Het zijn spannende tijden op de financiële markten. Twee maand geleden moest de Duitse regering een deal forceren om IKB Bank te redden. Deze week was het de Britse minister van financiën die een overheidsgarantie voor de deposito’s van de hypotheekbank Northern Rock afkondigde, om het leegbloeden van de bank te stoppen. De financiële sector zit momenteel in het oog van de storm.
Nochtans was dit helemaal niet wat pakweg een jaar geleden werd verwacht. Toen was het mantra dat de ontwikkeling van nieuwe financiële technieken er precies voor had gezorgd dat het risico werd verdeeld over een groter aantal marktpartijen. Dat moest per definitie het risico van financiële ongelukken verminderen.
Het probleem is dat gaandeweg gezondigd werd tegen een principe dat door Nobelprijswinnaar Paul Samuelson in 1963 werd omschreven als “the fallacy of large numbers”. Hierin argumenteert Samuelson dat men risico kan verminderen door het op te delen in kleinere stukken.
Wanneer men echter vervolgens beslist om tien maal meer risico te nemen, kan men nog bezwaarlijk van risico-reductie spreken. En dat is min of meer wat er gebeurd is. Zo werden in de VS hypotheekleningen van weinig kredietwaardige gezinnen herverpakt en op de markt doorverkocht.
De risicospreiding en de lage risicopremies zetten nogal wat financiële partijen ertoe aan om deze activiteit snel te laten groeien (bovendien waren de banken minder kieskeurig bij het verstrekken van leningen, omdat ze deze toch onmiddellijk doorverkochten). Zo is de financiële wereld in de paradoxale situatie terechtgekomen dat het herverdelen van risico een excuus werd om het totale risico in het systeem fors op te drijven.
Een tweede probleem waar te weinig rekening werd mee gehouden, is dat financiële markttheorieën altijd uitgaan van een efficiënt werkende liquide markt. M.a.w. zelfs de meest gesofisticeerde marktmodellen zijn meestal gebaseerd op premissen die in de werkelijkheid misschien niet altijd standhouden. Dat moest ook Nobelprijswinnaar Myron Scholes in 1998 ondervinden, toen zijn hefboomfonds LTCM kopje onder ging.
Hier was het probleem dat er plotseling geen markt meer was voor sommige activa die LTCM aanhield, waardoor het fonds geen posities meer kon afbouwen aan een normale prijs. Eenzelfde probleem heeft zich nu voorgedaan. Heel wat financiële instellingen of fondsen hebben complexe afgeleide producten in portefeuille, waarvoor de markt is opgedroogd. Dat maakt het natuurlijk ook moeilijk om een juiste prijs op deze dingen te plakken. Begin augustus moest BNP Paribas drie beleggingsfondsen tijdelijk sluiten, omdat ze de activa onder beheer niet langer kon waarderen.
Kaarten op tafel!
Een derde probleem betreft het gebrek aan transparantie. Het feit dat niemand echt weet hoe wijd vertakt de kredietproblemen zijn, heeft een groot wantrouwen in de interbancaire markten doen sluipen. Daardoor ligt de interbancaire rente nu al een aantal weken fors hoger dan het tarief van de centrale bank.
Dit wantrouwen heeft al voor een eerste scalp gezorgd. Het Britse Northern Rock, dat zich voor 75% op de markt financierde, zag de kost om middelen aan te trekken plotseling zo snel stijgen dat de bank moest gered worden door de Bank of England.
Zolang er geen duidelijkheid heerst over wie de Zwarte Piet in het kaartspel heeft, zal het wantrouwen op de financiële markten niet verdwijnen. Probleem is dat er door het ontbundelen van risico nu blijkbaar meerdere Zwarte Pieten in omloop zijn. De enige oplossing, die al werd aangekaart door Deutsche Bank-voorzitter Joseph Ackermannn, is een perfecte transparantie bij de banken. M.a.w. iedereen moet zijn kaarten op tafel leggen. Alleen dan weet men waar de echte problemen zitten en kunnen de financiële markten opnieuw op een normale manier werken. Hopelijk zijn de financiële instellingen bij het publiceren van hun resultaten de komende weken dezelfde mening toegedaan.
