Wir haben es nicht gewusst - collaboratie binnen de kerk anno 2010

Hij vond het nodig te zeggen dat hij nog altijd jezuïet was. Ik bouwde een korte pauze in, en dacht even na over hoe het kwam dat ik nooit de behoefte had om iemand te vertellen dat ik schrijver ben. Misschien is mijn beroep minder sacraal, hoewel we beiden roeping nodig hebben. Misschien liggen onze initiële verwachtingen te ver uit elkaar, hij wil immers zielen redden, ik wil het hart raken. Behoeftes kunnen wel degelijk verschillen.

Toen de pauze lang genoeg geduurd had, onderbrak ik de ijlheid, bracht het niets terug naar iets, en vroeg of hij daar een probleem mee had, met jezuïet zijn, had gelukkig ook hij meteen begrepen.

“Meer en meer”, zei hij bijna fluisterend, “eigenlijk meer en meer.” Ik was die nederigheid niet gewoon, wou hem dat ook duidelijk maken, ik verkies een gesprekspartner op ooghoogte, onderdanigheid past niet bij de kerk. Hij was tien jaar jonger dan ik, dus biechturen genoeg om te weten hoe het leven loopt, toevallig in de stad, toevallig op de plaats waar ik me bevond, hoewel toeval in deze situatie waarschijnlijk onwaarschijnlijk is. Waar ik op dit moment aan werkte, vroeg hij om een tweede stilte te vermijden. Onder andere aan jezuïeten, zei ik zonder schroom en liet zijn blik niet los. Hij bloosde als een dertienjarige.

Hij begreep meteen wat voor hem lag, dat iets bijzonders op de handgeschreven bladzijde stond, het ging uiteindelijk ook een beetje over hem. Hij keek naar het grote A4 schrift met blauwe lijnen, naar de ondersteboven zinnen. Zo zag ook hij eruit, wat ondersteboven, op zoek naar de vaste blauwe voorgedrukte leidraad waaraan mijn nog twijfelende zinnen zich vastgrepen omdat ze anders verloren zouden gaan. Klad, het onvermijdelijke voorspel. Woorden hebben context nodig, anders riskeren ze snel te verglijden naar een bijeen gevaagd hoopje niets, onderaan de bladzijde, tot iemand de moeizaam verzamelde stelling als kruimels van het blad wegvaagt en onder de bank verspreidt tot morgen de kuisvrouw komt.

            Hij had het moeilijk het gesprek te vinden dat hij in het gezelschap van een toevallige landgenoot aaneen wou rijgen tot iets wat zin geeft. Zingeving is voor een jezuïet van levensbelang, maar als ergens de moed ontbreekt, de passie gestorven is, het leven eerder als last dan als lust genuttigd wordt, dan komt een dialoog maar moeizaam op gang. We gaven elkaar nochtans alle kans, en ik bestelde zijn tweede koffie.

Ik besliste om dan maar met Rik Torfs te beginnen. Torfs opent goed, zelfs bij een jonge jezuïet, ook met zijn jongste boek dat ik nog de laatste achttien bladzijden schuldig ben. Ik probeerde een opening en sprak over de nieuwe collaboratie. Hoe interessant het was dat Torfs collaboratie herdefinieerde en probeerde een dimensie te geven waarover moest worden nagedacht. En hoe ik dacht dat mocht hij het boek vandaag herschrijven, hij collaboratie in verband zou brengen met al die kerkelijke gezaghebbers die stilzwijgend gevallen van misbruik verschoven van de ene parochie naar de andere, van het ene college in de stad naar een congregatie op de buiten. Omdat daardoor het probleem verschoven werd, en misschien alles weer goed zou worden, of het daardoor toch minstens stil zou blijven.

Waar ik eigenlijk op aanstuurde, vroeg hij onschuldiger dan hij leek. Ik probeerde de situatie te schetsen door middel van een lezersbrief die ik diezelfde dag in een krant had gevonden: een man verklaarde dat zijn geliefde hem altijd een sms stuurde voor ze met iemand anders seks had, ‘I love you’, stond er telkens weer. Hij was niet verondersteld te weten waar of met wie ze de avond doorbracht. Hij wist het gewoon. Ze zocht in haar korte boodschap vroegtijdige vergeving. Of priesters misschien een kruisteken maakten voor ze zich vergrepen? Een snel kruisteken, als verzoek voor een even vroegtijdige vergeving? De lezersbrief kwam niet goed aan, dus ik herpakte me. Dat in bijna elk interview met verantwoordelijken van de kerkelijke hiërarchie te lezen valt dat de geïnterviewde van het systematisch misbruik in zijn parochie, college, klooster, jeugdorganisatie of andere vorm van ‘pedagogisch samenzijn’ niet op de hoogte was. En dat niet alleen de herinnering aan de vergelijkbare ‘verontschuldiging’ door Oostenrijkse en Duitse militairen na de Tweede Wereldoorlog hernieuwde woede veroorzaakt, de verontwaardiging is des te groter omdat dit voortdurende en onbestrafte, verstopte en verloochende misbruik in vredestijd door priesters werd bedreven. Hier kwam geen bruin-dictatoriale opdracht tot genocide, hier gaat het over een nieuwe vorm van collaboratie, dit keer gebouwd op geheimhouding en leugenachtig zwijgen, wegkijken en de horde beschermen.

