Zijn Japanse producten nog kwaliteitsproducten?

Gisteren, dinsdag, heeft de baas van Toyota aangekondigd dat het bedrijf wereldwijd 400.000 hybride Priusen terugroept wegens een mankement in het remsysteem. Een nieuwe zware slag voor Toyota na het gaspedaalprobleem in de Verenigde Staten dat al geleid heeft tot het terugroepen van miljoenen wagens.

De Prius is de best verkopende wagen in Japan. Het is de vaandeldrager van het Toyota-merk. De industriële sector in Japan en de overheid volgen de zaak met onrust. De vrees speelt dat de consument vertouwen verliest in Japanse producten, dat Japanse producten niet langer geassocieerd zouden worden met topkwaliteit.

Maar zijn Japanse producten wel kwaliteitsvol? Na 12 jaar leven in Japan ben ik daar niet altijd zo zeker van. Een boel dingen die ik me heb aangeschaft, hebben redelijk snel de geest gegeven. Mijn Sansui hifi-installatie moest altijd een klopje krijgen alvorens de CD-speler begon te werken. Mijn Sony MD-speler weigerde definitief dienst na een kleine val van een bureautafel. Mijn Toshiba-strijkijzer is uiteengevallen na een jaar. De motor van mijn peperdure elektrische Panasonic-fiets moest twee dagen na aankoop al volledig vervangen worden wegens defecte sensoren. En verleden maand was het onze 2 jaar oude Sharp-microgolfoven die een dure herstelling nodig had.

Ok, nu moet ik wel toegeven dat de dienstverlening goed is. Verleden week hebben we van Sanyo een splinternieuwe wasmachine/droogkast gekregen. Ter vervanging van ons 6 jaar oud model dat in zeldzame gevallen kortsluiting en brand zou kunnen veroorzaken. Sanyo heeft 160.000 wasmachines in Japan volledig kosteloos vervangen voor een gelijkaardig splinternieuw model. Een totale kost van 10 miljard yen (80 miljoen euro). Sanyo heeft dit trouwens niet overleefd. Het bedrijf is nu opgeslorpt door Panasonic. Onze nieuwe wasmachine is dus een Panasonic en die doet het voorlopig fijn.


 

Belgische ereconsul verdacht van fraude bij de Salzburgse “Osterfestspiele”

Een kandidaat ereconsul moet voldoen aan de volgende eigenschappen: blijk geven van rechtschapenheid, verbondenheid met België en goed geïntegreerd zijn in het lokale sociale milieu van het gastland. Allemaal kwaliteiten waaraan ereconsul in Salzburg Michaël Dewitte voldoet. “Voldeed” wordt in de Oostenrijkse pers geschreven, onmiddellijk gevolgd door de obligate zin: “Voor iedereen geldt het vermoeden van onschuld.”

Profil, News, Die Presse, Kurier, Der Standard… alle media smijten zich op het zoveelste schandaal dat Oostenrijk belaagt en de kritieken zijn niet mals, ook niet voor Dewitte, die in 1992 in het kielzog van Gerard Mortier als persoonlijk assistent van de intendant van het Salzburgse zomerfestival naar Oostenrijk trok.

Ondertussen werd hij administratief directeur van het Karajan-instituut en directeur van de prestigieuze “Osterfestspiele”.

Eind januari belandde bij de voorzitster van de Bondstaat Salzburg een audit van Audit Services Austria, die ze zelf in opdracht had gegeven en die leest als één lange aanklacht: Dewitte zou eigenmachtig zijn jaarsalaris van 117.000 euro regelmatig opgetrokken hebben zonder wettige overeenkomst en zich daarenboven nogal wat extra’s hebben toegeëigend zonder goedkeuring, noch overleg: 18.500 euro in 2001, tot 232.000 euro vorig jaar. In totaal zou hij de “Osterfestspiele” zo’n 1,2 miljoen euro lichter hebben gemaakt, met inbegrip van 5% provisie op sponsorgeld hoewel zijn arbeidsovereenkomst dit uitdrukkelijk verbiedt. Aldus de audit.

Dewitte verdedigt zich en stelt dat de Präsidialchef van Franz Schausberger, de toenmalige voorzitter van de Bondstaat, met deze extra’s zou hebben ingestemd.

Schausberger ziet dat anders: in 1996 werd het door Gerard Mortier opgerichte European Art Forum georganiseerd, een keer. In 2002 gingen stemmen op om het nog eens te organiseren. Tijdens een meeting met de toenmalige viceburgemeester van Salzburg, de christendemocraat Gollegger zat ook de Präsidialchef van het Bondsland aan tafel. Dewitte zou hem een papier onder de neus geschoven hebben, de beambte heeft het ondertekend. Met dit document wou Dewitte naast een honorarium van 35.000 euro ook een provisie van 5% per jaar op de sponsorgelden van het festival zeker stellen. “Dat was juridisch irrelevant, omdat het Kunstforum nooit meer heeft plaatsgevonden,” zegt Schausberger. “Dewitte heeft dus provisies op sponsorgelden gekregen die door niets of niemand waren goedgekeurd, en hij nam die provisies zelfs op sponsorbedragen die hij zelf niet had aangebracht.”

Ook toen de Amerikaan Donald Kahn een miljoen euro aan de “Osterfestspiele” schonk, eigende Dewitte zich – nog steeds volgens het auditverslag – 50.000 euro toe.

Het werd nog meer: toen de Russische sponsor Igor Videjaev 2,5 miljoen euro voor subsidie  voor jeugdwerking schonk (bedrag te betalen in schijven, jaarlijks tot 2018) eiste Dewitte in februari 2009 meteen zijn aandeel, ook op het nog niet uitbetaalde deel van het toegezegde bedrag. Vanuit “Art & Culture Consulting”, met residentie op Bélize, kwam de opdracht zijn provisie van 300.000 euro (12% van het bedrag) via een rekening in Cyprus over te maken.
De aanklacht is zwaarder dan dat en betreft tevens reisvergoedingen, salaris voor de echtgenote van Dewitte waarvoor nooit een contract werd ondertekend, enorme taxi-rekeningen…

De auditors van Deloitte en Ernst & Young die aangesteld zijn om de balansen van het festival te controleren lieten weten dat ze geen precieze audit-opdracht hadden gekregen, noch inzage in de boekhoudkundige stukken.
Daarop nam Gabi Burgsteller, voorzitster van het Bondsland Salzburg via een nieuwe audit het heft in handen, met alle gevolgen van dien.