Peter Vanden Houte - Chief Economist ING België
De Standaard Weblog om 16:52 | Link | 5 Reacties | 0 TrackBack
Het is genoegzaam bekend dat de naoorlogse babyboomers weldra met pensioen zullen gaan en dat de terugval van de geboortes vanaf het einde van de jaren zestig een slinkend draagvlak inhoudt om de pensioenen te betalen. Er is echter nog een ander probleem: we leven steeds langer. Nu kan het nogal cynisch klinken om het bereiken van een gezegende leeftijd een probleem te noemen, maar wanneer men onvoldoende bemiddeld is, kan lang leven financieel gezien inderdaad als een risico gezien worden. We gaan steeds vroeger met pensioen, terwijl de levensverwachting alsmaar toeneemt. Bovendien toont recent onderzoek aan dat de stijging van de levensverwachting zelfs versnelt. Het is best mogelijk dat binnen 25 jaar een zestiger, op dat ogenblik nog minstens 30 bijkomende levensjaren mag verwachten. Dit gegeven doet wenkbrauwen fronsen bij al wie enigszins betrokken is bij pensioenvoorziening, zowel wat het wettelijk als wat het bijkomende pensioen betreft.
Opeethypotheken
In deze context is het begrijpelijk dat in de financiële sector naarstig gezocht wordt naar manieren om deze risico’s te beheersen. Neem nu bv. een verzekeringsmaatschappij die de verzekerde een jaarlijkse rente garandeert voor de rest van zijn gepensioneerd leven. Als zou blijken dat de verzekerden in dit schema steeds langer leven, dan loopt de maatschappij een belangrijk financieel risico. Om dit te vermijden kan men de premies voor dergelijk verzekering uiteraard fors optrekken, maar dat zou dan weer het product onaantrekkelijk kunnen maken. Er bestaat echter al een financieel product dat toelaat dit risico min of meer in te dekken, namelijk de 'mortality bonds', of letterlijk 'sterfte-obligaties'. De EIB speelde in 2004 met de idee om dergelijke obligatie op de markt te brengen. Het principe is eenvoudig. Hoe langer een vooraf bepaalde referentiegroep leeft, hoe hoger de coupon blijft over de looptijd van de obligatie. Als tijdens de looptijd van de obligatie de volledige referentiegroep is overleden, valt de coupon of de restwaarde naar een minimum terug. Dit is echt de perfecte indekking voor een verzekeringsmaatschappij, in zoverre het profiel van de verzekerden aanleunt bij de gebruikte referentiegroep in de obligatie.
Maar ook voor het individu dat geconfronteerd wordt met het 'risico' van lang leven, komen er geleidelijk aan nieuwe producten op de markt. Het basisprincipe blijft natuurlijk dat men tijdens de actieve loopbaan een voldoende spaarpot opbouwt om van een zorgeloze oude dag te kunnen genieten. Maar daarnaast werden ook producten ontwikkeld, waardoor men minder liquide activa op het juiste moment ten kan gelde maken. Zo bestaat in verschillende landen reeds het systeem van 'reversed mortgages' of opeethypotheken. Dit laat gepensioneerde huiseigenaars toe hun huis geleidelijk te verkopen en er intussen toch blijven in wonen.
Magere Hein
In de VS zijn er nu ook beleggingsfondsen die de levensverzekering van oudere mensen afkopen. De verkoper incasseert onmiddellijk een deel van het geld dat de verzekeringsmaatschappij normaal pas bij overlijden zou uitbetalen. Dat geeft hem de cash op het ogenblik dat hij het echt nodig heeft. Het beleggingsfonds blijft de verzekeringspremies betalen, maar strijkt bij de dood van de verkoper het totale verzekerde bedrag op. Vaak worden dergelijke contracten gebundeld in een soort van obligatie, welke het koosnaampje 'death bonds' of 'doodsobligaties' meekregen en waarvan de return afhangt van de snelheid waarmee de verkopers van de levensverzekering de pijp aan Maarten geven. Magere Hein heeft dus wel echt zijn intrede gedaan op de financiële markten. Het kan allemaal wat luguber klinken, maar financiële innovatie kan het kostenplaatje van lang leven dragelijker maken. Kortom, nieuwe ontwikkelingen op de financiële markten moeten toelaten om de oude dag onbezorgd tegemoet te zien, waardoor het verjaardagslied 'Lang zal hij leven' van een cynische ondertoon bespaard blijft.