Toen hij bleef zwijgen nam ik Torfs’ boek bij de hand en las hem een passage voor:

“Het merkwaardige, en misschien ook wel verschrikkelijke, van collaboratie is dat je niets hoeft te doen om vreselijk in de fout te gaan. Gewoon meedoen, uitvoeren, gehoorzaam zijn tot in het kleinste detail, is voldoende. De collaborateur (…) glijdt geruisloos de criminaliteit binnen door niets te doen. (…) Wie niet wil collaboreren, en tegelijk de moed mist om zich te verzetten, kan natuurlijk naar vluchtwegen op zoek gaan. Maar dat is nu juist het probleem: vluchten, het opzoeken van de luwte, het kiezen voor strikte neutraliteit, het bewust niet willen weten, is een houding die mogelijk door de beugel kan in een democratische samenleving in vredestijd, maar niet op momenten van wreedheid en schending van alles wat menselijk is. (…) Vanaf wanneer wordt het niet weten schuldig, wordt het collaboratie?”

Hij nipte aan zijn cappuccino en liet mijn ogen niet los zolang ik zelf aan het blad gekluisterd was. Ik zag ook dat hij constant knikte, alsof een euro viel die te lang was blijven steken. Een schrijver ziet dat, die heeft een derde oog voor de lezer, die weet wanneer iemand aan zijn lippen hangt, ook als hij iemand anders’ verhaal vertelt. Ik had het gevoel dat hij wist waar ik op aanstuurde, hij had dezelfde tekst gelezen, hij kende Torfs, echter zonder tot mijn conclusie te komen. Een jezuïet laat zich niet sturen, dacht ik zo, dus dan vergaat de behoefte om dat te proberen even snel als de nood om met hem ergens over te discussiëren. Wat te nauw aan de huid komt wordt afgeschud. “IHS”. Een logo, ‘a brand’, een teken dat ergens voor staat, anders hadden ze het niet uitgevonden. Een teken ondertussen voor velen verworden tot een brandmerk, en het was precies de schroom om het met hem daarover te hebben die aan de basis van de stiltes lag. Maar ik had tijd, en hij had nood. Lotgenoten onder mekaar. En beiden met respect voor Torfs, hoewel de hoogleraar nooit kon vermoeden dat een frisse tekst uit 2009 zo toepasselijk voor de onfrisse kerk van 2010 kon zijn, zoals mijn toevallige gesprekspartner woord na woord ontdekte.

Ik zei hem dat iedereen deze dagen op zoek is naar het causaal verband tussen celibaat, gesloten gemeenschappen, de periode tussen de jaren zestig en tachtig van de vorige eeuw, patriarchale opvoedingssystemen en geestelijken, en alles wat sinds meer dan een paar maanden de kranten vult. Eerst in de US, dan in Ierland, vervolgens in Duitsland en nu in Oostenrijk. Er lijkt geen einde aan te komen, daar waren we het beiden over eens. Misbruik maakt ons onwennig, we hebben de houding nog niet gevonden die erbij past, eerst komt de verontwaardiging, dan het gevoel van onpasselijkheid, vervolgens woede, dan haat. Te veel houding zou wijzen op begrip, en dat is in deze fase van het verzamelen van feiten zo niet ongepast, dan zeker te vroeg. Processen hebben hun eigen verloop.

        53.216 personen verlieten in 2009 de kerk in Oostenrijk. Officieel uitgetreden. Dat is 43,5% meer dan in 2008 toen priester Gerhard Maria Wagner werd voorgedragen als bisschop voor Linz, niettegenstaande zijn uitspraken over homoseksualiteit die volgens hem “geneesbaar” zou zijn. Dat bisschop Elmar Fischer zich bij dit standpunt aansloot en homoseksualiteit met “andere psychische ziekten” zoals alcoholisme vergeleek heeft dit uittredingsproces zeker versneld. En dat in 2008! In 2009 en 2010 gaat het over Kloster Neustifte in Brixen, het internaat van de Zisterzienserstift Wilhering, het Bregenzer jongensinternaat, klooster Mehrerau, het Regensburger Domspatzen-internaat, het Haus der Salesianen Don Boscos in Wenen, de Erzabtie St. Peter in Salzburg, de Wiener Sängerknaben… de lijst is nog maar een begin, de klachten zijn nog maar begonnen. De tsunami is nog in wording.

Hij had geen antwoord op mijn vraag waarom in Vlaanderen de hel nog niet is losgebarsten. Waarom de kranten alleen over het buitenland berichten en niet op zoek gaan naar wat in eigen land zou kunnen gebeurd zijn. Of zijn we echt zo anders?

            Hij had geen standpunt toen ik nogal gemeen vroeg of de moedermelk in Vlaanderen wat zuiverder is? Of we onze kinderen anders opvoeden, of onze ouders alerter en wantrouwiger waren over wat achter de gesloten deuren van onze scholen gaande was en daardoor deze schande bij ons vermeden werd? Of zijn we beter in het verdringen? Zijn onze priesters beter opgeleid, vond hij zichzelf beter voorbereid op zijn taak, was hij meer in het reine met zijn eigen seksualiteit dan zijn buitenlandse broeders? Selecteert de kerk in Vlaanderen alleen bewezen niet-kandidaat kinderschenders, of zijn we zo opgevoed dat niemand van ons ooit daarover zal spreken? Omdat we het voorrecht hadden te mogen studeren, deel uit te maken van de katholieke elite waarvan elk jaar opnieuw bewezen werd dat ze aan de universiteit de hoogste kansen had? Willen we onze Vlaamse elite niet in opspraak brengen? De lange lijst oud-studenten die de uitzonderlijke opvoeding genoten en dankzij een of ander college vandaag schitteren als coniferen binnen onze samenleving?

