Hij vond het nodig
te zeggen dat hij nog altijd jezuïet was. Ik bouwde een korte pauze in, en
dacht even na over hoe het kwam dat ik nooit de behoefte had om iemand te
vertellen dat ik schrijver ben. Misschien is mijn beroep minder sacraal, hoewel
we beiden roeping nodig hebben. Misschien liggen onze initiële verwachtingen te
ver uit elkaar, hij wil immers zielen redden, ik wil het hart raken. Behoeftes
kunnen wel degelijk verschillen.
Toen de pauze lang
genoeg geduurd had, onderbrak ik de ijlheid, bracht het niets terug naar iets,
en vroeg of hij daar een probleem mee had, met jezuïet zijn, had gelukkig ook
hij meteen begrepen.
“Meer en meer”, zei
hij bijna fluisterend, “eigenlijk meer en meer.” Ik was die nederigheid niet
gewoon, wou hem dat ook duidelijk maken, ik verkies een gesprekspartner op ooghoogte,
onderdanigheid past niet bij de kerk. Hij was tien jaar
jonger dan ik, dus biechturen genoeg om te weten hoe het leven loopt, toevallig
in de stad, toevallig op de plaats waar ik me bevond, hoewel toeval in deze
situatie waarschijnlijk onwaarschijnlijk is. Waar ik op dit
moment aan werkte, vroeg hij om een tweede stilte te vermijden. Onder andere aan jezuïeten, zei
ik zonder schroom en liet zijn blik niet los. Hij bloosde als een
dertienjarige.
Hij
begreep meteen wat voor hem lag, dat iets bijzonders op de handgeschreven
bladzijde stond, het ging uiteindelijk ook een beetje over hem. Hij keek naar
het grote A4 schrift met blauwe lijnen, naar de ondersteboven zinnen. Zo zag
ook hij eruit, wat ondersteboven, op zoek naar de vaste blauwe voorgedrukte
leidraad waaraan mijn nog twijfelende zinnen zich vastgrepen omdat ze anders
verloren zouden gaan. Klad, het onvermijdelijke voorspel. Woorden hebben context
nodig, anders riskeren ze snel te verglijden naar een bijeen gevaagd hoopje
niets, onderaan de bladzijde, tot iemand de moeizaam verzamelde stelling als
kruimels van het blad wegvaagt en onder de bank verspreidt tot morgen de
kuisvrouw komt.
Hij had het
moeilijk het gesprek te vinden dat hij in het gezelschap van een toevallige
landgenoot aaneen wou rijgen tot iets wat zin geeft. Zingeving is voor een
jezuïet van levensbelang, maar als ergens de moed ontbreekt, de passie
gestorven is, het leven eerder als last dan als lust genuttigd wordt, dan komt
een dialoog maar moeizaam op gang. We gaven elkaar nochtans alle kans, en ik
bestelde zijn tweede koffie.
Ik
besliste om dan maar met Rik Torfs te beginnen. Torfs opent goed, zelfs bij een
jonge jezuïet, ook met zijn jongste boek dat ik nog de laatste achttien
bladzijden schuldig ben. Ik probeerde een opening en sprak over de nieuwe
collaboratie. Hoe interessant het was dat Torfs collaboratie herdefinieerde en probeerde
een dimensie te geven waarover moest worden nagedacht. En hoe ik dacht dat
mocht hij het boek vandaag herschrijven, hij collaboratie in verband zou
brengen met al die kerkelijke gezaghebbers die stilzwijgend gevallen van
misbruik verschoven van de ene parochie naar de andere, van het ene college in
de stad naar een congregatie op de buiten. Omdat daardoor het probleem
verschoven werd, en misschien alles weer goed zou worden, of het daardoor toch
minstens stil zou blijven.