Peter Vanden Houte Chief Economist ING België
De Standaard Weblog om 12:04 | Link | 0 Reacties | 0 TrackBack
Overheidsobligaties met een hoog rendement, het lijkt wel een contradictio in terminis in de huidige periode van lage rentevoeten. Nochtans is er een obligatiesegment dat volgens ons nog steeds potentieel biedt: De obligaties uit de opkomende landen.
Een aantal structurele argumenten pleiten in hun voordeel. Vooreerst hebben vele groeilanden een forse verbetering gekend van hun lopende rekening. Dit is te danken aan de stijging van de industriële grondstofprijzen en de olieprijs. Een tweede element dat meespeelt, is de daling van de schuldgraad. Deze is de voorbije 10 jaar gehalveerd tot 20 à 30% van het bruto binnenlands product, een schuldgraad waaraan heel wat Eurolanden een puntje kunnen zuigen.
Tot slot is er de stijging van de deviezenreserves, een fenomeen dat we vooral zien in Azië (met China op kop) en Rusland. Dit alles leidt ertoe dat de gemiddelde kredietkwaliteit naar boven herzien wordt. We zien steeds meer en meer groeilanden die een goede kwaliteitsrating meekrijgen. Hierdoor vergroot eveneens het aantal beleggers dat tot deze activaklasse toegang heeft. Immers in sommige gevallen mogen pensioenfondsen niet investeren in obligaties die een te lage kredietkwaliteit hebben.
Naast bovenvermelde structurele factoren spelen er ook technische factoren mee. Beleggers zijn immers nog altijd op zoek naar vastrentende beleggingen die een hoger rendement opleveren dan de traditionele overheidsobligaties. Aan de andere kant merken we dat door hun verbeterde overheidsfinanciën minder obligaties worden uitgegeven door de groeilanden. Integendeel, tal van deze landen zijn immers overgegaan tot het inkopen van hun buitenlandse schuld.
Ter illustratie, de som van de herinvesteringen van de coupons die dit jaar uitbetaald worden plus de leningen die op vervaldag komen, is zowat 14 miljard dollar hoger dan de uitgifte aan nieuwe leningen. Dit betekent dat het renteverschil met overheidsobligaties dat op historisch lage niveaus staat (ongeveer 1,6% bovenop de rente op Amerikaans overheidspapier) structureel laag zal blijven.
Een laatste argument vormt het diversifiërend karakter van hoogrentende obligaties. Een belegger kan door toevoeging van obligaties uit de groeilanden het risico van zijn portefeuille verlagen zonder dat hij aan return inboet. Enkel met hoogrentende bedrijfsobligaties is het diversifiërende karakter beperkt.
De belegger die daarenboven wil profiteren van de verwachte koersstijging van de munten van de groeilanden kan kiezen voor obligaties uitgedrukt in lokale munt. Vooral Latijns-Amerikaanse obligaties bieden de beste vooruitzichten.
Dit wil niet zeggen dat er helemaal geen risico’s verbonden zijn aan deze obligaties. Vooreerst is er de gevoeligheid aan een toename van de risicoaversie bij de beleggers. Recente marktcorrecties leren ons dat in periodes van verhoogde volatiliteit de renteverschillen plots sterk kunnen toenemen. Dit vormen volgens ons ideale instapmomenten.
Vervolgens bestaat er ook een politiek risico. Dit jaar zijn er belangrijke verkiezingen in onder andere Turkije, Rusland, de Filippijnen en Thailand. Dit zou ook tijdelijk een verhoogde volatiliteit op de markten kunnen veroorzaken. Tot slot zou een sterke terugval van de wereldgroei de renteverschillen de hoogte kunnen induwen. Dit is echter niet het economische scenario dat ING Investment Management vandaag aanhoudt. Wij blijven bijgevolg positief voor deze obligaties.
