeks worden van enkele van de beste chefs in België. Niet gefilmd tegen de klok, geen wedstrijd, geen afvalrace. Gewoon: de chef, zijn werk en zijn leven in een goed gesprek. ‘In de keuken’, het nieuwe kookprogramma van Wim Opbrouck dat dinsdagavond van start ging op Canvas, wil ‘slow television’ brengen en ­– laten we alvast positief starten – daarin is het in zijn eerste aflevering zeker geslaagd.

De gesprekken waren basic, de muziek minimaal, het camerawerk rustig en rechttoe rechtaan. Het resultaat was sober en clean en wat opviel was de stilte in het programma. Verfrissend. Korte stukjes interview met eerste gast Geert Van Hecke, driesterrenchef van De Karmeliet in Brugge, werden afgewisseld met de recepten en de bereiding ervan door de chef en twee vrienden van Opbrouck zelf, met name Karl Vannieuwkerke en Jean Blaute. Vannieuwkerke zorgde trouwens onbewust voor een amusant moment door in zijn sappig West-Vlaams even uit te wijden over de ‘kiek’ns die alles volschet’n’ in zijn tuin. Zo hadden we hem nog niet gehoord.

Maar helaas, tot daar het goede nieuws. ‘In de keuken’ begon gaandeweg te lijden onder zijn eigen format en stijl. Het ‘goede gesprek’ bleef uit, de vorm primeerde op de inhoud. Weinig zijn we te weten gekomen over Van Hecke zelf (een paar anekdotes, een minieme tranche de vie), weinig zin hebben we gekregen om zelf ons te wagen aan zee-egels en piment d’espelette. Er zat gewoon te weinig vlees aan ‘In de keuken’ – en dat is doodjammer. Want de poging om eens een ander soort kookprogramma te maken moet vooral aangemoedigd worden. Laten we hopen dat dit programma nog moet en kan groeien.

In de keuken, gezien op Canvas op dinsdagavond 5 januari, om 20.40 uur.

Filip Salmon


 

Zonde van de zendtijd II

Fkzondevandezendtijd Volhouders zijn de jongens van Zonde van de Zendtijd wel. Het eerste seizoen werd door zowat de ganse Vlaamse televisiepers afgedaan als ‘te zwak’, maar toch maakten Henk Rijckaert en Bert Gabriëls een tweede jaargang van hun komisch programma. (Merk op hoe wij het woord ‘satirisch’ vermijden.)

De vraag die op uw lippen brandt, is dan ook: is het tweede seizoen beter dan het eerste? Het antwoord op die vraag is een genuanceerd ‘ja, maar’.

Het valt meteen op dat Rijckaert en Gabriëls een pak minder geforceerd presenteren. De uitspraak van de twee lijkt ook beter.

Maar de items overtuigen (nog steeds) te zelden. Soms is het wel erg moeilijk de humor in een filmpje te ontdekken. Een betoging tegen het fictieve ontslag van tekenfilmfiguurtje Bumba, bijvoorbeeld. Of het item over de Rode Knop. Of het spelenderwijs leren sorteren.

Meestal zijn de ideeën goed, maar is de uitwerking wat minder. In het filmpje waarin de twee zogezegd door BV’s geschreven autobiografieën laten signeren op de boekenbeurs, zitten een aantal grappige fragmenten – Jelle Cleymans! – maar de meeste stukjes wekken hoogstens een mompelend ‘goed gevonden’ op.

Slechts hier en daar zat ook écht een leuk item: hoe ze uitproberen of ze bekend zijn in het Wijnegem Shopping Center, het communiceren van de BV’s via de covers van ‘de boekskes’, én het enige item dat ons deed schateren: een benefietlied voor en door tweederangsBV’s. Hilarisch hoe Bart Van den Bossche, thans presentator van belspelletjes op onmenselijke uren, zelf zingt dat belspelletjes 'te laag' zijn. De homo in FC De Kampioenen deed ons dan weer glimlachen door de uit de context gerukte uitspraken van de personages.

Dus ja, Zonde van de zendtijd is beter dan vorig seizoen, en het percentage goeie grappen ligt merkelijk hoger, maar toch dachten ook dit keer weer: dat moet toch beter kunnen. En neen, hier volgt geen voor de hand liggende slotzin die zegt dat het programma écht zonde van de zendtijd is.