Volgens een collega is Dewitte deze dagen onbereikbaar want op familiebezoek in België, en zou zijn huis in Salzburg te koop staan.

Onnodig te herhalen dat voor alle in dit artikel aangehaalde personen het vermoeden van de onschuld bestaat.

UPDATE:

De NY Times schrijft vanavond: “It involves non-existent companies and offshore bank accounts.” The announcement follows the dismissal in December of the festival’s executive director, Michael Dewitte, who is now being sought by the police on charges that he misused its funds and put its money into foreign bank accounts. Last week, The Independent said, the festival’s technical chief, Klaus Kretschmer, was found unconscious under a bridge in Salzburg, and is believed to have attempted suicide after being accused of charging the festival for non-existent services. Over all, the festival may have been defrauded of as much as $2.75 million.

Le Figaro schrijft vanavond: Les raisons de l'éviction de Michael Dewitte ? Déjouant le contrôle de gestion du festival, il se serait accordé des dépassements de salaire de 591 000 euros entre 2002 et 2009. Il aurait aussi touché des commissions illégales sur le sponsoring (50 000 euros sur la contribution d'un mécène américain et 300 000 sur celle d'un mécène russe). Ses remboursements de frais de transport et d'hébergement seraient passés de 33 000 euros en 2001-2002 à 91 000 euros en 2008-2009, sans justification apparente.

Die Zeit: http://www.zeit.de/kultur/2010-02/salzburger-festspiele-skandal

Onnodig te herhalen dat voor alle in dit artikel aangehaalde personen het vermoeden van de onschuld bestaat.

En niemand in België die een standpunt heeft?

Roel Verschueren, Wenen 9 februari 2010 – www.verschueren.at


 

Stempelaars in Polen

Een stempelaar is in België iemand die werkloos is, iemand die dus geen werk heeft en geacht wordt tot een bepaalde leeftijd werk te zoeken. Zowat 20 jaar geleden moest de werkloze elke dag naar het stempellokaal om een stempeltje te krijgen. Dit gold ook als een soort controle tegen zwartwerk.  De stempelaar was niet de persoon die het stempeltje zette (dat werd door een staatsambtenaar gedaan) maar de persoon die om een stempeltje vroeg! Het werkwoord ‘stempelen’ geraakte ook heel snel in voege.  ‘Stempelen’ kreeg dus de betekenis van ‘werkloos zijn’. In het West-Vlaams dialect geraakten  heel snel de synoniemen ‘doppen’ voor ‘stempelen’ en ‘dopper’ voor ‘stempelaar’ in gebruik.

Nu is het systeem gemoderniseerd. Er wordt niet meer gestempeld, maar het begrip ‘stempelaar’ wordt nog steeds gehanteerd. Er wordt een kaart met vakjes bijgehouden. Op zo’n kaart staan 31 vakjes, want elk vakje verwijst naar een dag van een bepaalde maand. Als je een bepaalde dag niet hebt gewerkt, dan laat je het vakje verwijzend naar die dag leeg, als je het geluk  (of ongeluk) hebt gehad dat je een dag hebt kunnen (moeten) werken, dan kleur je dat vakje zwart. Als je  tijdens een dag hebt gewerkt en je hebt het vakje niet zwart gekleurd, dan ben je volgens de Belgische wetgeving een zwartwerker, en zwartwerk wordt heel zwaar gestraft! Aan het begin van een volgende maand moet je de kaart indienen bij de Rijksdienst voor Arbeidsvoorzieningen, de ‘RVA’.  Een computer verwerkt razendsnel de kaartgegevens en alles staat geregistreerd.

In  Polen zijn er vele stempelaars, eigenlijk is zowat iedereen een stempelaar. Dagdagelijks moet je als inwoner voor allerlei diensten stempeltjes en handtekeningen verzamelen. Hoe meer stempeltjes hoe beter, beter eentje teveel dan te weinig! Ik geef aan het woord ‘stempelaar’ dan wel een heel andere inhoudelijke betekenis dan deze voor België. Ik illustreer dit graag aan de hand van enkele voorbeelden uit mijn dagelijkse leven:

Als werknemer heb je een basisziekteverzekering. Ik werk als loontrekkende voor de Katholieke Universiteit van Lublin (KUL), ik ben dus verzekerd in geval van ziekte. Dat betekent dat ik gratis naar de eerstelijnsdokter kan, en indien die me doorverwijst naar een specialist, dan is dat bezoek ook kostenloos. Medicijnen moet ik wel zelf betalen. Voor zo’n gratis bezoek heb ik een ziekteboekje nodig. Nee, geen chipkaart, maar een ziekteboekje! Bovendien moet dit ziekteboekje elke maand van een nieuwe stempel en een handtekening voorzien zijn van de de werkgever.  Mijn vrouw, toen ze nog maar pas was afgestudeerd en nog niet werkte (nu heeft ze een eigen bedrijfje), was verzekerd op mijn naam. Maar zij had toen ook een ziekteboekje nodig, waarin eveneens elke maand een nieuwe stempel en handtekening van de secretariaatsbediende van KUL moest worden gezet. Ik moest dus elke maand met 2 boekjes naar de vriendelijke dame om 2 handtekeningkjes en 2 stempeltjes te vragen. Eens was ik door vergetelheid 2 dagen te laten met het afstempelen van de 2 ziekteboekjes. Ik moest echter dringend met mijn vrouw naar de dokter. Ze had een astma-aanval gekregen. Het bleek al onmiddellijk dat de voorschriften bikkelhard waren: eerst het stempeltje en de handtekening en pas daarna naar de dokter! Helaas was het reeds na 15u00 en was het secretariaat gesloten. Gelukkig was de dokter bereid om een snelle oplossing te vinden, ik kon ook betalen, 70 zloty of 18 EUR of 3,5% van mijn maandelijks salaris. Ik heb betaald, gelukkig maar. Mijn vrouw had dringend medicijnen nodig.

