hugs en tranen

We zijn wakker geworden in een andere wereld. Veel hugs, veel tranen ook, en niet alleen bij de zwarte collega’s op het werk. Op weg naar de universiteit passeer ik een blank en zwart meisje—ik schat ze zo’n 10 jaar oud—die hand in hand naar school lopen, alleen, zonder een volwassene in de buurt, en kennelijk ook zonder de bedoeling demonstratief te zijn, want ze lijken geen oog te hebben voor hun omgeving. Maar naast het besef dat we een historische gebeurtenis meemaken is er een ander gevoelen dat ons bijna evenveel voldoening geeft: eindelijk een verstandige man in het Witte Huis, iemand die de complexiteit van de wereld niet schuwt maar haar juist incarneert. Euforie, jazeker. Ik heb echter niet de indruk dat we hier allemaal staan te dromen. Uiteraard zal Obama niet alle problemen oplossen die 8 jaar Bush ons heeft nagelaten. Hij zei het gisteravond: nu hebben we alleen weer een kans.

Eerst wel proberen wat slaap in te halen.


 

nagelbijten

Ik ben net gaan stemmen, een van mijn privileges als genaturaliseerde Amerikaan. Voor het overgrote deel van de mensen is dit een werkdag en genoeg tijd vrijmaken om in de rij te staan en te stemmen vormt vaak een probleem, maar bij mij vlot het. Wat aanschuiven, een babbel slaan met de mensen die buiten het stemlokaal de laatste aanmoedigingen geven—veel Obamaborden, enkele mannen klemmen McCain-Palin signs vast (kijken ze zuur of beeld ik me dat in?)—en dan ben ik binnen. De sfeer is relaxed. Anders dan in België, waar de bureaus manu militari moeten worden bemand, is de procedure grotendeels in handen van vrijwilligers, vrijwel allemaal dames “op leeftijd”, gewapend met grote koffiethermossen en koekjes. Aan de tafel zit de gemeentelijke bibliothecaresse die me herkent en een kruisje bij mijn naam zet. “Walter Simons, Elm Street”, roept ze luidop, waarop achter haar mensen druk met papier schuifelen: dat zijn advocaten van beide partijen die hun lijsten nakijken om te checken of ik inderdaad als kiezer ben ingeschreven. Geen flauwekul met identiteitspapieren echter in deze landelijke gemeente waar iedereen iedereen kent. Geen stemmachines: gewoon papier en potlood. Ik trek me terug achter een rood-blauw-wit gordijntje, maak een vet zwart bolletje achter de naam Obama, grijns even bij die gedachte, en werk me dan door de lijst van volksvertegenwoordigers en plaatselijke functionarissen (sheriff, schatbewaarder, enz.), geef mijn biljet af, en wens de dames nog veel geluk. Ik heb de klus op minder dan een uur geklaard.

De spanning is niettemin te snijden. Toen ik deze morgen tijdens mijn les door het auditorium wandelde zag ik een student op zijn laptop de “FiveThirtyEight” site nakijken voor de laatste peilingen. Een mens moet zijn prioriteiten kennen. Inmiddels weet U misschien al dat het kleine dorpje Dixville Notch, een tweetal uur rijden van hier, naar traditie vannacht heeft gestemd. De uitslag: Obama 15, McCain 6. Natuurlijk is het grotendeels folklore, maar ik ken de streek daar in het noorden van New Hampshire vrij goed: de ratio geweren tot jobs is zowat 10 tegen 1, en de republikeinse kandidaat wint er normaal gemakkelijk. In deze sombere tijden verklaart dezelfde wapens/job ratio wellicht ook waarom het nu anders gaat. Voor het eerst begin ik te geloven dat Obama een echte kans maakt om ook nationaal te winnen.

Toch: nagelbijten tot diep in de nacht?


 

Het s-woord


Ik lees, natuurlijk in De Standaard, dat het niet zo best gaat met de Vlaamse socialisten. 14% van de kiesintenties, dat is het zowat? Inderdaad, de SP “anders”. Maar niet getreurd, kameraden, de redding is nabij, en ze komt...uit de VS! Tenminste, als we de republikeinen mogen geloven. Toen het eerste Paulson-plan voor van de financiële sector door het Congres werd besproken, op 26 september, veroordeelde de Texaan Jeb Hensarling het plan as “the slippery slope to socialism”. Jim Bunning van Kentucky noemde het “financial socialism” en “un-American”. Louie Gohmert, ook al uit Texas, lachte met het Witte Huis: “Ze geloven dat socialisme in een crisis werkt!”.