Patrick Moonen, hoofd asset allocation, ING Investment Management
De Standaard Weblog om 17:27 | Link | 4 Reacties | 0 TrackBack
Vrouwen en beleggen. In de ogen van de heel wat mannen is dat nog altijd een combinatie die vergelijkbaar is met vrouwenvoetbal: van een lager niveau, waarvoor nauwelijks een publiek bestaat. Uit de maandelijkse ING beleggersenquête blijkt dat in de meeste huishoudens het de man is die de beleggingsportefeuille beheert. En ook de beleggingsdepartementen van de meeste financiële instellingen worden gekenmerkt door een hoog testosterongehalte. Recentelijk kwam echter een Amerikaanse fund manager op de proppen met een beleggingsfonds dat enkel in door vrouwen beheerde fondsen belegt.
Misplaatst feminisme of een reclamestunt? Nee, pure beleggingslogica. De CEO van deze fondsenmanager is er immers van overtuigd dat vrouwen voor betere beleggingsresultaten zorgen. Dat is trouwens gebleken uit verschillende onderzoeken. En niettegenstaande dit feit wordt hen minder kapitaal toevertrouwd dan aan hun mannelijke collega’s. Dat biedt dus opportuniteiten voor de slimme belegger.
Nu is het best mogelijk dat de superieure prestaties van de vrouwen in de beleggingswereld te verklaren zijn, doordat enkel de besten het kunnen waarmaken in het door mannen gedomineerde wereldje. Ze moeten zich met andere woorden dubbel en dik bewijzen vooraleer ze dezelfde kansen krijgen als hun mannelijke evenknieën. Dat zou impliceren dat het optrekken van de proportie vrouwelijke beheerders in de beleggingswereld onmiddellijk ook hun gemiddeld betere prestaties zou doen verdwijnen.
Jongens blijven jongens
Toch blijkt uit academisch onderzoek dat het sekseverschil een verklarende factor kan zijn voor relatief succes in beleggingen. En dat heeft dan weer te maken met het feit dat vrouwen merkwaardig genoeg eerder “als een goede huisvader” beleggen dan mannen. In een bekend artikel “Boys will be boys: gender, overconfidence and common stock investment”, leggen de Amerikaanse onderzoekers Barber en Odean een aantal redenen bloot waarom dit zo is. Om te beginnen blijken mannen zeer snel van zichzelf te vinden dat ze in iets een expert zijn, waardoor ze meer risico’s zullen nemen. Ze weten het toch allemaal zoveel beter. Vrouwen zijn daarentegen voorzichtiger en beleggen minder in zaken, waar ze niet 100% zeker van zijn. Ook blijkt dat mannen een pak meer transacties doen dan vrouwen. Het geeft blijkbaar een kick om te “traden”. Gezien transacties geld kosten, gaat dat automatische ten koste van de beleggingsprestaties van de mannen. Dus zelfs wanneer de succesratio in het selecteren van de goede bedrijven van mannen en vrouwen vergelijkbaar zou zijn, moeten mannen qua prestaties het onderspit delven omdat ze meer aan transactiekosten verliezen.
Allemaal leuke weetjes natuurlijk, maar daaruit besluiten dat men maar beter al zijn geld aan vrouwelijke beleggingsspecialisten moet toevertrouwen, zou dan weer een brug te ver zijn. Zoals altijd bij beleggen, blijft ook hier diversificatie de boodschap. Een andere onderzoek van de Stanford University heeft dan weer uitgewezen dat topbeleggers functionele psychopaten zijn: ze voelen geen emoties en maken enkel ijskoude beslissingen. Moeten we daaruit besluiten dat een vrouwelijke psychopaat de gedroomde belegger is?
Kortom, de lange vlakke rit op de financiële markten heeft heel wat beleggers in slaap gewiegd. Als daar maar geen ongelukken van komen.
Peter Vanden Houte - Chief Economist ING België
De Standaard Weblog om 10:02 | Link | 0 Reacties | 0 TrackBack
De correctie op de financiële markten die zich vorige week inzette, heeft vele beleggers opnieuw met beide voeten op de grond gezet. De risicovollere beurzen van de groeilanden werden het sterkst getroffen. Dit hoeft niet te verbazen gegeven hun hoge relatieve waardering (duurder dan de Europese markt). Daarnaast stellen we eveneens een stijging van de spread op hoogrentende obligaties vast. De overheidsobligaties speelden volop hun rol van veilge haven. Tegelijkertijd stegen de Japanse Yen en de Zwitserse frank, een teken dat de veelbesproken carry trades waarbij goedkoop geleend wordt in Yen/CHF en geïnvesteerd in hoger renderende munten, opdrogen.