We kunnen toch de pedagogische impact niet verloochenen die de Vlaamse colleges hadden op mensen zoals Emile Verhaeren, Maurice Maeterlinck, Joris van Severen, August de Schryver, Marcel Strome, Jacques Rogge, Gerard Mortier, Philippe Herreweghe, Bert de Graeve, Geert Hoste, Marc Coucke, Vincent van Quikenborne, Sven Ornelis en ga zo maar door. Allemaal door de handen van jezuïeten gegaan, hopelijk alleen figuurlijk.

Als in Oostenrijk alleen meer dan 56.000 mensen de kerk verlieten in 2009, dan betekent dat wat. Want ze moeten daarvoor een niet eenvoudige procedure doorlopen waardoor op alle officiële documenten het betalend lidmaatschap van de kerk wordt geschrapt, en daardoor ook de kerkbijdrage van gemiddeld 100 euro wordt geannuleerd. De kerk verloor 5.600.000 euro aan bijdragen het voorbije jaar. Gesponsord misbruik geannuleerd.

Mijn toevallige gesprekspartner vond het wel onrechtvaardig dat alle berichtgeving zuiver op de kerk was toegespitst. Dat buiten de organisatie van de kerk minstens evenveel – zo niet meer – kindermishandeling en seksueel misbruik van jongeren plaatsvond. Een techniek als een andere, zeggen dat de misdaad ook door anderen werd bedreven vermindert natuurlijk het gewicht van de misdaad niet, maar wat kan hij anders zeggen? Wie kan met de gegevens hoe dan ook rationeel om? De slachtofferrol van het niet-geïsoleerde geval waarin hij zich probeerde te wentelen, is typisch en helpt soms, maar in dit geval was het een lafbekkerige verdraaiing van de realiteit. “Anderen ook!”, “we zijn niet alleen”, ze staan inderdaad niet alleen met hun problemen daar. Toen ik hem dat met zoveel woorden zei, met een ongehoorde vriendelijkheid en openheid, en eraan toevoegde dat er spijts zijn argument toch nog een onderscheid was, liet hij zich hulpeloos zakken, en dronk zijn glas water.

Het onderscheid moet gezocht worden in de bijzondere rol die de dienaars van God – dus ook hij – zichzelf hadden toebedeeld. In het morele gezag, de heilige missie die de kerk zich sinds eeuwen toevertrouwt, het maatschappelijk statuut van priesters en opvoeders, de bijna genootschappelijke onschendbaarheid die ze in stand proberen te houden. De kerk is in deze niet alleen dader, maar wil ook zelf de enige rechter zijn. De kerk had een tot voor kort hermetisch gesloten eigen geweten, hoewel ze zich als instituut en instantie steeds met het geweten van haar gelovigen heeft bemoeid. Zwijgen is in dit geval mededaderschap, collaboratie in de ergste vorm.

Ondertussen is beschreven hoe paus Benedikt XVI in 1980, tijdens zijn ambt als aartsbisschop in München, zelf instemde met de overplaatsing van een priester van Essen naar München die een elfjarige jongen seksueel had misbruikt. Dezelfde priester werd later wegens herhaling van delicten veroordeeld. Nee, paus zou niemand willen zijn, en een collaborerende paus nog minder. Maar aan feiten is niet te ontkomen, ook als de herinnering vervaagt.

Als leiders wankelen, struikelt het volk,” schrijft Torfs. We mogen dat ondertussen met een korrel zout corrigeren als: “Als het volk spreekt, wankelen de leiders.” Het is alleen nog de vraag wanneer in Vlaanderen eindelijk iemand  begint te spreken.

“Een kwestie van tijd,” zegt mijn landgenoot, en blijft graag nog even zitten. Ik ook. Een jezuïet en een ignost, beladen met eenzelfde probleem, in het buitenland bekommerd om wat thuis nog niet is begonnen. Wachtend op de eerste. Want statistiek is wel te verloochenen, vermijden kan men niet.

Wie knielt, verheft zich om wie niet knielt te vernederen,” citeer ik Torfs.

We beslisten beiden om voor niemand nog te knielen.

Roel Verschueren, Wenen 16 maart 2010 - www.verschueren.at



 

Onze jongen in Salzburg: Michael Dewitte

Er lopen deze dagen in Brugge nogal wat mensen ongelukkig rond, dat is met een paar Vlamingen in Wenen niet anders. Een overijverige jongen heeft voor commotie gezorgd, de gevolgen laten zich voelen.

En hoewel de Belgische pers op de toppen van haar tenen loopt en Michael Dewitte als casus uit de weg gaat, schreeuwt men in Oostenrijk van de daken hoe de reputatie van een prestigieus kultuurproject in Salzburg door onder andere een Vlaming de grond werd ingeboord. “Ik ben niet op de vlucht,” schreeuwt Dewitte, “ik moet in België een paar persoonlijke zaken afhandelen en ben ten laatste begin maart terug in Oostenrijk.” Alsof iemand anders dan de gerechtelijke instanties op zijn terugkeer zit te wachten. Verbrand, beschuldigd en verloren. Ze kunnen zich hier een paar dingen voorstellen van wat hij in België af te handelen heeft: druk overleg met financiële en juridische adviseurs, advocaten en diplomaten.