Kristof Hoefkens


Zonde van de zendtijd, elke maandag om 20.40 uur op Canvas
 

Oud België

Fkoudbelgie Nostalgie is een gevaarlijke sport. Talrijk zijn de schrijvers, regisseurs, vertellers die zich vertild hebben aan het beschrijven van hun eigen wonderjaren. Nu onderlijnde Peter Van den Begin wel dat Oud België alleen maar gebaseerd was op zijn jeugdherinneringen in de gelijknamige Antwerpse variétézaal. Stany Crets had immers als scenarist ook meer dan zijn duit in het zakje gedaan, en een groot deel van het verhaal is pure fantasie: geen angst dus voor zoetsappige memoires.

Toch bleef er een groot ‘eerst zien en dan geloven’ hangen rond de nieuwe zondagavondreeks op Eén. Voor je het weet heb je weer zo’n hype die als een soufflé in elkaar zakt, zoals met Los zand.

Wel, we hebben nu de eerste aflevering gezien, en we zijn op slag gelovers. Dit is drama van eigen bodem zoals we het graag geserveerd zien: geworteld in de Vlaamse klei maar ook universeel van thematiek, toegankelijk maar intrigerend, met brio een milieu schetsend maar tegelijk waarachtige en interessante personages boetserend.

De enscenering van het vergane variété van de jaren zeventig had op twee manieren fout kunnen gaan. Van den Begin, Crets en regisseur Indra Sierra hadden kunnen uitschuiven in overdrijving of spotzucht – het volkse decor nodigt uit tot een karikatuur. Ze doen dat niet. Naast flauwe lollekes en volkse liedjes – ‘ik zou eens gere dansen met Brigitte Bardot’ – worden ook optredens getoond die best wel enig talent doen vermoeden. (Van den Begin is bijvoorbeeld perfect geloofwaardig als charmezanger – zijn versie van ‘Liefdesverdriet’ klonk beter dan die van Will Tura.)

Tegelijkertijd proberen de makers ons ook niet te overtuigen dat het revuetheater beter was dan het was: dronken artiesten, vergeten teksten, uit hun kleed barstende danseressen genoeg om ook het goedbedoelde amateurisme te illustreren.

Gelukkig blijft Oud België ook niet steken in de loutere milieuschets. Het maken van pensen met gestroopt reeënvlees of de aankoop van honderd gram salami kleur gaf aan Van vlees en bloed, maar de thematiek van die uitmuntende reeks – voortaan de lat waarnaar alle anderen moeten mikken – was veel rijker. Zo ook is de kleurrijke achtergrond van het variététheater niet meer dan een met veel zorg in beeld gebracht decor, maar zijn het de personages en hun zorgen die ons na het bekijken van de eerste aflevering bezighouden.

Vanwaar komt de bindingsangst van charmezanger Marcel, en hoezeer gaat hij ten prooi vallen aan de gokduivel? Hoe snel gaat kleine Eddy (zeer knap vertolkt door Ben Van Den Heuvel, een revelatie) volwassen worden in deze wereld vol toestanden die eigenlijk aan een jong kind niet besteed zijn? Wat is dat met die brieven die souffleuse Germaine zo zorgelijk wegmoffelt? Crets, Van den Begin en Sierra geloven in de kracht van hun verhaal, dat ze kennelijk langzaam willen ontvouwen. Vermoedelijk – hopelijk – hebben ze gelijk.

Ondertussen is het alvast genieten van uitstekend vakwerk. Sierra verstaat de kunst sfeer op te roepen – de scène met de stoelen op de tafels en de poetsvrouwen aan de slag, waarin Stany Crets de fluistergesprekken in het gebouw loopt af te luisteren! – zonder de vaart uit het verhaal te laten lopen. Hij weet ook iets van monteren. Het door elkaar mixen van wat er op het podium gebeurt en de kleine drama’s achter de coulissen, is uit het boekje. Prijzenswaardig is ook hoe Sierra met een beperkt budget de sfeer en kleur van de seventies weet te evoceren.

Het is tenslotte ook erg fijn Van den Begin en Crets nog eens op tv bezig te zien als echte rasacteurs, en niet als de dolgedraaide travestieten en loltrappers die ze zo graag neerzetten. Ironisch eigenlijk, dat uitgerekend in een reeks over het variété, we dit duo nog eens ‘klein’ zien spelen. Hun ingetogen momenten, met mooie dialogen waarin tegelijkertijd de schoonheid en de moeilijkheid van ware vriendschap wordt gesuggereerd, behoorden tot het mooiste van de eerste aflevering. Oud België is dus veel meer dan potsenmakerij.

Wij kijken al uit naar volgende zondag. 

Steven De Foer

Oud België, gezien op zondagavond om 21.40 uur op Eén


 

Zoeken op deze blog






Vlaamse blogs