Een echte verklaring voor deze daling bestaat niet. De katalysator vormde de correctie met bijna 9% op de Chinese beurs. Deze moet echter gerelativeerd worden in het licht van de enorme stijging die deze markt de voorbije maanden gekend heeft en waarvan de waardering was opgelopen tot irrealistische niveau’s. Daarnaast zijn er de verhoogde spanningen met Iran, problemen op de Amerikaanse markt voor minder goede hypotheken en een waarschuwende redevoering van ex-Fed voorzitter Greenspan. Op economisch vlak wisselen beter dan verwachte en slechter dan verwachte indicatoren elkaar af. Deze zijn echter niet van die aard om van ons centrale soft landing scenario af te stappen. De bedrijfswinsten zijn goed en de waarderingen op de markt zijn zeker niet duur. Ze houden reeds rekening met een lagere winstgroei (5 à 6%) in 2007. Ook de fusie- en overnamegolf vormt een belangrijke steun voor de financiële markten.
Wel willen we onze defensieve sector- en regionale strategie nogmaals benadrukken. Sectorieel geven we de vookeur aan de voedings-, dranken- en distributiesector, de telecomsector, de pharmasector en de sector van de nutsbedrijven. We zijn voorzichtig voor de cyclische sectoren en de vastgoedsector. Regionaal is onze keuze voor de Amerikaanse aandelenmarkt ingegeven vanuit een defensieve houding. Ook Japan overwegen we in de portefeuilles en dit omwille van de verbetering van de fundamentals. Op korte termijn zou er wel wat zwakte kunnen optreden en dan vooral bij de sterk exportgerichte bedrijven, als gevolg van de appreciatie van de Yen. Groeilanden zijn daarentegen risicovol en worden afgebouwd in de portefeuilles. Daarenboven blijven we de voorkeur geven aan bedrijven met een hoog, stabiel dividend. Tot slot zijn het vooral de grote marktkapitalisaties die in een moeilijker marktomgeving beter standhouden.
Patrick Moonen, hoofd asset allocation, ING Investment Management
De Standaard Weblog om 12:04 | Link | 0 Reacties | 0 TrackBack
Wat hebben een autoweg, hefbomen en Japanners met elkaar gemeen? Op het eerste gezicht niet zoveel, tenzij men aan Japanse tolwegen zou denken. De link tussen dit alles is echter volatiliteit of beter gezegd, het gebrek aan volatiliteit op de financiële markten.
Tijdens periodes van economische stabiliteit gedragen financiële markten zich als chauffeurs op een lange rechte autoweg: ze gaan steeds harder rijden en onbewust meer risico’s nemen. Een plotselinge bocht kan in die omstandigheden voor heel wat ravage zorgen. De Amerikaanse econoom Hyman Minsky had daar zelf een theorie over: de financiële instabiliteitshypothese. Kort samengevat zegt Minsky dat naarmate de economische expansie vordert bedrijven zich steeds speculatiever gaan financieren. Naarmate het hefboom effect toeneemt, neemt de volatiliteit van de resultaten potentieel toe, wat op zijn beurt zou moeten resulteren in een grotere volatiliteit op de financiële markten.
Op dit ogenblik kan men nog niet zeggen dat bedrijven zich al overmatig in de schulden hebben gestoken. Heel wat ondernemingen schijnen nog eerder een teveel aan cash te hebben. Maar daaruit afleiden dat er op dit ogenblik weinig hefboom in het financieel systeem zit, zou dan weer een stap te ver gaan. Vooreerst zorgt de uit de pan swingende fusie- en overname activiteit voor een snel opdrogen van de overtollige cash. Daarnaast zou het verbazingwekkend zijn indien de explosieve groei van de "hedge fund"- industrie geen hefboomeffect impliceert.
Het blijkt inderdaad te kloppen dat de volaliteit op de financiële markten in de eerste fase van de expansie afneemt om in de tweede fase dan weer toe te nemen. Tussen 2002 en 2006 hebben we een systematische daling van de volatiliteit gekend, net zoals we tussen 1991 en 1995 een afname van de impliciete volatiliteit hebben gezien (zie grafiek). Maar de voorzichtige belegger weze gewaarschuwd: vanaf 1996 begon de volatiliteit op de financiële markten geleidelijk aan toe te nemen.