Twee weken later doemt hetzelfde spookbeeld weer op, maar nu komt het gevaar niet van het Witte Huis maar van Barack Obama. Dat komt door die fameuze ontmoeting tussen Obama en Joe de loodgieter, in Ohio. Zoals bekend vroeg Joe of Obama’s programma zijn belastingen niet naar omhoog zouden doen gaan, nu Joe een zaak ging overnemen die hem meer dan 250.000 dollar per jaar zou opleveren. Hier bleek opnieuw dat Obama geen beroepspoliticus is. Een echte pro zou Joe joviaal een klopje op de schouder hebben gegeven met de woorden “Maar nee, helemaal niet,” en zich dan gespoed hebben om de volgende baby te kussen, maar Obama, met zijn typisch, naïeve geloof in de fundamentele redelijkheid van zijn blanke medemens, begon hem uit te leggen dat als de rijken meer belastingen betalen, de “welvaart wat meer zou worden gespreid en dat was goed voor iedereen”. “Socialisme”, zei Joe. “Socialisme”, zegt McCain. Palin gebruikt nu ook om de haverklap het s-woord. Vanmorgen sla ik de plaatselijke krant open (de “Valley News”, een juweel alleen verkrijgbaar in het noorden van de Connecticut vallei) en lees ik een grote kop: “Horn (de lokale republikeinse kandidaat voor het Huis) waarschuwt voor socialisme”. En dat omdat Obama de aanslagvoet voor inkomens boven de 250.000 dollar van 36 naar 39% wil brengen. Voorwaar een revolutie.

Het is voor Europeanen wellicht moeilijk te begrijpen, maar zoals Clara Van Gerven en Matthieu Deflem hebben opgemerkt, in de VS bestaat er geen erger scheldwoord dan socialist. Of ja, die bestaan, maar ze waren al opgebruikt. In “robo calls”, geautomatiseerde telefoontjes, kregen we al te horen dat Obama een “terroristenvriendje” is, een “moslim”, een “Arabier”, een “kindermoordenaar” . Nu dus ook een socialist. (Overigens: het hoofd van de republikeinse partij in New Hampshire heeft de McCain campagne gevraagd die calls te stoppen en ik denk dat dit ook is gebeurd, tenminste voorlopig).

De kracht van het woord heeft een verleden. Aan het einde van de 19de en in het begin van de 20ste eeuw was socialisme wel degelijk een sterke stroming in het Amerikaanse politieke en sociale leven, soms zelfs redelijk radicaal, maar de koude oorlog maakte daar een einde aan. De voortdurende, gewilde verwarring tussen socialisme en communisme zorgt ervoor dat de term niet alleen weerzin, maar vooral angst oproept, en daar is het natuurlijk om te doen. Daarom past het s-woord zo goed in de republikeinse campagne.

Werkt het? Ja, bij een klein deel van de bevolking dat onwetend is over wat er in de rest van de wereld gebeurt. Vorig jaar werd een voorstel ingediend bij het staatsparlement van New Hampshire om openbaar kleuteronderwijs op te zetten. Dat bestaat immers niet—er zijn hier en daar privéschooltjes, en sommige gemeenten hebben publiek onderwijs voor kinderen van vijf jaar, maar meer is er niet. Dat uitbreiden lokte echter protest uit want het was, jawel, socialisme. De Valley News kreeg brieven van lezers die het een complot van communisten noemden om de familie te ondermijnen en kinderen een hersenspoeling te geven.

Ik twijfel echter of het de republikeinen in deze verkiezing veel zal opleveren, want een ander deel van de mensen vindt het geen gek idee de rijkeren wat meer te laten betalen. En dat brengt ons terug bij Vlaanderen. Misschien kan McCain het bewijs vinden dat Obama wel degelijk door socialisten is geïnspireerd? Wie blogde er immers twee maanden geleden voor De Standaard vanuit de democratische conventie in Denver? Caroline Gennez! Zou zij dat programma niet in Obama’s oor hebben gefluisterd? Als McCain dat te weten komt speelt ze weldra nog, à la Joe the Plumber, een rol in de Amerikaanse campagne.