Dat stempeltje kan je alleen maar krijgen bij je werkgever, voor mij dus op het secretariaat in KUL, in Lublin. Dat zorgt voor een groot probleem, wanneer ik meer dan een maand niet in Lublin ben, want dan heb ik geen geldig stempeltje meer, en ben ik niet verzekerd. Dit probleem zou volgens mij op een heel simpele manier kunnen worden opgelost, nl. door 2 stempeltjes en 2 handtekeningen ineens te krijgen, voor 2 maanden. Maar zo werkt het systeem niet. Er zijn in geval van lange afwezigheid slechts 3 mogelijkheden: (1) een snelle dagreis heen en weer naar Lublin voor een stempeltje en een handtekening, (2) niet ziek worden, (3) betalen! Er is eigenlijk nog een 4de mogelijkheid, nl. de privéverzekering, maar die is niet zo goedkoop.

Nu moet je weten, beste lezer, dat er in KUL ongeveer 2 000 mensen op de een of andere manier tewerkgesteld zijn. Dat zijn dus maandelijk 2 000 stempeltjes en handtekeningen. Eigenlijk iets meer, want sommige mannelijke werknemers hebben beslist nog, net zoals ik vroeger, een vrouw ‘ten laste’. Het zetten van zo’n stempeltje en een handtekening kost gemiddeld een minuut. Er zijn dus maandelijks ongeveer 2 000 minuten nodig om alle personeelsleden van het nodige stempeltje en handtekening te voorzien. Dat zijn, afgerond, 33 betaalde werkuren alleen voor een stempeltje en een handtekening in het ziekteboekje.

Dit is slechts één voorbeeld uit de duizenden. Want voor alles en nog wat is een stempeltje nodig. Voor het verplichte medisch onderzoek (5 stempels voor 5 soorten onderzoeken), voor het belastingsformulier, voor de bestelling van wat papier, voor delegaties, voor de ontvangst van de docentenkaart, ... Ruw geschat denk ik dat ik gemiddeld zo’n 20 stempels en handtekeningen per maand verzamel. Als alle docenten zoals ik zoveel stempels verzamelen, dan komen we aan 2 000 x 20 = 40 000 minuten of 666 betaalde werkuren om te stempelen!!! Dit zijn 4,1 full-time jobs per maand!!!

Het stempelverhaal is nog niet gedaan. Ook studenten moeten vaak stempelen. Eigenlijk gedurende hun hele studieloopbaan, maar op het einde van de loopbaan is er nog een extra intensieve stempelactie. Zo’n 3 000 afgestudeerde studenten van 1 universiteit moeten in de maand juni dan 8 stempels en handtekeningen verzamelen op 8 verschillende plaatsen in de stad:  een stempel en een handtekening in de stadsbibliotheek als bevestiging dat alle boeken zijn ingeleverd, in het sportcentrum als bewijs dat alle schulden zijn vereffend, in de universitaire bibliotheek, op het decanaat, het studentenhome, ... Pas na het verkrijgen van alle stempels kan het diploma effectief in ontvangst genomen worden. Laten we hiervan de rekensom even maken: 3000 x 8= 24 000 minuten of 400 betaalde werkuren. Dit zijn maar liefst 2,5 fulltime jobs voor 1 volle maand!

Ik  zou nog tientallen, zelfs honderden bladzijden kunnen schrijven met tal van stempelverhalen. Maar dat doe ik niet, ik vind dat saai, even saai als stempels verzamelen. Ik leef nu in een stempelsamenleving, België is ondertussen veeleer een chipsamenleving geworden. Polen stempelen, Belgen ‘chippen’, Polen zijn stempelaars, Belgen zijn ‘chippers’.  Maar ik ben een Belg die in Polen stempelt. Ik leg me neer bij dit gegeven, ik heb immers niet de autoriteit om mijn stempel op de Poolse maatschappij te drukken.


 

Carnaval en de fiscus

CarnavalSalvador
Een "Trio Elétrico" leidt de massa doorheen de straten van Salvador, Bahia. De fiscus kijkt zwijgend toe en glimlacht. Foto: Roosewelt Pinheiro/ABr - CC License

Even de zot uithangen tijdens het Braziliaanse carnaval is alvast goed voor de staatskas van datzelfde land. De wetgevers zijn zich maar al te goed bewust van de klassieke gouden raad "geef het volk brood en spelen" maar laten niet na om daar duchtig vruchten van te plukken. Een studie van het IBPT (Instituto Brasileiro de Planejamento Tributário) toont aan dat belastingen en taksen in bepaalde gevallen meer dan de helft uitmaken van de prijs van sommige produkten die tijdens het carnaval flink verkocht worden. Brazilianen zijn in het gewone leven al bierdrinkers, tijdens het carnaval stijgt het bierverbruik met astronomische hoeveelheden. Meer dan de helft van de prijs van dat bier (54,8% om precies te zijn) gaat naar vadertje staat. Wie het bij mineraal water houdt, betaalt "slechts" 43,9% aan allerlei taksen. Frisdrank in blikjes brengt 45,8% op voor de fiscus. Fantasiekledij is ook niet vrij van taksen. Wie geld ophoest om rond te hossen in kledij die met ijzerdraad werd verstevigd, die doet dat in de wetenschap dat 33,9% van de prijs van zijn (peperdure) carnavalspakje naar de "Leão" gaat. Bij de prijs van gewone stoffen fantasiekledij gaat 36,4% naar belastingen en taksen. En zo gaat dat maar door: serpentines, maskers, eender welke carnavals attributen, een fors deel van de prijs gaat altijd weer naar de Braziliaanse vetpot. De IBPT zegt erbij dat de het gewicht van al die heffingen niet steeg ten opzichte van vorig jaar. Als dat geen troost is. Sinds de kennisname van deze informatie bekijk ik mijn ijskoud pintje bier met andere ogen, en dat bij een temperatuur die nu al vele weken lang blijft staan op 32 graden. Voor het overige laat ik het feestgewoel (zoals altijd) met veel genoegen aan mij voorbijgaan. Wie erover denkt naar Brazilië te verhuizen om minder belastingen te betalen, die is er ook aan voor de moeite.