Kortom, de lange vlakke rit op de financiële markten heeft heel wat beleggers in slaap gewiegd. Als daar maar geen ongelukken van komen.
Peter Vanden Houte - Chief Economist ING België
De Standaard Weblog om 10:47 | Link | 0 Reacties | 0 TrackBack
Economie is een wetenschap die zich o.a. bezighoudt met de allocatie van de schaarse middelen om het grootst mogelijke nut te bekomen. In mensentaal: waar kunnen we ons beperkt budget het best aan besteden? Dat de economische wetenschap toch niet totaal nutteloos is, wordt door heel wat recente voorbeelden gestaafd. De verlangens van de gemiddelde mens kennen meestal geen limieten, terwijl de beschikbare middelen daarentegen al even vaak beperkt zijn.
Schrijnend in dat verband is de recente vaststelling dat in Vlaanderen meer en meer mensen beroep moeten doen op de schuldbemiddeling bij het OCMW. Het gaat hier niet alleen om steuntrekkers, maar dikwijls ook om gezinnen met twee inkomens, die op te grote voet leven en daardoor zwaar in de schulden geraken.
Maar ook politici hebben vaak moeite met het feit dat de middelen beperkt zijn, terwijl de noden nauwelijks grenzen kennen. In een debat aan de vooravond van zijn eerste termijn als Frans president, parafraseerde Jacques Chirac kardinaal Richelieu op volgende wijze: La politique n'est pas l'art du possible mais de rendre possible ce qui est nécessaire”.
Dat geeft aan de politiek natuurlijk de aura dat met een vingerknip het manna kan gecreëerd worden om alle noden te lenigen. Het is immers heel moeilijk om aan de kiezer te verkopen dat bepaalde opties impliceren dat er geen middelen overblijven om andere even noodzakelijke doelen te behartigen.
Beste koop
In België is de kogel intussen door de kerk: op 10 juni vinden parlementsverkiezingen plaats. In de aanloop naar deze verkiezingen dit jaar, zullen de partijprogramma’s weer bol staan van een heleboel mooie intenties en plannen. En het lijdt geen twijfel dat de politici dit ook werkelijk menen en willen realiseren. De kiezer heeft echter geen enkel zicht op de haalbaarheid van de voorgestelde programma’s. Er is immers geen enkele instantie die de politieke partijen confronteert met de realiteitswaarde van hun programma’s.
Is er wel geld genoeg om dit allemaal te verwezenlijken? Een paar jaar geleden organiseerde de Vlaamse openbare omroep een elektronisch stemadvies. Men kon op een twintigtal punten zijn voorkeuren kenbaar maken en op basis daarvan gaf het programma de partij weer wiens partijprogramma het best aan de voorkeuren beantwoordde. Een kleine partij kwam verbazend als “beste koop” uit dit stemadvies om de eenvoudige reden dat zij voor alles waren. Als men lagere belastingen, hogere uitkeringen, meer subsidies, meer terugbetaling in de ziekteverzekering e.d.m. belooft, is men uiteraard iedereens vriend.
Screenen verkiezingsprogramma’s
Politici ontwijken zoveel mogelijk vragen waarbij keuzes moeten gemaakt worden. “Vindt u het belangrijker om negentigjarigen een nieuwe kunstheup te bezorgen als daardoor minder geld overblijft om kinderen met leukemie te behandelen?” Dit zijn ongemakkelijke vragen, maar vroeg of laat moeten ze gesteld worden. In Nederland heeft men het goede idee gehad om de verkiezingsprogramma’s door een onafhankelijke instantie te laten screenen, namelijk het Centraal Planbureau. De analisten van deze instelling moeten een inschatting maken van de economische effecten en de kosten van de verschillende partijprogramma’s.