Waar
ik eigenlijk op aanstuurde, vroeg hij onschuldiger dan hij leek. Ik probeerde
de situatie te schetsen door middel van een lezersbrief die ik diezelfde dag in
een krant had gevonden: een man verklaarde dat zijn geliefde hem altijd een sms
stuurde voor ze met iemand anders seks had, ‘I love you’, stond er telkens
weer. Hij was niet verondersteld te weten waar of met wie ze de avond doorbracht. Hij wist het gewoon. Ze zocht in haar korte boodschap vroegtijdige
vergeving. Of priesters misschien een kruisteken maakten voor ze zich
vergrepen? Een snel kruisteken, als verzoek voor een even vroegtijdige vergeving?
De lezersbrief kwam niet goed aan, dus ik herpakte me. Dat in bijna elk
interview met verantwoordelijken van de kerkelijke hiërarchie te lezen valt dat
de geïnterviewde van het systematisch misbruik in zijn parochie, college,
klooster, jeugdorganisatie of andere vorm van ‘pedagogisch samenzijn’ niet op
de hoogte was. En dat niet alleen de herinnering aan de vergelijkbare
‘verontschuldiging’ door Oostenrijkse en Duitse militairen na de Tweede
Wereldoorlog hernieuwde woede veroorzaakt, de verontwaardiging is des te groter
omdat dit voortdurende en onbestrafte, verstopte en verloochende misbruik in
vredestijd door priesters werd bedreven. Hier kwam geen bruin-dictatoriale
opdracht tot genocide, hier gaat het over een nieuwe vorm van collaboratie, dit
keer gebouwd op geheimhouding en leugenachtig zwijgen, wegkijken en de horde
beschermen.
Toen hij bleef
zwijgen nam ik Torfs’ boek bij de hand en las hem een passage voor:
“Het merkwaardige, en misschien ook wel verschrikkelijke,
van collaboratie is dat je niets hoeft te doen om vreselijk in de fout te gaan.
Gewoon meedoen, uitvoeren, gehoorzaam zijn tot in het kleinste detail, is
voldoende. De collaborateur (…) glijdt geruisloos de criminaliteit binnen door
niets te doen. (…) Wie niet wil collaboreren, en tegelijk de moed mist om zich
te verzetten, kan natuurlijk naar vluchtwegen op zoek gaan. Maar dat is nu
juist het probleem: vluchten, het opzoeken van de luwte, het kiezen voor
strikte neutraliteit, het bewust niet willen weten, is een houding die mogelijk
door de beugel kan in een democratische samenleving in vredestijd, maar niet op
momenten van wreedheid en schending van alles wat menselijk is. (…) Vanaf
wanneer wordt het niet weten schuldig, wordt het collaboratie?”
Hij nipte aan zijn cappuccino en liet mijn ogen niet los zolang ik zelf aan het
blad gekluisterd was. Ik zag ook dat hij constant knikte, alsof een euro viel
die te lang was blijven steken. Een schrijver ziet dat, die heeft een derde oog
voor de lezer, die weet wanneer iemand aan zijn lippen hangt, ook als hij
iemand anders’ verhaal vertelt. Ik had het gevoel dat hij wist waar ik op
aanstuurde, hij had dezelfde tekst gelezen, hij kende Torfs, echter zonder tot
mijn conclusie te komen. Een jezuïet laat zich niet sturen, dacht ik zo, dus
dan vergaat de behoefte om dat te proberen even snel als de nood om met hem
ergens over te discussiëren. Wat te nauw aan de huid komt wordt afgeschud. “IHS”.
Een logo, ‘a brand’, een teken dat ergens voor staat, anders hadden ze het niet
uitgevonden. Een teken ondertussen voor velen verworden tot een brandmerk, en
het was precies de schroom om het met hem daarover te hebben die aan de basis
van de stiltes lag. Maar ik had tijd, en hij had nood. Lotgenoten onder mekaar.
En beiden met respect voor Torfs, hoewel de hoogleraar nooit kon vermoeden dat
een frisse tekst uit 2009 zo toepasselijk voor de onfrisse kerk van 2010 kon zijn,
zoals mijn toevallige gesprekspartner woord na woord ontdekte.