 

De Derde Generatie en Identiteit - (gastbijdrage dl. 3)

' Roosje' is de bij vrienden en familie meer gebruikte naam, en ook de on-line identiteit van Dina Kalogrias, een tweede-generatie Griekse uit de Limburgse mijnstreek, die in haar reacties op verscheidene Griekenland-blogs vaak uitgebreid en raak uit de hoek komt. “Als ze het dan toch allemaal zo goed weet”, dacht ik een tijdje geleden, “waarom leen ik haar dan niet voor enkele weken mijn forum uit, dan kan ze eens uitgebreid vertellen” . Vandaar het idee om Roosje middels een aantal bijdragen aan het woord te laten over 'de omgekeerde migratie', niet de Belgen in Griekenland, dus, maar de Grieken in België, en hoe dat zoal meevalt.


Vandaag de derde bijdrage. De volgende bijdragen volgen in de loop van de komende dagen en weken. De eerste twee bijdragen vindt u door een beetje naar beneden te scrollen.


De omgekeerde migratie’: de derde generatie en identiteit


Geschreven door Dina Kalogrias


Niet zo lang geleden was het nog heet van de naald: de Vlaming die op zoek is naar een eigen identiteit en ze maar niet kan vinden.

Ik kan er maar niet bij, bij de oeverloze communautaire strijd in dit landje en het feit dat Vlamingen nog steeds niet hun eigen culturele identiteit willen zien en/of kunnen vinden.


Alhoewel ik ben opgegroeid in twee verschillende culturen, heb ik nooit het gevoel gehad dat ik “op zoek” was/ben naar een identiteit.

Wellicht is het niet voor iedereen zo gelopen, wellicht hebben andere Grieken andere ervaringen en hebben ze wel een soort van (culturele) identiteitscrisis gehad.

Mogelijk heeft mijn perceptie te maken met het feit dat ik een inwoner ben van de Limburgse mijnstreek. Voor de Limburger is het allemaal zó evident dat we er niet bij stilstaan wat voor een mengelmoes van culturen het hier is in het dagdagelijkse leven en hoezeer het dagelijkse doen en laten van de Limburgers doordrongen is ervan; breng Belgen (Limburgers) in contact met andere culturen en ze zijn de meest joviale mensen, die zich soms met wat moeite aanpassen aan ‘nieuwe’ dingen, maar er vaak met een gulle lach voor open staan. Enkele jaren geleden werden we uitgenodigd op een scoutsfuif in Vlaams-Brabant. Na een tijdje hadden we pas door waarom we ons wat ongemakkelijk voelden; we zeiden bijna gelijktijdig tegen mekaar: “Het is hier zo Vlaams hè?!”. Er was geen één allochtoon te bespeuren. Een zeer vreemd beeld. De stijl, het taalgebruik, de looks, de algehele sfeer... het was zo kleurloos, zo monotoon. Een vreemde gewaarwording. Zoiets is onbestaande in de Limburgse mijnstreek.


Ik denk dat dit gegeven voor de derde generatie een belangrijke rol speelt, in hun zoektocht naar een eigen identiteit. Ik ben blij dat mijn kinderen (3de generatie, fourth culture kids?) hier, in Limburg, zijn opgegroeid en de voor- en nadelen van het samenleven met andere nationaliteitsgroepen aan den lijve hebben ondervonden. En ja hoor, ook zij geven regelmatig commentaar op de typisch Vlaamse hebbelijkheden van hun grootouders net zoals ze scherp zijn voor hun papoe (παππού of ‘opa’ in ’t Grieks) met zijn ‘onbezonnen’ gedrag, voor de luidruchtigheid en het gediscussieer van hun moeder en haar familie, voor sommige gedragingen van hun allochtone vrienden en klasgenoten... Doch, vaak slaan ze de nagel op de kop, net omdàt ze het niet “uit de boekskes” hebben, maar dagelijks te maken hebben met medeleerlingen, vrienden, buren en kennissen van andere nationaliteiten en met andere gewoonten, dag in dag uit samenleven met mensen uit andere culturen.


 

MIRJAM BARTELSMAN

We worden steeds maar ouder. In Nederland ligt het gemiddelde al op meer dan 80 jaar voor wie zich vroeger niet uit de naad heeft gewerkt. Dat hoorde ik van mijn tandarts toen ik informeerde of het nog wel de moeite loonde om een dure prothese te laten plaatsen. Ik kon er dus zeker nog 20 jaar van genieten, riep hij vrolijk met dollartekens in zijn ogen.

Met dat steeds maar ouder worden moet het toch ooit fout gaan. Niet meer op te hoesten die almaar stijgende pensioenlasten, roepen alle commentaarschrijvers en politici in koor. En dan zijn er de dure medische kosten. Tijd dus voor een omvattend debat over de broodnodige “zelfmoordpil” in het ziekenfonds en allerlei instellingen die het zelf uit het leven stappen vergemakkelijken. Alleen wordt er over deze kwestie nog niet gestructureerd gepraat. Het leven is zo niet heilig, dan toch met allerlei taboes omgeven. Het wordt dus tijd dat de een of andere actualiteitenrubriek eens de steen in de kikkerpoel gooit. Liefst met reportages uit de samenleving. Welke journalist of programmamaker op de televisie zou dit aandurven?