Dat de diplomatieke cel van het Ministerie van Buitenlandse Zaken in België met één en ander verveeld zit is duidelijk. De intendant van de Salzburger Osterfestspiele die in december werd ontslagen was ook ereconsul. Door de Koning benoemd. Met een bepaalde graad van immuniteit.

Dat tot vandaag de Belgische pers nog niet meer ruchtbaarheid heeft gegeven aan de heer Dewitte, heeft alles te maken met het feit dat één en ander moet worden uitgemest. Hij heeft namelijk, naast andere fouten die nog moeten bevestigd worden, een kapitale diplomatische fout begaan door het kantoor van zijn ere-consulaat in dezelfde ruimte onder te brengen van waaruit hij als directeur van het festival in Salzburg actief was.

Strafrechtdeskundige Christian Rosbaud van de Universiteit van Salzburg is duidelijk: “In overeenstemming met het Weens-consulaire verdrag zijn alleen ruimtes die uitsluitend voor consulaire doeleinden worden gebruikt beschermd tegen huiszoekingen." Het gevolg is dat ondertussen huiszoekingen aan de gang zijn waarbij het gerecht niet alleen inzage krijgt in de dossiers met betrekking tot eventuele fraude bij het Salzburgse festival, maar in alle dossiers die de ereconsul over zijn landgenoten in dezelfde ruimte heeft opgeslagen.

Wie belt naar het ere-consulaat in Salzburg wordt verzocht het consulaat in Wenen te contacteren. En dat de ereconsul nog andere zware schulden achterlaat is ondertussen ook bevestigd: op zijn huis in Elsbethen ligt nog een hypotheek van 1,16 miljoen Euro bij de Bawag bank. Uiteraard geldt het vermoeden van onschuld.  

Roel Verschueren, 11 februari 2010 – http://www.verschueren.at
 

Belgische ereconsul verdacht van fraude bij de Salzburgse “Osterfestspiele”

Een kandidaat ereconsul moet voldoen aan de volgende eigenschappen: blijk geven van rechtschapenheid, verbondenheid met België en goed geïntegreerd zijn in het lokale sociale milieu van het gastland. Allemaal kwaliteiten waaraan ereconsul in Salzburg Michaël Dewitte voldoet. “Voldeed” wordt in de Oostenrijkse pers geschreven, onmiddellijk gevolgd door de obligate zin: “Voor iedereen geldt het vermoeden van onschuld.”

Profil, News, Die Presse, Kurier, Der Standard… alle media smijten zich op het zoveelste schandaal dat Oostenrijk belaagt en de kritieken zijn niet mals, ook niet voor Dewitte, die in 1992 in het kielzog van Gerard Mortier als persoonlijk assistent van de intendant van het Salzburgse zomerfestival naar Oostenrijk trok.

Ondertussen werd hij administratief directeur van het Karajan-instituut en directeur van de prestigieuze “Osterfestspiele”.

Eind januari belandde bij de voorzitster van de Bondstaat Salzburg een audit van Audit Services Austria, die ze zelf in opdracht had gegeven en die leest als één lange aanklacht: Dewitte zou eigenmachtig zijn jaarsalaris van 117.000 euro regelmatig opgetrokken hebben zonder wettige overeenkomst en zich daarenboven nogal wat extra’s hebben toegeëigend zonder goedkeuring, noch overleg: 18.500 euro in 2001, tot 232.000 euro vorig jaar. In totaal zou hij de “Osterfestspiele” zo’n 1,2 miljoen euro lichter hebben gemaakt, met inbegrip van 5% provisie op sponsorgeld hoewel zijn arbeidsovereenkomst dit uitdrukkelijk verbiedt. Aldus de audit.

Dewitte verdedigt zich en stelt dat de Präsidialchef van Franz Schausberger, de toenmalige voorzitter van de Bondstaat, met deze extra’s zou hebben ingestemd.

Schausberger ziet dat anders: in 1996 werd het door Gerard Mortier opgerichte European Art Forum georganiseerd, een keer. In 2002 gingen stemmen op om het nog eens te organiseren. Tijdens een meeting met de toenmalige viceburgemeester van Salzburg, de christendemocraat Gollegger zat ook de Präsidialchef van het Bondsland aan tafel. Dewitte zou hem een papier onder de neus geschoven hebben, de beambte heeft het ondertekend. Met dit document wou Dewitte naast een honorarium van 35.000 euro ook een provisie van 5% per jaar op de sponsorgelden van het festival zeker stellen. “Dat was juridisch irrelevant, omdat het Kunstforum nooit meer heeft plaatsgevonden,” zegt Schausberger. “Dewitte heeft dus provisies op sponsorgelden gekregen die door niets of niemand waren goedgekeurd, en hij nam die provisies zelfs op sponsorbedragen die hij zelf niet had aangebracht.”

Ook toen de Amerikaan Donald Kahn een miljoen euro aan de “Osterfestspiele” schonk, eigende Dewitte zich – nog steeds volgens het auditverslag – 50.000 euro toe.