Hoewel men uiteraard kan discussiëren over de betrouwbaarheid van deze ramingen, geeft het alvast een referentiekader waarbinnen het debat kan plaatsvinden en behoedt het de partijen voor Sinterklaasgedrag. Of er in België een instelling in staat is om dit op een onafhankelijke manier te doen, blijft uiteraard een heikel punt. Het screenen van de politieke programma’s op economische haalbaarheid, zou alvast de keuze duidelijker maken voor het kiespubliek en –wie weet? – de geloofwaardigheid van de politiek verhogen.
Peter Vanden Houte - Chief Economist ING België
De Standaard Weblog om 18:44 | Link | 0 Reacties | 0 TrackBack
Op zowat alle voorbije nieuwjaarsrecepties werd ons steevast een goed beursjaar toegewenst. Zullen deze wensen ook werkelijkheid worden of zal 2007 een einde maken aan de reeks van positieve beursjaren sinds 2003? Ziehier onze uitgangspunten.
De Amerikaanse economie stevent af op een zachte landing. Hierbij blijft de jaarlijkse groei boven de 2%. In de tweede jaarhelft zal de economische groei opnieuw aantrekken. De Europese centrale bank zal de korte termijnrente verder optrekken tot 4% eind 2007. De Amerikaanse centrale bank verlaagt de rente licht in de eerste helft van 2007 om deze daarna stabiel te houden. Ook Japan verhoogt de rente.
De volatiliteit zal stijgen in het licht van de grotere economische onzekerheid en de wereldwijde monetaire verstrakking.
We zien een einde komen aan de grondstoffenhausse als gevolg van de groeivertraging en een evenwichtigere vraag/aanbodverhouding.
De groei van de bedrijfswinsten zal wereldwijd vertragen tot 6 à 7%. Deze vertraging is echter al grotendeels verrekend in de waardering van de aandelenmarkten. Immers de historische koers/winstverhouding in zowel Europa als de VS bevindt zich op het laagste niveau sinds het begin van de jaren negentig.
Aandelen zullen het in bovenstaand scenario beter doen dan obligaties. Onze voorkeurregio is Noord-Amerika. De Amerikaanse beurs is de voorbije jaren sterk achtergebleven op de Europese beurs en het is een markt die in periodes dat het economisch wat moeilijker gaat en de risicobereidheid afneemt beter stand houdt. De daling van de dollar verhoogt daarenboven de competitiviteit van Amerikaanse bedrijven.
Ook voor de Japanse beurs zijn we gematigd positief. De fundamentals voor de Japanse economie blijven gunstig zij het dat de evolutie wat trager verloopt dan oorspronkelijk geschat.
De aandelen uit de groeilanden verdienen zeker een plaats in een gediversifieerde portefeuille maar voorzichtigheid blijft toch geboden. Een toename van de risicoaversie gekoppeld aan lagere grondstofprijzen kan deze markten hard treffen. Daarenboven is de waardering van de groeilanden hoger dan deze van Europa. Onze voorkeurregio blijft Latijns-Amerika en meer bepaald Brazilië.
Patrick Moonen, hoofd asset allocation, ING Investment Management
De Standaard Weblog om 09:13 | Link | 0 Reacties | 0 TrackBack
De aandelenmarkten hebben de laatste jaren goed geboerd, zoveel is duidelijk… En nochtans blijken de waarderingsniveaus niet echt overdreven. Wat kan de uitleg hiervoor zijn?...Nochtans was de economische groei niet zo indrukwekkend.
De voornaamste reden voor deze prestatie was de forse winstgroei die voornamelijk voortvloeide uit een forse verbetering van de winstmarges. Inderdaad, de gemiddelde operationele winstmarge die werd opgetekend bij de Europese industriële waarden steeg van 7.3% in 1991 tot 10.1% in het jaar 2000 en zou op een geschatte recordhoogte van 12.4% moeten afklokken eind 2006.
Indrukwekkend… Hoezo? Synergievoordelen, voortvloeiend uit de vorige fusie en acquisitiegolf in het jaar 1999-2000 en outsourcing naar landen met een lagere productiekost zullen zeker een groot deel van deze progressie uitleggen. Maar de grootste factor achter deze verbetering was een verbetering vanuit de vraagzijde. Zelfs met de forse stijging van de grondstofprijzen (koper, zink, olie,…) was de vraag zodanig groot dat de bedrijven deze prijsstijgingen, en zelfs meer, hebben kunnen doorrekenen aan hun klanten, met een margeverbetering tot gevolg.