 

emoties

Ik woon in New Hampshire, een van die fameuze “swing states”. In 2004 won John Kerry hier met nauwelijks 1% verschil; in 2000 won Bush, en in vrijwel alle presidentiele verkiezingen vóór Clinton haalde de republikeinse kandidaat het met gemak. Het motto van New Hampshire, te lezen op elke nummerplaat, is “Live Free or Die” (vanwege de barre winters soms veranderd in “Live, Freeze, and Die”). Individuele vrijheid, spaarzaamheid en een diep wantrouwen ten overstaan van de overheid zijn traditionele deugden, wat goed aansluit bij het republikeinse gedachtegoed. De staat heeft geen inkomensbelasting (natuurlijk wel federale belasting) noch ‘sales tax” en de sociale voorzieningen die ze levert zijn dan ook minimaal. Een autogordel dragen of een valhelm is niet verplicht, ruimtelijke ordening een ontoelaatbare inbreuk op eigendomsrechten. Anderzijds ligt New Hampshire in het overwegend democratisch gezinde New England, en ook intern zorgen ingrijpende verschuivingen voor een onstabiel politiek landschap dat door de bankcrisis nog meer onvoorspelbaar is geworden.

Neem nu mijn eigen biotoop: ik doceer aan Dartmouth College, de kleinste en meest noordelijk gelegen Ivy League universiteit, d.w.z. een klein broertje van Harvard en Yale. Haar motto: “Vox clamantis in deserto”, is alweer veelzeggend. Latinisten kunnen er terecht uit afleiden dat we ons ver van de beschaafde wereld bevinden, in de bergen een goede 200 km ten noorden van Boston. De campus en de omliggende gemeenten vormen een linkse enclave. Vanuit mijn kantoor zie ik niet Rusland (zoals Sarah Palin in Alaska) maar onze buurstaat aan de overkant van de Connecticut rivier, de “volksrepubliek Vermont”, zo genoemd vanwege het hoge gehalte aan hippiecommunes en geitewollensokkendragers. Kijk ik de andere kant op, naar het oosten, dan zie ik ruige valleien met hier en daar een pittoresk, soms ook armetierig, clapboard huis of trailer, voorzien van McCain reclamepanelen en, vermoedelijk, een klein arsenaal geweren achter de deur. Meer naar het zuiden toe hebben clusters van technologie-bedrijven vele jonge, hooggeschoolde computer wizards aangetrokken die de grootsteden zijn ontvlucht om in prille gezinnen (ook met homopartners) hun kinderen in een gezond milieu groot te brengen. Dat botst natuurlijk. Zelfs op onze campus vallen contrasten op: “mijn” geschiedenisafdeling is gematigd tot gevorderd links te noemen, onze geachte collega’s politieke wetenschappen situeren zich aan de andere kant van het politieke spectrum en leunen nauw aan bij conservatieve think tanks of zelfs Bush’s eigen administratie. Ongeveer de helft van de studenten komt uit de financiële en industriële elites van New York, Los Angeles, en Boston; een kwart gaat na afstuderen meteen in Wall Street werken—of soms eigenlijk al ervoor, want elk jaar in mei strijken de Goldman Sachsen en Morgan Stanleys neer om laatstejaars-studenten aan te werven nog voor ze hun diploma hebben gehaald (dat zal nu wel gedaan zijn, vermoed ik). Een prominente alumnus is Henry Paulson, juist ja, de minister van financiën en architect van het huidige Paulson-plan ter redding van de banken. Toen hij vorig jaar als spreker voor de eredoctoraten was uitgenodigd lanceerden een aantal professoren, waaronder ikzelf, een petitie om zijn komst te verhinderen, want we vonden hem als lakei van Bush en Wall Street niet geschikt voor academische erkenning. Tevergeefs.

Volgens een aantal peilingen ligt Obama in New Hampshire voor: hij krijgt zo’n 48% van de kiezers achter zich, McCain 43%. Dat ziet er mooi uit voor “onze man”, zal U zeggen, maar let op, de adder schuilt in de voetnoot: de rest, 9 %, is nog “onbeslist”. Ik vraag me altijd af hoe dan nu kan: de kiescampagne begon hier meer dan een jaar geleden (de primaries begonnen in New Hampshire), we hebben elke kandidaat al een keer of vijf over de vloer gekregen en kennen hun programma’s vrijwel van buiten, en toch zijn er nog mensen die niet weten voor wie ze gaan stemmen? Ik zie hem daar nog staan, Obama, in witte hemdsmouwen op een platformpje in het midden van de campus sprekend voor 3000 man in mei 2007, de eerste keer dat ik hem hoorde—en ik was onder de indruk. In november reed ik het stadje Littleton binnen, 60 km naar het noorden, parkeerde voor het gemeentehuis, en wie komt er uit een kolossale bus beschilderd met de Stars and Stripes? John McCain en een handvol getrouwen, op weg naar zijn zoveelste “Town Hall” meeting. Niemand gaf hem toen nog een kans omdat zijn campagne zonder geld zat, maar McCain deed naarstig voort, reed met zijn bus van dorp tot dorp, en twee maanden later won hij op zijn (niet-geitenwollen) sokken hier de republikeinse primary, de evangelical Mike Huckabee de wind uit de zeilen nemend. Hoe lang is dat niet geleden?