Het werd nog meer: toen de Russische sponsor Igor Videjaev 2,5 miljoen euro voor subsidie  voor jeugdwerking schonk (bedrag te betalen in schijven, jaarlijks tot 2018) eiste Dewitte in februari 2009 meteen zijn aandeel, ook op het nog niet uitbetaalde deel van het toegezegde bedrag. Vanuit “Art & Culture Consulting”, met residentie op Bélize, kwam de opdracht zijn provisie van 300.000 euro (12% van het bedrag) via een rekening in Cyprus over te maken.
De aanklacht is zwaarder dan dat en betreft tevens reisvergoedingen, salaris voor de echtgenote van Dewitte waarvoor nooit een contract werd ondertekend, enorme taxi-rekeningen…

De auditors van Deloitte en Ernst & Young die aangesteld zijn om de balansen van het festival te controleren lieten weten dat ze geen precieze audit-opdracht hadden gekregen, noch inzage in de boekhoudkundige stukken.
Daarop nam Gabi Burgsteller, voorzitster van het Bondsland Salzburg via een nieuwe audit het heft in handen, met alle gevolgen van dien.

Volgens een collega is Dewitte deze dagen onbereikbaar want op familiebezoek in België, en zou zijn huis in Salzburg te koop staan.

Onnodig te herhalen dat voor alle in dit artikel aangehaalde personen het vermoeden van de onschuld bestaat.

UPDATE:

De NY Times schrijft vanavond: “It involves non-existent companies and offshore bank accounts.” The announcement follows the dismissal in December of the festival’s executive director, Michael Dewitte, who is now being sought by the police on charges that he misused its funds and put its money into foreign bank accounts. Last week, The Independent said, the festival’s technical chief, Klaus Kretschmer, was found unconscious under a bridge in Salzburg, and is believed to have attempted suicide after being accused of charging the festival for non-existent services. Over all, the festival may have been defrauded of as much as $2.75 million.

Le Figaro schrijft vanavond: Les raisons de l'éviction de Michael Dewitte ? Déjouant le contrôle de gestion du festival, il se serait accordé des dépassements de salaire de 591 000 euros entre 2002 et 2009. Il aurait aussi touché des commissions illégales sur le sponsoring (50 000 euros sur la contribution d'un mécène américain et 300 000 sur celle d'un mécène russe). Ses remboursements de frais de transport et d'hébergement seraient passés de 33 000 euros en 2001-2002 à 91 000 euros en 2008-2009, sans justification apparente.

Die Zeit: http://www.zeit.de/kultur/2010-02/salzburger-festspiele-skandal

Onnodig te herhalen dat voor alle in dit artikel aangehaalde personen het vermoeden van de onschuld bestaat.

En niemand in België die een standpunt heeft?

Roel Verschueren, Wenen 9 februari 2010 – www.verschueren.at


 

Als Rik Torfs de passie preekt…

Ik hou van Rik Torfs. Ik heb het hier al vaker over hem gehad, in de zijlijn dan, want als hoofdonderwerp zorgt hij genoegzaam voor zichzelf. Elke week, in deze krant.

De heer Torfs heeft beslist niet meer mee te spelen in de slimste mens en dat siert hem. Het werd wat pijnlijk op de duur, spontane invallen kleven bij hem beter op papier dan in de ether. Hij heeft ook beslist niet in de politiek te gaan, dat siert hem nog meer, want hoeveel Heren kan men dienen zonder (geloof)-waardigheid te verliezen.

Nee, geef mij maar de professor columnist. Beheerste gevatheid, overdacht geformuleerde zinnen, af en toe een onderwerp dat boeit, dat is wat zijn roeping is, naast zijn andere natuurlijk.

Ik zat ook al een paar dagen op zijn jongste column te wachten, het is december en bijna kerst, de professor heeft het in deze heilige periode wel vaker over geloof. Context is alles. En de professor wordt – net als ik – een dagje ouder, dat blijkt uit de regelmatige verwijzingen naar vroeger, toen alles beter was, duidelijker en met minder twijfel, toen discussie werd vermeden en alles werd aangenomen omdat een hogere autoriteit het had gezegd. We zijn allemaal gevolg van onze opvoeding, of we daar gelukkig mee zijn of niet. Echte revolte is niet meer van deze tijd, gelukkig kunnen hij en ik er over schrijven, er moet geen bloed meer vloeien, onze inkt volstaat.

Maar de professor wordt naar het jaareinde wat moe. De pen schiet soms eens wat verder uit, de opgebouwde redenering wil niet sluiten, dan klinkt zelfs een professor wat meer simplistisch dan normaal. We nemen het hem niet kwalijk, schrijven is harde arbeid, inspiratie schaars en volgehouden gevatheid een vak.

Voor wie zijn jongste column (nog) niet gelezen heeft: warm aanbevolen. Het is een les in nostalgie, een zorgvuldig verstopt verdriet over de teloorgang van het Godsgeloof en een reductie van het spanningsveld tot een simpele indeling in geloven en niet geloven, herleid tot denken en niet meer denken. Voorzichtig als hij is omsluiert hij zijn verdriet met de nodige zalving, de professor wil niemand kwetsen, er zijn ook goede mensen die niet geloven. En omdat hij wat moe wordt gaat hij niet in op ontvoogding, emancipatie van gedachten en zelfstandige mensen die voor zichzelf willen denken, hij heeft het niet over geloven buiten het kader van zijn kerk, zonder dogma’s en de “onuitroeibare christelijke zakkerigheid”. Mooi woord, ‘zakkerigheid’ en toepasselijk ook. Hij gaat niet in op de oneindige lijst van eigenlijke en feitelijke redenen van het geloofsverlies, op ontgoocheling in de kerk, op de twijfelachtige reputatie van sommige van Gods dienaars, op de dagelijks waarneembare intolerantie die de gelovigen uit Gods kerk verdrijft. Hij vermijdt te schrijven dat ongelovigen zo worden genoemd omdat er gelovigen zijn. Wie heeft het woord uitgevonden?

