Foto's van Wouter Van Vooren

Kushi-nomaden in het noorden van de provincie Kabul. Het gezin dat hieronder geportretteerd wordt, woont met twaalf in een tentje. Ze leven van de opbrengst van hun geiten en schapen. Een van de dochters is een jaar geleden op een mijn gestoten. Ze is door het oog van de naald gekropen: ze heeft nog beide benen, hoewel ze zwaar toegetakeld zijn, en ze is blind aan één oog.





 

Foto's van Wouter Van Vooren

Wouter Van Vooren en Corry Hancké op stap met Halo Trust, een Britse ngo die mijnen ruimt, in het noorden van de provincie Kabul.




 

Foto's van Wouter Van Vooren

Wouter Van Vooren en Corry Hancké op bezoek bij weduwen die een opleiding krijgen tot schrijnwerker.




 

Foto's van Wouter Van Vooren


 

Een huis op de berg

Het huis staat in de wijk die op de berg van Kabul ligt. Het is de wijk van de armen. Er is geen stromend water, geen elektriciteit. De woningen zijn schamele hutten.

Het huis heeft de burgeroorlog overleefd. In de tuin liggen nog steeds de geknakte betonnen muren van iets wat ooit een omheining moet zijn geweest. De binnenmuren van het huis zijn in felle kleuren geschilderd. Overal hangen tekeningen en schilderijtjes.

In een hoekje van de kamer zit een jongetje te tekenen. Hij is zo geconcentreerd dat hij niet opkijkt als wij binnenkomen. Zeer geduldig vult hij de kleurtjes in van het mozaïek die hij heeft getekend. Het resultaat op papier is een prachtige decoratie voor een houten poort. Hij zou zo aan de slag kunnen gaan bij een decorateur in de stad.

Verderop zit een meisje te kalligraferen, een ander maakt een schets van een vaas die in het midden van de kamer staat. Het is doodstil. Alle kinderen zijn aan het werk.

Het zijn straatkinderen, die hier een opleiding krijgen. Ze leren in eerste instantie lezen en schrijven, maar het is ook de bedoeling dat ze een vak zullen leren. Later misschien.

Ze komen ’s ochtends naar de opleiding en in de namiddag gaan ze opnieuw de straat op om de kost te verdienen. Vele kinderen hebben geen vader meer, hij is gesneuveld tijdens de burgeroorlog in Afghanistan.
Een verdieping hoger werken de vrouwen. Ook zij leren lezen en schrijven, want de meeste vrouwen uit de wijk zijn ongeletterd. Als ze al naar school zijn gegaan, dan zijn ze nooit verder geraakt dan hun zesde leerjaar. Daarna hebben ze vaak nooit meer moeten lezen of schrijven.

Toch komen de meeste vrouwen naar hier om een vaardigheid te leren. In het huis worden naaiateliers gegeven en leren de vrouwen tapijten te knopen. Later kunnen ze met thuisarbeid een centje bijverdienen.
Het is voor deze vrouwen onmogelijk om buitenshuis te gaan werken. Hun dominante mannen staan niet toe dat hun echtgenote in contact komt met andere mannen. Eentje heeft thuis bijvoorbeeld nooit verteld dat het centrum geleid wordt door een mannelijke directeur. Ze heeft haar man wijsgemaakt dat er alleen vrouwen komen.

Als je de tijd neemt om met de vrouwen te praten, dan hoor je schrijnende verhalen van huiselijk geweld. Afranselingen, vernederingen, soms zelfs straffen die dichtbij marteling komen. Zoals die ene vrouw wier lichaam met een schroevendraaier was bewerkt. Met de puntige kant had de man haar verschillende keren gestoken.

Ze klagen niet, deze vrouwen. Ze kijken somber voor zich uit en trachten zonder al te veel verwondingen het leven door te komen. Op hun dertig zijn ze oud.

Het huis wordt niet gesubsidieerd. Het is geen ngo. De directeur en de leerkrachten werken al maanden gratis. Een vriend van de directeur probeert bij Afghaanse zakenmannen geld los te krijgen om het huis te financieren. Hij verkoopt de tekeningen van de kinderen.