Kan deze situatie blijven voortduren in 2007? Indien we kijken naar de recente economische geschiedenis is de kans groot dat we deze vraag negatief moeten beantwoorden.

Wanneer we naar bovenstaande grafiek kijken zien we de evolutie van het BBP in vescheidene economische zones sinds 1980. We nemen gemakkelijk de periodes van vertragende economische groei waar. Met vertragende economische groei bedoelen we hier niet de periodes van negatieve groei, een synoniem voor recessie.
In de hieronderstaande grafiek kijken we naar de evolutie van de winstmarges tussen 1980 en 2006 voor twee indexen, de S&P500 voor de Verenigde Staten en de DJ Stoxx600 voor Europa. We hebben de periodes van vertagende economische groei omkaderd en zonder verrassing merken we een daling van de winstmarges op.

Wanneer men weet dat vele economisten en beheerders zich in 2007 in grote mate verwachten aan een vertraging van de economische groei in Europa en de VS, zou men kunnen denken dat de verwachte winstmarges in de analystenconsensus lager zouden zijn. Niets is minder waar!!! “This time it’s different!...”. De analystenconsensus gaat uit van winstmarges van 12.4% in 2006, van 12.6% in 2007 en van 13.5% in 2008.
Hopelijk herhaalt de economische geschiedenis zich niet, want het ontwaken van sommige beleggers zou wel eens onaangenaam kunnen zijn.
Ludovic Vandermeulen, Equity Investment Manager / Basic Industries, ING België
De Standaard Weblog om 17:16 | Link | 0 Reacties | 0 TrackBack
Naar aanleiding van de recente sterke koersstijging van het aandeel van IBA (Ion Beam Applications) menen we dat het interessant kan zijn om een stand van zaken te geven over de vermoedelijk belangrijkste drijfveer achter deze stijging: de activiteiten binnen het domein van de protontherapie (PT). PT is een deeltjestherapie die gebruik maakt van de fysische kenmerken van een proton waarvan de snelheid wordt opgevoerd tot bijna 200.000 km per uur. Van PT wordt momenteel aangenomen dat het een van de therapieën is waarmee via een externe bundeltechniek de dosis zo nauwkeurig mogelijk gericht kan worden.
Het precies toedienen van de optimale bestralingsdosis voor de tumor, en een kleinere beschadiging van de gezonde omliggende cellen zijn de belangrijkste voordelen van protontherapie. PT wordt in het bijzonder aanbevolen bij kankers bij kinderen, en bij tumoren op plaatsen met een hoog risico, zoals de hersenen of de ogen. Een protontherapiecentrum heeft meestal een deeltjesversneller (een cyclotron of synchrotron) en tot vijf behandelingskamers. Een volledig uitgerust protontherapiecentrum kost tussen 50 en 100 miljoen euro, al naargelang het aantal behandelingskamers. De helft van dit bedrag gaat naar de PT-uitrusting, de andere helft naar het gebouw, de grond en de hulpapparatuur.
We geloven in een enorm marktpotentieel voor PT en gaan er van uit dat er wereldwijd plaats is voor 100 PT-centra. IBA heeft in deze opkomende markt een aandeel van meer dan 50%: het Waalse bedrijf levert de uitrusting voor elf van de twintig verkochte klinische PT-centra. IBA is bovendien de enige fabrikant die sinds 2002 bestellingen mocht optekenen. 2006 was een uitzonderlijk jaar voor de protontherapie en voor IBA: het bedrijf ontving een bestelling voor drie PT-centra en tekende een intentiebrief voor de levering van een PT-centrum van 50 miljoen euro aan de Hampton Universiteit in Virginia.
Deze uitstekende prestaties en vooruitzichten moeten echter worden afgezet tegen de problemen die ziekenhuizen ondervinden voor de financiering van een PT-centrum en de tijd die nodig is om tot een uiteindelijke overeenkomst te komen. Verder ondervindt IBA ook een sterke concurrentie, onder meer van Siemens en Hitachi, die een veel grotere financiële slagkracht hebben.
Rodolphe Blondiau, financieel analist ING Equity Market
De Standaard Weblog om 10:11 | Link | 0 Reacties | 0 TrackBack