Nee, hij maakt het zich iets gemakkelijker.

Hij vergelijkt het verlies van geloof met het verlies van de liefde, ik begrijp het beeld wel, niet de intellectuele oneerlijkheid die er achter schuil gaat. Hij groepeert alle ongelovigen veilig geschaard achter de maatschappelijke mainstream van niet denkende burgers alsof ze met hun niet geloven een gemakzuchtige oplossing hebben gezocht, ergens willen bij horen zolang het maar niet tot het katholicisme is.

De vrije mens heeft ondertussen begrepen dat geloven niet langer een plicht is maar een recht. Iets wat niet geloven altijd al is geweest.

Roel Verschueren, Wenen 10 december 2009

 

Het is de vraag die telt...

Voor het eerst in mijn leven vroeg me iemand hoe ik daar mee omga.

Het was dan nog een priester, een man uit Portugal, die ik vijf jaar geleden kort gekend heb toen mijn dochter werd gedoopt. Zijn Duits was toen zo twijfelachtig als het mijne. Hij woont een paar straten verder, had geen probleem om met mij te praten hoewel hij wist dat ik met doopsels en alles wat daarop volgt nogal wat problemen heb. Hij had – tegen elke Oostenrijkse kerkregel in – geen probleem om een meisje van een paar maand oud te dopen omdat het voor haar moeder zo belangrijk was. En voor de familie van haar moeder. Hij wou vooral weten waarom de vader die daar niet achterstond er toch had mee ingestemd. Ik heb hem dat toen uitgelegd. Dat duurt drie minuten als mensen elkaar willen begrijpen.

Het was hij die me vroeg hoe ik met de komende weken klaarkom. Hoe ik het hele kerstverhaal, het kerstkind, de stal en de geschenken, de kaarsjes, de heisa en het gezang, de liturgie en de klokken, de late kerstboom op 24 december kan verdragen die – nog altijd volgens hem – voor mij de hel moeten zijn.

Ik zei hem dat dat ook zo is. Dat voor mij deze week de hel losbreekt. Dat niets, maar dan ook niets van alles wat vanaf nu zo noodzakelijk gepland en georganiseerd moet worden ook maar iets met mij te maken heeft. Dat ik toekijk zoals een aap naar een zieke koe. Hij vond de vergelijking grappig.

Dat ik dit alles onderga uit respect, uit de ingebakken overtuiging dat iedereen alles beleven mag zoals die denkt dat beleefd moet worden.

“Ook als het gevolg is dat je uitgesloten wordt?”

“Ik kan me wegcijferen,” zei ik nogal moedig.

Hij zag dat moedig ook emotioneel geladen kan zijn. Dat moedige mensen soms zichzelf uitsluiten omwille van anderen en alleen achterblijven, hoogstens met wat weggelachen begrip, maar nooit omdat ze volledig begrepen worden.

Hij was de eerste die me vroeg hoe ik daarmee omga. Een Portugees priester in Wenen, die even het inzicht had dat tolerantie in deze periode misschien wel mooier is dan de periode zelf.

Roel Verschueren, Wenen 9 december 2009


 

Onbarmhartige Samaritanen...

Ik vind de vergelijking onmenselijk cynisch en denigrerend, vooral als die komt van iemand die de situatie misbruikt. Hij noemt het een vorm van straatprostitutie, maar dan (bijna) uitsluitend door mannen bedreven.

Het zijn hoofdzakelijk Polen, Serviërs en Roemenen die van ’s morgens vroeg bij minder dan 3° Celsius verkleumd rond de bouwmarkten hangen, in de hoop letterlijk te worden opgepikt door een klant. Vijf euro per uur verdienen ze, af en toe, niet elke dag is een goede dag. Het zijn huisvaders die hun gezinnen achterlieten in hun dorpen, in de stille hoop in de ‘grote stad’ die Wenen is, in het ‘welvarende land’ dat Oostenrijk is in twee weken de 500 euro zwart te verdienen waar de familie thuis twee maanden kan mee overleven. Zwart, omdat de arbeidsvergunning ontbreekt.

Dat de Polen al heel vroeg in de morgen schnaps drinken om de kou te verdrijven stoort de Roemenen niet. Die spelen een of ander bordspel om de tijd te doden, de verveling en de kou te bekampen tot een klein busje stopt. Dan draait de bestuurder het raam rechts open, steekt eerst drie vingers in de lucht, werk voor drie mannen, dan vijf voor vijf uren werk, en dan nog eens vijf, vijf euro per uur. ‘Metsers’ roept hij.

Wie het eerst in het busje springt heeft de job. Ze rijden weg zonder te praten, zonder te weten waarheen. Misschien naar een werf in een afgelegen district van waar ze na het werk meer dan een uur moeten terug wandelen om ergens te kunnen overnachten waar niemand weet dat ze er overnachten.