Met dat doel heb ik eens wat oude afleveringen van diverse actualiteitenprogramma’s uit Hilversum bekeken. Ik kwam ten slotte bij Mirjam Bartelsman uit. Haar berichten uit de samenleving ademen nog altijd de broodnodige politieke correctheid van weleer. Bartelsman hanteert vlot de interviewmicrofoon. Zo zag ik haar in NOVA gehoofddoekte scholieren van een Rotterdams gymnasium laten zeggen dat zij weldra tot de “nieuwe elite” van de migrantengemeenschappen zouden gaan behoren. Leuk toch? En wat een lieve kinderen. Geen vals plooitje in de jurk of de broeknaad. Netjes met twee woorden pratend. Daarom zou Mirjam Bartelsman volgens mij gerust ergens op een of ander “temptation island” Nederlandse bejaarden mogen interviewen over het slikken van de “zelfmoordpil”.

Voor alle duidelijkheid nu: over Mirjam Bartelsman geen kwaad woord. Ze was nog maar kersvers van de pas opgerichte School voor de Journalistiek te Utrecht afgestudeerd toen ze in het begin van de jaren 1970 de redactie van het magazine Jeugdwerk Nu kwam versterken. Ze zou er de rubriek van de rebelse meiden van Anja Meulebelt overnemen. Dat deed ze al parelend prima. Ze kwam ook altijd te laat op de vergaderingen binnenwapperen. Dat hoorde bij haar meegebrachte frisse wind en de oorlog die ze steevast aan de beleidsnota’s van de welzijnsorganisaties verklaarde. Op een dag vertelde Bartelsman echter dat ze ook nog wat hapsnap bij de omroepen in Hilversum deed. En ja, daarna ging ze bij de NCRV een radioprogramma vol met straatinterviews maken. Weg Bartelsman.


Het duurde niet lang of ik kreeg een telefoontje van Mirjam Bartelsman. Haar producer wilde nu ook reportages in België maken. En omdat ik dat voor Jeugdwerk Nu ook al deed, leek een vruchtbare samenwerking mogelijk. We mochten elkaar toch graag? Ik kon dan de afspraken telefonisch vastleggen en haar daarna voor de interviews ter plekke loodsen. Ik zou nog die dag, na de teamvergadering, hierover een telefoontje van haar producer krijgen. Helaas, zo bleek nu, van samen met Mevrouw Bartelsman met trein of auto naar België reizen kon geen sprake zijn. Er waren immers de collectieve afspraken over het omroepwerk. Wist ik dat dan niet? Reportages moesten altijd in een reportageteam worden gemaakt, met een chauffeur-geluidstechnicus, een adjunct-producer als betaalmeester, een reporter met microfoon en een gids (ik dus) die de lokale dialecten en toestanden kende. In die tijd van treinkapingen en terrorisme moest je ook ter plekke willen kamperen en desnoods bij een boer in het hooi slapen. Dit alles, het hooi incluis, ging naar mijn smaak wel erg ver. Geschrokken vroeg ik bedenktijd.

De volgende dag belde ik dat ik me voor dit buitenwerk totaal ongeschikt achtte. Maar mijn levensgezellin wilde wél graag overnemen, meldde ik vrolijk. En zo werd besloten. Na enkele weken kwam de omroepauto voor een eerste reportage in Belgenland langsrijden. Helaas, maar nog die avond laat vernam ik dat alles was fout gegaan. Niks reportage, niks geluidsmateriaal. In cafés was voortdurend gebeld naar de te interviewen mensen, maar de chauffeur was daarna - in die tijd zonder GPS en GSM - toch weer hopeloos verloren gereden. Mijn vrouw zei me woedend hiermee te willen kappen en dat al aan de adjunct-producer te hebben gemeld. Er kwamen daarna geen telefoontjes van Bartelsman meer. Aan de keukentafel was haar naam zelfs taboe geworden. De knop ging om als haar stem op de radio te horen was. Wat er zich die bewuste dag in de reportageauto heeft afgespeeld weet ik nog altijd niet…

Na verloop van tijd zag ik Bartelsman ook op de televisie verschijnen. Dan was het altijd even aandachtig kijken. Nee, van het meisje vol branie aan de grote ovale tafel van Jeugdwerk Nu was niet veel meer over. Hier zat een vasthoudende tante die gestroomlijnde interviews bracht. Zonder concessies of gedraai. Gewapend beton dus. Met haar kon je zeker op pad gaan. En daarna het huiswerk doen. Daarom vind ik nu dat ze over de “zelfmoordpil” gerust een reportage op een of ander “temptation island” kan maken. Of ik dan als eerste de “zelfmoordpil” uit haar handen zou willen slikken? Dát weet ik nog niet. Maar niets is uitgesloten. Als het maar goede reality television is.

 



 

Sentimenten bij 30 miljoen vs 30 miljard

 

 