Ik
zei hem dat iedereen deze dagen op zoek is naar het causaal verband tussen
celibaat, gesloten gemeenschappen, de periode tussen de jaren zestig en tachtig
van de vorige eeuw, patriarchale opvoedingssystemen en geestelijken, en alles wat
sinds meer dan een paar maanden de kranten vult. Eerst in de US, dan in
Ierland, vervolgens in Duitsland en nu in Oostenrijk. Er lijkt geen einde aan
te komen, daar waren we het beiden over eens. Misbruik maakt ons onwennig, we
hebben de houding nog niet gevonden die erbij past, eerst komt de
verontwaardiging, dan het gevoel van onpasselijkheid, vervolgens woede, dan
haat. Te veel houding zou wijzen op begrip, en dat is in deze fase van het verzamelen van feiten zo niet ongepast, dan zeker te vroeg. Processen hebben hun
eigen verloop.
53.216 personen
verlieten in 2009 de kerk in Oostenrijk. Officieel uitgetreden. Dat is 43,5%
meer dan in 2008 toen priester Gerhard Maria Wagner werd voorgedragen als
bisschop voor Linz, niettegenstaande zijn uitspraken over homoseksualiteit die
volgens hem “geneesbaar” zou zijn. Dat bisschop Elmar Fischer zich bij dit
standpunt aansloot en homoseksualiteit met “andere psychische ziekten” zoals
alcoholisme vergeleek heeft dit uittredingsproces zeker versneld. En dat in 2008!
In 2009 en 2010 gaat het over Kloster Neustifte in Brixen, het internaat van de
Zisterzienserstift Wilhering, het Bregenzer jongensinternaat, klooster
Mehrerau, het Regensburger Domspatzen-internaat, het Haus der Salesianen Don
Boscos in Wenen, de Erzabtie St. Peter in Salzburg, de Wiener Sängerknaben… de
lijst is nog maar een begin, de klachten zijn nog maar begonnen. De tsunami is
nog in wording.
Hij
had geen antwoord op mijn vraag waarom in Vlaanderen de hel nog niet is
losgebarsten. Waarom de kranten alleen over het buitenland berichten en niet op
zoek gaan naar wat in eigen land zou kunnen gebeurd zijn. Of zijn we echt zo
anders?
Hij had geen
standpunt toen ik nogal gemeen vroeg of de moedermelk in Vlaanderen wat
zuiverder is? Of we onze kinderen anders opvoeden, of onze ouders alerter en
wantrouwiger waren over wat achter de gesloten deuren van onze scholen gaande
was en daardoor deze schande bij ons vermeden werd? Of zijn we beter in het
verdringen? Zijn onze priesters beter opgeleid, vond hij zichzelf beter
voorbereid op zijn taak, was hij meer in het reine met zijn eigen seksualiteit
dan zijn buitenlandse broeders? Selecteert de kerk in Vlaanderen alleen bewezen
niet-kandidaat kinderschenders, of zijn we zo opgevoed dat niemand van ons ooit
daarover zal spreken? Omdat we het voorrecht hadden te mogen studeren, deel uit
te maken van de katholieke elite waarvan elk jaar opnieuw bewezen werd dat ze
aan de universiteit de hoogste kansen had? Willen we onze
Vlaamse elite niet in opspraak brengen? De lange lijst oud-studenten die de uitzonderlijke
opvoeding genoten en dankzij een of ander college vandaag schitteren als
coniferen binnen onze samenleving?
We kunnen toch de
pedagogische impact niet verloochenen die de Vlaamse colleges hadden op mensen
zoals Emile Verhaeren, Maurice Maeterlinck, Joris van Severen, August de
Schryver, Marcel Strome, Jacques Rogge, Gerard Mortier, Philippe Herreweghe,
Bert de Graeve, Geert Hoste, Marc Coucke, Vincent van Quikenborne, Sven Ornelis
en ga zo maar door. Allemaal door de handen van jezuïeten gegaan, hopelijk alleen
figuurlijk.