Arbeidsprostitutie. Het zal wel van alle tijden zijn, het zal wel levensnoodzakelijk zijn, voor hun plezier staan deze mannen niet aan de bouwmarkt op straat, vaak dagen of weken zonder werk, wachtend op een busje en een stukje van de koek.

Dat diezelfde welstellende opdrachtgever dan ’s avonds naar huis rijdt, naar de warmte van zijn gezin, en zelf op de zwartwerkers meer heeft verdiend dan de mannen zelf, stoort hem niet. En dat hij aan tafel, met vrienden bij een glas bier oeverloos en schaamteloos zit te klagen over hoe zijn mooie land vervuild wordt door al die illegale migranten, vindt hij ook normaal.

Op kerstavond zit hij uitgedost met zijn gezin in de kerk en koopt zich via het offerblok op de kap van zijn medemens een geweten.

Roel Verschueren, Wenen 7 december 2009


 

Alles is mogelijk

"Weet je, Sinterklaas is geen beroep."

"Aha, wat is het dan wel?"

"Men is zo geboren, het kerstkind ook. Dat is ook geen beroep. Men is eenvoudig zo geboren of niet."

"Oké."

"Sinterklaas bijvoorbeeld, ja?, wel die is geboren zoals hij is."

"Dus zoals hij er nu uitziet?"

"Zoals hij is, hij is gewoon zo geboren. Kijk, die van vandaag in de kindertuin had bijvoorbeeld een bril. Dat heb ik nog nooit gezien, juist?, sinterklaas met een bril? Wel die is met zijn bril geboren."

"En met zijn baard ook?"

Ze laat mijn hand los, het wordt donker. Ze twijfelt en kijkt omhoog, op zoek naar mijn gezicht.

"Ik wil niet dat jij vragen stelt terwijl ik aan het vertellen bent. Dan weet ik niet meer wat ik aan het vertellen was."

Stilte.

"Papa?"

"Ja schat."

"Heb jij in Wenen ooit een kerstkind gezien dat met een bril geboren is?"

"Tot vandaag niet, maar je weet maar nooit."

"Ja, want alles is mogelijk, toch?"

"Ja schat, alles is mogelijk."


Roel Verschueren, Wenen 4 december 2009


 

De schoolfoto

zonder commentaar...

David ©















Roel Verschueren, Wenen 2 december 2009


 

State of the Union in Wenen

180px-Werner_Faymann_Wien08-2008a Wat doe je als Bondskanselier als je na een jaar besturen het volk toespreekt? Hangt ervan af hoe je als belangrijkste politicus van het land hebt gepresteerd, zou ik zo zeggen.

Dat het crisis is weet iedereen, dat die in hoofdzaak met ongebreidelde beursgeilheid in de USA te maken heeft zegt iedereen. Dus dat de Bondskanselier dat ook doet kan hem niet verweten worden.

Dat de steunpakketten voor banken en bedrijven die op springen stonden nodig waren kan hij bewijzen, evengoed als bewezen is dat ze waarschijnlijk nog niet voldoende waren.

Dat het Oostenrijk minder slecht gaat dan andere Europese landen moet hij niet bewijzen, dat is een algemeen bejubeld en in stand gehouden politiek dogma waarvan zelfs de burger zich niet laat afbrengen.

Dat Oostenrijk succesvol begonnen is aan de sanering van haar sociale zekerheid is een feit, laat begonnen en veel verloren, maar de aanzet is daar.

Dat in Oostenrijk de jeugdwerkloosheid een van de laagste is binnen de 27 landen van Europa is een even groot feit, dat als bewijs genomen wordt voor hoe goed de een jaar jonge regering Faymann het heeft gedaan.

Hofburg Toen hij vanmorgen om tien uur in de imposante Hofburg zijn "State of the Union" bracht luisterden duizend vooraf geselecteerde genodigden aandachtig toe. Want de partij van hun Bondskanselier verliest vijf verkiezingen op rij en de man wordt een te zachte, te minzame aanpak verweten die als teller boven de noemer van de besluiteloosheid en het angstig vermijden van conflicten staat.

De obligate Bondspresident, de kardinaal en andere voor Oostenrijk zo belangrijke hoogwaardigheidsbekleders waren in de minderheid. Veel jongeren, uit alle lagen van de bevolking en origine, veel diplomaten, vertegenwoordigers van andere geloofsbelijdenissen, gewone mensen uit de andere bondslanden, pers, studenten. En ze luisterden allemaal alsof voor hen een zopas nieuw verkozen kanselier stond die nog alle krediet verdient en hoop wekt. Ik stond er bij en ik keek ernaar.

Wat Faymann vanmorgen echter heeft gepresteerd zal zijn volgende drie jaren regeren sterk beïnvloeden: hij stond er als een echt staatsman, sterk en met veel zelfvertrouwen, met een ontzettend verfrissende schijnbaar uit de hand voorgedragen verklaring, origineel gebracht en creatief dialectisch opgebouwd. De vertegenwoordigers van de Oostenrijkse samenleving hingen aan zijn lippen, je zou voorwaar vergeten hoe ze hun Bondskanselier de afgelopen twaalf maanden verguisden en belachelijk hebben gemaakt. Wie hem voor deze aanpak geadviseerd heeft zullen we nooit weten, ze hebben Oostenrijk alvast meer dan een uur lang een andere kanselier voorgeschoteld, een kanselier die hij tot op vandaag niet was.