Nederland was deze week in de ban van de commissie De Wit. Zij onderzoekt de oorzaken van de kredietcrisis en de overname van ABN Amro. Bij het onderzoek naar de overname van de ABN Amro door het bankentrio Fortis, Santander en de Royal Bank of Scotland, hebben vele bankiers, accountants en politici hun zegje gedaan. Deze week waren de hoofdrolspelers aan de beurt. Het is geen geheim dat zij die dat wilden, vooraf een media training hebben gekregen. Zij hebben geoefend in het opgelucht kijken, ze leerden hoe zich te presenteren, en ze moesten zich vooral uiten in begrijpelijke taal. Opvallend waren uitingen van veel en diverse emoties: de heer Groenink, bestuursvoorzitter ABN-Amro had 30 miljoen met  tegenzin  meegenomen. ‘Met een zekere woestheid’ had hij het geld aangenomen. “Ik vind het zelf ook heel wrang dat ik zoveel geld heb meegekregen”, aldus Groenink. Groenink betreurt het gebeuren. Er aan toevoegend dat de ABN-Amro daar niet onder geleden heeft, het nieuwe bankentrio moest daar voor opdraaien. Oef, wat een opluchting voor de Nederlanders, dat het niet ten koste was gegaan van hun bank, dé bank, zoals ABN-Amro zich hier naar eigen zeggen destijds noemde. Dezelfde mijnheer Groenink had ook weinig aan te merken aan de variabele beloningen, mits er grenzen aan zitten. En zeg nu zelf: 30 miljoen is toch ook een grens?! De president van de Nederlandse Bank, de heer Wellink, zei vooral boos te zijn. Knarsetandend had hij zijn akkoord gegeven voor een overname door het bankentrio. Instinctief verzette alles zich in hem en als hij ook maar één gaatje had gezien om ‘nee’ te zeggen tegen de overname, dan had hij het ook gedaan. Minister Bos, Financiën, zat te wachten op de beoordeling van de DNB. Maar ook financiën zei dat hen geen blaam treft, zij vertrouwden immers op de DNB. De Belgen en de Britten kregen ook een veeg uit de pan: bij Wellink en Bos was er ook twijfel over de juistheid en volledigheid van de geleverde informatie door de Belgen en de Britten. Bos deelt die twijfel maar wil niet lastig doen bij Belgische of Britse collega’s “we gaan nu richting Europees toezicht” en daarom wil hij ook met hen vooral on speaking terms blijven. Bos hoopt dat de volgende crisis lang genoeg op zich laat wachten tot de gevolgen van de twee en een half jaar terug begonnen crisis, zijn weggewerkt. En over dé bank hangt volgens Bos een vleugje ‘onterechte romantiek’. In de volksmond wordt Groenink eerder een graaier genoemd: eerst dé bank verkopen aan een onbekwaam trio en vervolgens 30 miljoen op zak steken. De journalist Jeroen Smit, heeft in zijn boek ‘De Prooi’, een reconstructie geschreven van de teloorgang van dé bank. (Het is een bestseller geworden). Groenink waarschuwde op zijn beurt voor de 30 miljard die de schatkist – lees de belastingbetaler – dankzij Bos, nu moet betalen om dé bank, volgens Bos ‘ooit Nederlands kroonjuweel’, terug te kopen. En dat allemaal omdat DNB de juiste informatie werd onthouden, terwijl zij de goedkeuring voor overname eigenlijk had willen weigeren. De ABN top hekelde de rol van Bos en Wellink, enz….de commissie De Wit heeft nog een zware klus aan het ontrafelen van het zwartepietenspel.

En wij? Wij hoorden dat allemaal aan. Het was om bij te gaan huilen.


 

Third Culture Kids: Vreemd Pak in Vertrouwd Papier (gastbijdrage pt. 2)

'Roosje' is de bij vrienden en familie meer gebruikte naam, en ook de on-line identiteit van Dina Kalogrias, een tweede-generatie Griekse uit de Limburgse mijnstreek, die in haar reacties op verscheidene Griekenland-blogs vaak uitgebreid en raak uit de hoek komt. “Als ze het dan toch allemaal zo goed weet”, dacht ik een tijdje geleden, “waarom leen ik haar dan niet voor enkele weken mijn forum uit, dan kan ze eens uitgebreid vertellen” . Vandaar het idee om Roosje middels een aantal bijdragen aan het woord te laten over 'de omgekeerde migratie', niet de Belgen in Griekenland, dus, maar de Grieken in België, en hoe dat zoal meevalt.

Vandaag de tweede bijdrage. De volgende bijdragen volgen in de loop van de komende dagen en weken. De eerste bijdrage vindt u als u verder naar beneden scrollt.


De omgekeerde migratie’: Third Culture Kids: Vreemd Pak in Vertrouwd Papier


Bijdrage door Dina Kalogrias


Een gewezen vriend vroeg mij ooit of ik me niet gevangen voelde tussen twee culturen.

Vreemde vraag vond ik dat. Weliswaar waren mijn ouders, die mij moesten klaarstomen voor de wereld, zelf niet al te vertrouwd met hun omgeving, terwijl de wereld waar ze wel vertrouwd mee waren, duizenden kilometers en vele jaren van hen en van ons verwijderd was. Maar “gevangen tussen twee culturen”...!?

Ik vond het als klein meisje wel eens vervelend als ik naar een verjaardagsfeestje mocht van een Belgisch vriendinnetje en iedereen een mooi cadeautje bij had voor de jarige, terwijl ik daar stond met een doos koekjes, door mijn moeder zorgvuldig in cadeaupapier gedraaid, maar kon het wel plaatsen; ik wist dat mijn moeder dat met veel liefde had gedaan en het in haar denken al een grote geste was om die koekjes te kopen voor een voor haar ongekende gelegenheid.  

Zo ook houdt mijn levensgezel me altijd voor dat ik geen affiniteit heb met heel het gedoe rond Sinterklaas. Brieven worden geschreven, lijstjes gemaakt, liedjes gezongen, schoentjes gezet... voor mij was dit allemaal nieuw, toen ik moeder werd; ik had nooit een voorbeeldfunctie gehad in deze ouderrol: je kinderen jarenlang wijsmaken dat ze moeten geloven in de Heiligheid van een Verklede Man... Als kind al vond ik het wat vreemd dat al mijn klasgenoten geloofden in een man met pruik op en een vlassen baard. Dat hij niet ècht was, had ik in elk geval vrij snel door. In mijn kinderlijke logica rijmde het niet dat hij voor alle kinderen, uitgezonderd voor mij, speelgoed en allerhande dure spullen bracht. Voor mij was het tóen al een uitgemaakte zaak: hun ouders zaten hier voor iets tussen!

Maar kind in België was ik wel, want tegelijk flitsen er flashbacks door mijn hoofd dat Hij, de Belgische Kindervriend, ook bij ons kwam; en op die bangelijke, spannende momenten waarop ik in de vooravond plots een kletterend geluid hoorde tegen deuren en ramen en ik als de dood was om te gaan kijken, - de bloedstollende opwinding om het idee dat zwarte Piet ongemerkt in ons huis was geweest en als de bliksem weer verdwenen was!, de blijdschap om het snoepgoed (op z’n Grieks waren dat noten en mandarijnen) dat ie –ook bij ons(!)- had gegooid! -, op die momenten was mijn kinderlijke fantasie groot genoeg om de nuchtere reflecties die ik overdag maakte, compleet te verdringen. Wellicht zullen mijn oudste zus of broer hier voor iets tussen hebben gezeten, zoals ze dat vanuit hun positie wel vaker deden.