Sindsdien is er ook zoveel gebeurd: Obama’s reis naar Europa bracht daar massa’s op de been maar resulteerde hier alleen in opprobrium, want Europees succes maakte hem voor de modale Amerikaan juist verdacht. Na McCain’s keuze van Sarah Palin als running mate schoten de republikeinse kansen nog meer omhoog, vooral dan onder de New Hampshire kiezers met een wapenvergunning (of zonder vergunning—dat hoeft op vele plaatsen niet echt). Maar toen we met ons allen haar wat beter leerden kennen viel haar religieus geïnspireerd conservatisme niet in de smaak van de welgestelde burgers in het zuiden van de staat, die de republikeinen als zuinige beheerders van de overheid appreciëren maar veel reserves hebben bij de vermenging van God en politiek; anderen waren gealarmeerd door haar gebrek aan dossierkennis. De beurscrash deed de rest. Deze week kreeg ik zoals velen het kwartaalrapport van mijn pensioenkas in de bus: mijn pensioen is op een jaar tijd met 30% geslonken. Geen vreselijk probleem voor mij want ik heb nog tijd voor het zover komt, maar een schok voor mijn oudere collega’s die in de volgende jaren “op rust” dachten te gaan. Het goede nieuws is dat in dit land van ongebreidelde vrijheid geen verplichte pensioenleeftijd bestaat, zodat ze desnoods tot hun honderdste kunnen doorgaan. (De sarcastische grappen en grollen zijn niet van de lucht: “Geen probleem, alle auditoria zijn voor rolstoelgebruikers toegankelijk”). Maar al probeert McCain ook daarvan de schuld naar de democraten door te schuiven, vrijwel iedereen weet dat we de deregulering van de banksector aan de republikeinen te danken hebben.

Het kan echter nog alle kanten op. Drie weken is een eeuwigheid. Charles Blow, de man die altijd goeie vragen stelt, analyseerde onlangs in de New York Times het nationale profiel van al die “onbeslisten” (blow.blogs.nytimes.com/2008/10/08/swing-voters/). Dat blijken vooral laaggeschoolden blanken zonder veel partij-identificatie in het rurale noordoosten te zijn, gewoonlijk van protestante overtuiging—en het gros van de plattelandsbewoners in New Hampshire valt in die categorie. Waar ze zich bij de uiteindelijke stemkeuze door laten leiden is helemaal niet duidelijk, maar (en hier interpreteer ik verder dan Blow gaat) vaak geeft een behoudsgezinde reflex op de verkiezingsdag zelf de doorslag.

Ik leef nu al 18 jaar in de V.S., sinds 1995 ben ik staatsburger, maar ik heb nog nooit een verkiezing meegemaakt die zoveel emoties losmaakt. De materiele en emotionele ravage die acht jaar Bush aanrichtte heeft diepe wonden geslagen. Er zijn de uitzichtloze oorlogen in Irak en Afghanistan, de terreurdreiging blijft even groot, de natie is vrijwel bankroet, de polarisatie compleet. De nefaste invloed van Fox en de commerciële radio met zijn rioolprogramma’s ondermijnen alle inhoudelijke politieke discussie. En dan zijn er de kandidaten: aan de ene kant een vrij jonge bi-raciale intellectueel met ongelooflijk veel talent, aan de andere een heroïsche Vietnam-veteraan die al 12 jaar president wil worden. Nu hij achter ligt, en gestimuleerd door Palin’s retoriek, bespeelt McCain keihard de angstgevoelens die zich in deze doemtijden van de Amerikanen heeft meestergemaakt. Bij een deel van de bevolking maakt dat een viscerale reactie los, waarbij Obama’s huidskleur natuurlijk een rol speelt. Of dat genoeg zal zijn om ook al die onbeslisten alsnog over de streep te trekken, moeten we nog zien.

Woensdag volgt het laatste TV-debat en...krijgen we hier bezoek van La Palin. Dat belooft.