Mocht dat morgen ook nog zo zijn, dan is er iets veranderd, dan heeft conflictbeheersing gewerkt, verzoening zin en politiek opnieuw een heel klein beetje aan geloofwaardigheid gewonnen. Iets waar Oostenrijk hoogdringend nood aan heeft.

En dat is precies het probleem in dit land. Terwijl ze uitgenodigd zijn, fraai uitgedost deelnemen, elkaar begroeten en omarmen omdat ze er bij mogen zijn, lof spreken enkele seconden na de rede en elkaar verdringen op weg naar het buffet waar ze het glas zullen heffen en de warmte van het samenzijn genieten, broeden reeds de gedachten die een half uur later naar buiten zullen wandelen: saai, te braaf, al het slechte komt van buiten, maar laten we lief zijn voor elkaar, het gaat ons - Oostenrijkers - toch goed. Vooral geen ruzie, discussiëren doet pijn, en wij doen elkaar geen pijn. Het leven is mooi, spijts wat tegenslagen, maar we slaan ons hier allen - Gemeinsam - wel door.

Of hoe een goed gebrachte State of the Union beperkte impact heeft als de vorm en stijl de inhoud overtroeft.

Roel Verschueren, Wenen 2 december 2009


 

Pril en geil... a Dutchman in Gent

Ik was een weekendje in Gent. Gent is altijd verfrissend, vooral als eind november alle straten opengebroken liggen en het zo hard regent en waait dat vele toeristen met heel veel moeite en duidelijke spijt over de vooruit betaalde citytrip hun regenscherm proberen in te halen.

Het koppel dat naast me zat in De Maegd van Ghent was duidelijk even fris als Hollands, en zat met de knieën verstrengeld op twee hoge barkrukken Corona te drinken. Dat kan in dit café niet aan een gebrek aan keuze liggen, het Mexicaanse bier in Belgische handen kan dan wel lekker zijn, een alternatief voor onze Duvel, Leffe, Westmalle en enkele honderd andere echte Belgische bieren is het op een druilerige avond zoals deze niet. Maar wat exotisch is voor onze noorderbuur moet niet noodzakelijk exotisch zijn voor ons, zij zijn al blij in Gent te zijn, het buitenland ligt soms dichtbij.

Ik speurde die prille onwennigheid tussen twee mensen die nog op zoek zijn naar de bevestiging dat ze wel bij elkaar zouden kunnen passen, de 'voorwaardelijkheid' zit nog als derde persoon bij hen aan tafel, aftasten is een subtiel spel van geven en nemen, van testen en getest worden, in de wetenschap dat beiden hetzelfde doen. De glimlach als reactie is eerder afwachtende bescherming, een blijk van hoop dat vertrouwen zich stilaan mag nestelen waardoor de 'voorwaardelijkheid' opstaat en naar buiten gaat.

Ik zag wel dat het haar stoorde, dat constant op en weer wippen met zijn linkerbeen, onbedwingbare zenuwen verworden tot een tic.

Ze deden het echter goed, ook na de derde Corona en wat strelen over en weer en spijts het feit dat hij af en toe een stukje droge snot bekeek dat hij zorgvuldig uit zijn neus had gedraaid.

Ik had hoop, hier zat een potentieel paar verliefd te worden, zin na zin, blik na blik, vingertoppen kunnen vliegen als het moet. De zijne toch, bijna alle twee minuten over de toetsen van zijn gsm, wanneer het schermpje oplichtte en een schriel gepiep door de grijze lucht van het café sneed.

Het was echter toen Hans, de wat klein uitgevallen Nederlander, iets tegen Marijke zei wat ik niet kon verstaan dat de betovering plots verbroken leek. Marijke stond rustig recht, stopte haar gsm en pakje sigaretten in een kleine handtas, dronk haar flesje Corona met schijfje limoen in een slok leeg, trok haar minirok wat naar beneden en stapte op.

Hans bleef zitten, alsof hij daar de ganse avond al alleen had gezeten.

Of ik dat nu begreep? vroeg hij wat verveeld. Ik antwoordde dat ik niet had gevolgd wat gaande was.

“Gewoon omdat ik haar vroeg of ik een filmpje van haar mocht maken, een geil, in haar blootje op de kamer van ons hotel!” zei hij nogal verontwaardigd. En na een paar slokken bier sloot hij af met “Preutse kut!”

Ik was wel zeker dat Marijke gelijk had op te stappen en dat ze het ruimschoots zou overleven, dus ging ik haar niet achterna. Iets waartoe ik af en toe nogal de neiging heb. Dat ze ergens anders zou slapen dan gepland wist ik wel zeker. Pril en geil pasten voor haar vanavond niet zo samen.

Ik bestelde een “Mort Subite” voor Hans voor ik naar buiten ging en legde nog pasgeld toe voor een tweede. Je moet mannen die afgewezen worden en niet begrijpen waarom soms een handje toesteken.

Roel Verschueren, Wenen 30 november 2009


 

In samenwerking met


Schrijf mee

Woont u in het buitenland? Wil u ook meeschrijven aan En Nu Even Elders? Stuur een e-mail naar weblog@standaard.be



Zoeken op deze blog