Ook dit is Afghanistan. Fantastische mannen en vrouwen die de handen uit de mouwen steken om iets te verbeteren aan de wantoestanden in hun land.

Ze wachten niet op de steun van een internationale donor omdat ze het lot van de vrouwen en kinderen uit de wijk nu willen verbeteren.


 

Foto's van Wouter Van Vooren


 

‘Everything safe in Kabul’

Terwijl de passagiers voor de vlucht naar India langzaam hun plaatsen zoeken in het vliegtuig, klinkt dof geweeklaag. Het overstemt de Indiase easy listening muziek die de reizigers op hun gemak moet stellen.‘Ik wil niet sterven. Ik wil leven’ klinkt het tussen andere vreemde klanken door.

De laatste drie rijen van het toestel zijn zwaar bemand. Mannen en vrouwen staan rond de jammerende man die in het midden zit. Het zijn leden van de federale politie die een vluchteling moeten repatriëren. De Afghaan moet terug naar huis, hij is waarschijnlijk niet in aanmerking gekomen voor het statuut van politiek vluchteling en hij wordt nu onder politiebegeleiding terug naar Afghanistan gebracht.

Volgens een dame in het vliegtuig is hij afkomstig uit Kabul en blijkbaar gaat de Belgische overheid ervan uit dat Kabul veilig is. Anders zou ze hem niet terugsturen.


Da’s een hele geruststelling voor ons. Fotograaf Wouter Van Vooren en ik gaan voor twee weken naar Afghanistan. Kaboel wordt onze uitvalsbasis. ‘Ach het valt wel mee met het geweld’, zegt de taxichauffeur in Kabul. ‘The city is safe, problems are in the south of the country.’

Vorige week was de stad opgeschrikt door een raketaanval, die wel eens het begin zou kunnen zijn van een reeks aanslagen op Kabul, dachten sommigen. Op 20 augustus houdt Afghanistan presidentsverkiezingen en de Taliban hadden aangekondigd dat ze het stemproces zouden dwarsbomen. In hun ogen is president Karzai een stroman van het Westen en zijn deze verkiezingen alleen maar een uiting van de wil van het Westen om in Afghanistan een democratie te installeren.

De meeste buitenlandse experten hebben, voor hun veiligheid, het land verlaten. Ze zullen pas na de verkiezingen terugkomen.

De journalisten hebben hun hotelkamers ingenomen en velen zijn nog wanhopig op zoek naar een kamer van waaruit ze de komende twee weken verslag zullen doen. I have seven journalists who are waiting for a room, but I’m fully booked’, zegt de pensioneigenaar. Hij heeft de prijs van zijn kamers met vijf dollar verhoogd. ‘Because of elections.’

Op straat zie je weinig buitenlanders, tenzij in hun gepantserde wagens. Vele expats mogen van hun werkgever niet alleen op straat wandelen. Te gevaarlijk, klinkt het. Niet dat ze een doelwit zouden vormen voor de Taliban, neen, ze vrezen veel meer dat ze een gegeerde buit vormen voor kidnappers die voor een Westerling een hoog losgeld zou kunnen krijgen.

Er zit voor de buitenlanders dus weinig anders op dan op de beveiligde domeinen te blijven. De VN-medewerkers blijven in hun huizen, de experten in hun hotels en Amerikanen komen niet van hun compound af. Een aardige compound trouwens met kleine, leuke appartementjes en een zwembad om baantjes te trekken. Helaas zitten er veel meer Amerikanen dan gepland, waardoor de nieuwelingen in een container behuisd worden.

Het leven in Afghanistan is voor vele buitenlanders –zeker voor hen die voor grote prestigieuze instellingen werken- dan ook een gouden kooi die ze alleen maar verlaten in een gepantserde wagen. Gezellig naar de markt gaan, Afghaanse hoeden passen, kruiden inslaan en glinsterende juwelen proberen, is er voor hen niet bij. Laat staan dat ze bij de gewone Afghaan thuiskomen om een kopje thee te drinken.

Corry Hancké


 

Zoeken op deze blog





Vlaamse blogs