Pulitzer-prijs winnaar met claim van 10 miljard aan de broek

  • Gepost op woensdag 3 juni 2009 om 02:25
  • door pascal dendooven

‘Ik ben die journalist die de hoogste claim ooit aan zijn broek kreeg omwille van een verhaal in de pers’, stelt Walt Bogdanich zich voor. De claim kwam vanuit de tabaksindustrie. Bogdanich poogde met zijn stukken aan te tonen dat het een soort drugsdealers waren.

  Bogdanich is maar één van de sprekers die het groepje journalisten dat deelneemt aan het  veertien dagen durende CJEA-programma aan Columbia University volgens stof tot nadenken gaf.  Bogdanich  zijn palmares inzake onderzoeksjournalistiek is indrukwekkend.  Al dertig jaar zit hij in het vak. Het ontmaskeren van een corrupt management van een spoorwegmaatschappij, problemen met geneesmiddelen, wanpraktijken in ziekenhuizen… Bogdanich heeft al verschillende keren toegeslagen en won voor het eerst in 1988 de Pulitzer-prijs voor  zijn artikelenreeks in de Wall Street Journal over mistoestanden in medische laboratoria. Een zakenkrant waar hij overigens nadrukkelijk afstand van neemt tegenwoordig. Hij verwijt het niet alleen Rupert Murdoch maar aan hun nieuwe layout die hij maar niets vindt.

  ’s Middags was er een lunch met journalisten van de Financial Times USA die enkele van zijn topjournalisten had uitgestuurd die degelijkheid uitstraalden maar duidelijk niet ontevreden waren over hun eigen persoon. Ze hadden met Bogdanich gemeen dat ze de Wall Street Journal maar niets vinden. Die holt tegenwoordig teveel de New York Times achterna, heet het.

   In de namiddag kwam ‘New Media Coordinator’ Duy Linh Tu zijn bedrevenheid in internettechnologie demonstreren en de journalisten die hun vak geleerd hebben door voor kranten en of magazines te schrijven, te prikkelen. Hij genoot ervan toen even een kleine revolutie dreigde.

 Maar terug naar de bloedhond van de dag. Met alle respect die de professional inzake nieuwe media verdient, het is Bogdanich die de beste lessen in journalistiek had uit te delen. Dat krantenjournalisten ook hun website moeten voeden, mag immers al lang geen debat meer zijn ook al bleek dat vanmiddag in hoge mate nog altijd het geval. Dan zorgden de sterren van de Financial Times USA toch voor een verrassing: ze maken zelf eerst een stukje voor de website vooraleer ze zich vervolgens op de krant gooien. Veel tijd daarvoor hebben ze niet, want ’s middags rinkelt al de klok van de Aziatische editie. Het is vanuit die basiskrant dat verder gebouwd wordt. In een eigen ploeg voor de website geloven Julie Macintosh, John Authers en Greg Farrell niet omwille van economische contraintes. Het moet gezegd, de FT lees je voor zijn krant en niet voor zijn website. Maar ook hun krant dreigt dunner te worden maar dat is muggenzifterij als je ziet wat er slechts overblijft van de Wall Street Journal.

   Het leuke aan Bogdanich is dat hij zich niet laat muilkorven. ‘Ik ken het liedje: de mensen lezen enkel nog korte stukken en je stukjes moeten ergens een lokale link hebben om  aantrekkingskracht te hebben.’ Bogdanich, één van de negen vrijgestelde onderzoeksjournalisten van de New York Times, schrijft gewoon lange stukken als het moet en vaak is er geen lokale link. ‘Maar als er duizenden mensen bijvoorbeeld sterven in verband met het onderwerp van onderzoek, dan heb je toch geen lokale smoel nodig?’

  Bogdanich geeft journalisten de raad mee koppig door te zetten. In de eerste plaats om het thema dat ze onderzoeken tot een goed einde te brengen. ‘Als je intern het verbod krijgt om iets te onderzoeken omdat men denkt dat het tot niets zal leiden, doe je het toch gewoon in je vrije tijd?’ In under coversituaties gelooft hij niet. ‘Dat begint vaak met een leugen over je cv of zo.’ Integriteit voor alles. Bogdanich wil ook geen scalpenjager zijn (de ene oplichter neemt toch de plaats in van de andere oplichter) maar bij voorkeur zaken die structureel fout zijn aan het licht brengen.

 Met de afdeling economie van de NYT loopt hij niet zo hoog op. ‘Ze staan veel te dicht bij de zaken waarover ze schrijven en als je kritische vragen komt stellen, beschuldigen ze je ervan een eigen agenda te hebben. Natuurlijk heb ik een agenda: ik wil nagaan of een aantal veronderstellingen kloppen. Dat doet een rechercheur die een moord onderzoekt toch ook?’

 Dat journalisten als gevolg van de waan van de dag zich niet kunnen permitteren om enkele weken een verhaal uit te spitten, betekent volgens hem niet het einde van onderzoeksjournalistiek. ‘Je moet ervoor vechten’, is zijn advies. Dat is iets wat ik de toenmalige hoofdredacteur van The Economist acht jaar geleden ook al hoorde zeggen. Bogdanich gelooft niet dat het economische zelfmoord is. ‘Mensen zullen altijd willen betalen voor een goed verhaal.’

  Aan de uitdagingen die Bogdanich en anderen schetsen valt al bij al iets te doen, maar op de internetuitdaging komt er ook hier in Columbia geen antwoord. ‘Als ik het wist, stond ik nu hier niet’, zegt Duy Linh Tu. Even merkt hij op dat de kranten beter het slot op hun gratiswebsites kunnen zetten. Maar dat houdt geen rekening met het zogenaamd ‘prisoners dilemma in de speltheorie van Nash’. Er kan altijd een partij spelbreker spelen als die denkt er beter van te worden.

 De toekomst van de kranten lijkt niet zozeer bedreigd te worden door  miljardenclaims of eis naar kortere stukken, maar door een hele generatie die zijn informatiehonger via internet stilt. Linh Tu voorspelt in dat verband dat Google Wave de echte winnaar wordt. Morgenochtend zitten de journalisten terug op terrein met grotere mate van voorspelbaarheid.  Jospeh Rubin, vastgoedspecialist bij Ernst & Young gaat het wellicht over de boom en bustperiode hebben in de vastgoedsector. Of is het toch een voorafspiegeling dat de krantensector in een zwart gat dreigt te eindigen?

 


 

Reacties

Thierry Debels zei op 3 juni 2009 om 10:38

Negen vrijgestelde onderzoeksjournalisten op een redactie - daar kunnen we hier enkel van dromen.

De reacties op dit bericht zijn afgesloten.



Beursblogs