Ook de filmscènes met ‘de rare Griek’, waarin zij, als oudsten, maar al te vaak een rol kregen toebedeeld, ontbraken niet. Meer dan eens heb ik het verhaal van mijn broer aangehoord over zijn allereerste winkel-ervaring in België: hij ging als kleine jongen, samen met mijn vader, schoenen kopen. Mijn vader zag in een etalage voetbalschoenen (met stalen studs) staan en wilde die met alle geweld voor zijn zoon kopen. Hij had nog nooit in zijn leven zo een degelijke, stevige schoenen gezien! Die zouden vast nooit verslijten! Het vergde veel overredingskracht om mijn vader ervan te overtuigen dat zulke schoenen niet in het dagelijkse leven werden gedragen.

Vervelender werd het als er andere mensen bij betrokken waren, waarbij de kans groot was dat het schaamrood je, als kind zijnde, naar de wangen steeg. Op het strenge lyceum moest de schoolagenda wekelijks worden afgetekend, zodat pa en ma de vooruitgang van hun vlijtige spruiten konden volgen. Maar mijn moeder kon die lettertjes toch niet lezen, laat staan begrijpen wat de leerkracht of ik er de afgelopen week in genoteerd had. Om die reden liet ik haar enkele weken ‘vooruit’ tekenen. Het is me nog steeds een raadsel waarom de klastitularis van het tweede jaar humaniora tijdens een controle op maandagochtend, doorbladerde in mijn agenda en de handtekeningen ontdekte, ook op de lege pagina’s van de komende weken, als voortijdige goedkeuring van weken ... niets...


 

Omgekeerde Migratie - Gastbijdrage Pt. 1: "Tijd in Woorden"

Bijna 10 maanden nu houd ik een blog bij op De Standaard-Online. Eerst voor 'In alle Lidstaten', naar aanleiding van de Europese Verkiezingen in Juni 2009, daarna in de rubriek 'En Nu Even Elders'. Over het leven van Belgen in het buitenland moet die rubriek gaan, er zijn bloggers uit Spanje, Ierland, Nederland, Brazilië, Italië, … Wie leest dat allemaal? Ik weet het ook niet altijd, maar voor Griekenland merk ik dat de lezers voornamelijk uit 3 categorieën komen: Belgen en Nederlanders in Griekenland, Filhelleense Belgen en Nederlanders in België of Nederland, en, dat was voor mij onverwacht, tweede-generatie Grieken in België en Nederland. Dit is natuurlijk niet de enige nederlandstalige blog over Griekenland, er zijn er veel meer; een veelgelezen en becommentarieerde blog is die van Bruno Tersago, mijn voorganger bij 'En Nu Even Elders'. 'Roosje' is de on-line identiteit van Dina Kalogrias, een tweede-generatie Griekse uit de Limburgse mijnstreek, die in haar reacties, zowel op deze blog als op die van Bruno Tersago, vaak uitgebreid en raak uit de hoek komt. “Als ze het dan toch allemaal zo goed weet”, dacht ik een tijdje geleden, “waarom leen ik haar dan niet voor enkele weken mijn forum uit, dan kan ze eens uitgebreid vertellen” . Vandaar het idee om Roosje middels een aantal bijdragen aan het woord te laten over 'de omgekeerde migratie', niet de Belgen in Griekenland, dus, maar de Grieken in België, en hoe dat zoal meevalt.

Vandaag de eerste bijdrage. De volgende bijdragen volgen in de loop van de komende dagen en weken. Daarna kom ik terug. Als ik nog mag...

----                  


De omgekeerde migratie’: tijd in woorden 


Bijdrage door Dina Kalogrias


TIJD IN WOORDEN

Schrijven is het voorbijgaan stopzetten

een enkel woord zegt niets

maar een verhaal vertelt wat de tijd gedaan heeft.”

(Willem Bosma)


Dit citaat kreeg ik ooit doorgestuurd van mijn zus, toen ik haar vertelde dat ik mijn vaders levensverhaal aan het uitschrijven was. De aanleiding daartoe was een schoolwerkje van mijn zoon. Hij moest namelijk een interview afnemen van “iemand waarvoor je respect hebt” en hij had daarvoor zijn papoe (‘παππού’ of ‘opa’ in het Grieks) uitgekozen. Ik was hierdoor aangenaam verrast en wilde graag ingaan op zijn vraag om te vertalen. (Papoe heeft zich het Nederlands nooit helemaal meester gemaakt, en mijn zoon het Grieks niet.) Het uitschrijven ervan kreeg echter een staartje, een lange staart… één avond werden drie avonden… een half jaar werkte ik aan het uitschrijven van het verhaal en de afwerking ervan. Gaandeweg ontdekte ik dat het een waardevol, mooi, bij momenten ontroerend, bij momenten spannend, boeiend, rijk levensverhaal was geworden. Het werd een ‘boek’, een persoonlijk boek, dat ontroert, aan het denken zet, leesplezier schenkt.


Tijdens het beluisteren van mijn vaders levensverhaal, hoorde ik flarden van verhalen die ik in het verleden wel eens had opgevangen, maar ook kwamen belevenissen en ervaringen naar boven waar ik nooit enig vermoeden van had gehad. En ik vroeg me af: wat weten kinderen eigenlijk over hun ouders? Kinderen blijven immer hun ouders als hun vader of moeder zien, duwen ze altijd in de ouderrol. En vergeten, of willen niet weten dat een ouder ooit géén ouder was, maar een eigen identiteit had, een eigen ik -persoonlijke ervaringen, eigen kinderjaren, onafhankelijke jeugdjaren, autonome gevoelens, op zichzelf bestaande gedachten-, kortom een eigen leven leidde. En dat die ouder dat verleden altijd meedraagt, dat dat verleden hem/haar maakt tot wat hij/zij is geworden en dus onvermijdelijk tot wat het kind zelf geworden is en nog verder zal worden. Realiseren kinderen zich dat?