Als
in Oostenrijk alleen meer dan 56.000 mensen de kerk verlieten in 2009, dan
betekent dat wat. Want ze moeten daarvoor een niet eenvoudige procedure
doorlopen waardoor op alle officiële documenten het betalend lidmaatschap van
de kerk wordt geschrapt, en daardoor ook de kerkbijdrage van gemiddeld 100 euro
wordt geannuleerd. De kerk verloor 5.600.000 euro aan bijdragen het voorbije
jaar. Gesponsord misbruik geannuleerd.
Mijn
toevallige gesprekspartner vond het wel onrechtvaardig dat alle berichtgeving
zuiver op de kerk was toegespitst. Dat buiten de organisatie van de kerk
minstens evenveel – zo niet meer – kindermishandeling en seksueel misbruik van
jongeren plaatsvond. Een techniek als een andere, zeggen dat de misdaad ook
door anderen werd bedreven vermindert natuurlijk het gewicht van de misdaad
niet, maar wat kan hij anders zeggen? Wie kan met de gegevens hoe dan ook
rationeel om? De slachtofferrol van het niet-geïsoleerde geval waarin hij zich
probeerde te wentelen, is typisch en helpt soms, maar in dit geval was het een lafbekkerige
verdraaiing van de realiteit. “Anderen ook!”, “we zijn niet alleen”, ze staan
inderdaad niet alleen met hun problemen daar. Toen ik hem dat met zoveel
woorden zei, met een ongehoorde vriendelijkheid en openheid, en eraan toevoegde
dat er spijts zijn argument toch nog een onderscheid was, liet hij zich
hulpeloos zakken, en dronk zijn glas water.
Het onderscheid moet
gezocht worden in de bijzondere rol die de dienaars van God – dus ook hij –
zichzelf hadden toebedeeld. In het morele gezag, de heilige missie die de kerk
zich sinds eeuwen toevertrouwt, het maatschappelijk statuut van priesters en
opvoeders, de bijna genootschappelijke onschendbaarheid die ze in stand proberen
te houden. De kerk is in deze niet alleen dader, maar wil ook zelf de enige rechter zijn. De kerk had een tot voor kort hermetisch
gesloten eigen geweten, hoewel ze zich als instituut en instantie steeds met
het geweten van haar gelovigen heeft bemoeid. Zwijgen is in dit geval
mededaderschap, collaboratie in de ergste vorm.
Ondertussen is
beschreven hoe paus Benedikt XVI in 1980, tijdens zijn ambt als aartsbisschop
in München, zelf instemde met de overplaatsing van een priester van Essen naar
München die een elfjarige jongen seksueel had misbruikt. Dezelfde priester werd
later wegens herhaling van delicten veroordeeld. Nee, paus zou niemand willen
zijn, en een collaborerende paus nog minder. Maar aan feiten is niet te
ontkomen, ook als de herinnering vervaagt.
“Als leiders
wankelen, struikelt het volk,” schrijft Torfs. We mogen dat ondertussen met een
korrel zout corrigeren als: “Als het volk spreekt, wankelen de leiders.” Het is
alleen nog de vraag wanneer in Vlaanderen eindelijk iemand begint te spreken.
“Een kwestie van
tijd,” zegt mijn landgenoot, en blijft graag nog even zitten. Ik ook. Een jezuïet
en een ignost, beladen met eenzelfde probleem, in het buitenland bekommerd om
wat thuis nog niet is begonnen. Wachtend op de eerste. Want statistiek is wel te verloochenen,
vermijden kan men niet.
“Wie knielt,
verheft zich om wie niet knielt te vernederen,” citeer ik Torfs.
We beslisten beiden
om voor niemand nog te knielen.
Roel Verschueren, Wenen 16 maart 2010 - www.verschueren.at