In ons geval stelt deze vraag zich nog scherper: Grieken van de eerste generatie hebben de tweede wereldoorlog meegemaakt én de daaropvolgende burgeroorlog in eigen land; hun migratie naar een ver land kwam daar nog eens bovenop. Realiseren kinderen van Griekse afkomst zich dat?


Kinderen van migranten zijn fysiek afgesloten van hun geschiedenis, de enige link zijn hun ouders, en hun familie eventueel. Hoe kunnen zij iets van hun afkomst leren, anders dan door de verhalen van hun ouders, de manier van opvoeden, van denken, van leven?


Ik ben zo een kind, een dochter van Griekse immigranten. Niet geboren in Griekenland, maar in België, in Limburg. In Griekenland: de dochter van emigranten, in België: de dochter van immigranten. Daar bestaat zelfs een term voor: ‘Third Culture Kid’ (TCK) (http://en.wikipedia.org/wiki/Third_culture_kid). Want uiteindelijk ben ik geen emigrant en ook niet een immigrant, aangezien ik hier het levenslicht heb gezien.


Als TCK’s gingen wij mee naar de Griekse mis, maar vonden dat best leuk omdat we buiten mochten spelen en babbelen in de kerk. We gingen mee naar familiefeesten en Griekse avonden. Dat was evident. Net als ik het evident vond om me als puber daarvan los te maken, mijn eigen weg te gaan, mijn eigen leven uit te bouwen: ik zocht mijn eigen vriendenkring op, luisterde naar “Westerse” muziek, kwam in aanraking met dezelfde én andere waarden, ging naar fuiven, liep school in het katholiek onderwijs, groeide buitenshuis op in een Nederlandstalige, westerse cultuur, leerde Nederlandstalige poëzie en theater appreciëren, …


Pas als ruime dertiger stelde ik vast dat vrienden en kennissen eigenlijk al die jaren zo goed als niets afwisten van mijn roots en ging ik me meer vragen stellen over mijn Griekse wortels, kwam de sluimerende nood aan kennis over mijn afkomst naar boven, waardoor ik Griekse cultuur op een andere manier ontdekte en er een rijke wereld voor me open ging en nog steeds open blijft gaan. Het is een indrukwekkend avontuur doorheen de culturele en historische rijkdom, waardoor je alles beetje bij beetje beter gaat begrijpen en de puzzelstukjes langzaam maar zeker op z’n plaats komen te liggen.


Toen Hans derhalve zijn voorstel voor een bijdrage op zijn blog over de ‘omgekeerde migratie’ lanceerde, werd ik heen en weer geslingerd tussen een gevoelsmatige weerstand (ik ben immers geen ‘schrijver’) en de ratio die me zegt dat dit best wel een interessante invalshoek is voor een breder publiek.


Over de migratiegeschiedenis van de (Griekse) mijnwerkers in de Limburgse mijnstreek bestaan er genoeg geschiedkundige boeken en kan eenieder terecht op informatieve websites.

(Bijv.http://nl.wikipedia.org/wiki/Kempens_steenkoolbekken http://nl.wikipedia.org/wiki/Steenkool , http://users.skynet.be/spf/socio.htm#Steenkool http://openlibrary.org/b/OL2425163M/In_de_mijn_is_iedereen_zwart .)

Mijn vaders levensverhaal heeft me echter geleerd dat de orale overlevering van de belevenissen van de Grieken in de Limburgse mijnstreek cultureel maar ook sociaal, historisch en economisch erfgoed is. Dit mag niet verloren gaan!


Bovendien stopt de migratie niet bij die eerste generatie, al gaat men daar maar al te vaak van uit. Ze werkt door, tot de twee generatie, de derde... en gelukkig maar.  Vandaar dat de rede het uiteindelijk won van mijn twijfels.


In het kielzog van mijn vader(s levensverhaal) zal ik dan ook NIET ‘de geschiedenis van de (omgekeerde) migratie’ belichten, maar mijn praktijkervaringen delen als tweede-generatie-kind. Geen data, geen feitelijke gegevens, geen historische omkadering (de Griekse burgeroorlogen, de migratiegolven, de mijnen...); voor mij primeert de mens achter het verhaal. Daarom heb ik gekozen voor een persoonlijk verhaal; mijn persoonlijk verhaal, doorspekt met anekdotes en concrete voorvallen uit mijn jeugdjaren, bekeken vanuit de ogen van een migrantenkind: de subjectieve beleving als mijnwerkersdochter van een Griekse immigrant.


Misschien dat het de geïnteresseerde lezer een piepkleine meerwaarde biedt aan zijn kijk op het leven.


Dina Kalogrias



 

El menos malo

Zondag aanstaande zijn het hier presidentsverkiezingen in Costa Rica en dus begint de verkiezingskoorts intussen hoog op te lopen. Zeker nu in deze laatste weken werd en worden alle middelen ingezet. De strijd gaat voornamelijk tussen de kandidate van de regerende partij, Laura Chinchilla; de populistische en (extreem) rechtse Otto Guevarra; de centrum linkse Otton Solis en tenslotte Luis Fishman die last minute de plaats innam van de in een coruptiezaak een intussen veroordeelde ex-president.


Vooral deze laatste heeft wel een zeer unieke slogan! Hij is, zo luidt het, "el menos malo" of de minst slechte. Eigenaardig jezelf in een politieke strijd meteen tot de slechten te rekenen, zij het dan de beste of minst slechte! Volgens de laatste opiniepeilingen is dit echter niet wat de meeste Costaricanen denken. Maar we zullen moeten afwachten tot zondag om te weten welke "slechte" kandidaat de komende vier jaar het land zal leiden. 


 

In samenwerking met


Schrijf mee

Woont u in het buitenland? Wil u ook meeschrijven aan En Nu Even Elders? Stuur een e-mail naar weblog@standaard.be



Zoeken op deze blog