Wir haben es nicht gewusst - collaboratie binnen de kerk anno 2010

  • Gepost op dinsdag 16 maart 2010 om 11:00
  • door Roel Verschueren
  • in Oostenrijk

Hij vond het nodig te zeggen dat hij nog altijd jezuïet was. Ik bouwde een korte pauze in, en dacht even na over hoe het kwam dat ik nooit de behoefte had om iemand te vertellen dat ik schrijver ben. Misschien is mijn beroep minder sacraal, hoewel we beiden roeping nodig hebben. Misschien liggen onze initiële verwachtingen te ver uit elkaar, hij wil immers zielen redden, ik wil het hart raken. Behoeftes kunnen wel degelijk verschillen.

Toen de pauze lang genoeg geduurd had, onderbrak ik de ijlheid, bracht het niets terug naar iets, en vroeg of hij daar een probleem mee had, met jezuïet zijn, had gelukkig ook hij meteen begrepen.

“Meer en meer”, zei hij bijna fluisterend, “eigenlijk meer en meer.” Ik was die nederigheid niet gewoon, wou hem dat ook duidelijk maken, ik verkies een gesprekspartner op ooghoogte, onderdanigheid past niet bij de kerk. Hij was tien jaar jonger dan ik, dus biechturen genoeg om te weten hoe het leven loopt, toevallig in de stad, toevallig op de plaats waar ik me bevond, hoewel toeval in deze situatie waarschijnlijk onwaarschijnlijk is. Waar ik op dit moment aan werkte, vroeg hij om een tweede stilte te vermijden. Onder andere aan jezuïeten, zei ik zonder schroom en liet zijn blik niet los. Hij bloosde als een dertienjarige.

Hij begreep meteen wat voor hem lag, dat iets bijzonders op de handgeschreven bladzijde stond, het ging uiteindelijk ook een beetje over hem. Hij keek naar het grote A4 schrift met blauwe lijnen, naar de ondersteboven zinnen. Zo zag ook hij eruit, wat ondersteboven, op zoek naar de vaste blauwe voorgedrukte leidraad waaraan mijn nog twijfelende zinnen zich vastgrepen omdat ze anders verloren zouden gaan. Klad, het onvermijdelijke voorspel. Woorden hebben context nodig, anders riskeren ze snel te verglijden naar een bijeen gevaagd hoopje niets, onderaan de bladzijde, tot iemand de moeizaam verzamelde stelling als kruimels van het blad wegvaagt en onder de bank verspreidt tot morgen de kuisvrouw komt.

            Hij had het moeilijk het gesprek te vinden dat hij in het gezelschap van een toevallige landgenoot aaneen wou rijgen tot iets wat zin geeft. Zingeving is voor een jezuïet van levensbelang, maar als ergens de moed ontbreekt, de passie gestorven is, het leven eerder als last dan als lust genuttigd wordt, dan komt een dialoog maar moeizaam op gang. We gaven elkaar nochtans alle kans, en ik bestelde zijn tweede koffie.

Ik besliste om dan maar met Rik Torfs te beginnen. Torfs opent goed, zelfs bij een jonge jezuïet, ook met zijn jongste boek dat ik nog de laatste achttien bladzijden schuldig ben. Ik probeerde een opening en sprak over de nieuwe collaboratie. Hoe interessant het was dat Torfs collaboratie herdefinieerde en probeerde een dimensie te geven waarover moest worden nagedacht. En hoe ik dacht dat mocht hij het boek vandaag herschrijven, hij collaboratie in verband zou brengen met al die kerkelijke gezaghebbers die stilzwijgend gevallen van misbruik verschoven van de ene parochie naar de andere, van het ene college in de stad naar een congregatie op de buiten. Omdat daardoor het probleem verschoven werd, en misschien alles weer goed zou worden, of het daardoor toch minstens stil zou blijven.

Waar ik eigenlijk op aanstuurde, vroeg hij onschuldiger dan hij leek. Ik probeerde de situatie te schetsen door middel van een lezersbrief die ik diezelfde dag in een krant had gevonden: een man verklaarde dat zijn geliefde hem altijd een sms stuurde voor ze met iemand anders seks had, ‘I love you’, stond er telkens weer. Hij was niet verondersteld te weten waar of met wie ze de avond doorbracht. Hij wist het gewoon. Ze zocht in haar korte boodschap vroegtijdige vergeving. Of priesters misschien een kruisteken maakten voor ze zich vergrepen? Een snel kruisteken, als verzoek voor een even vroegtijdige vergeving? De lezersbrief kwam niet goed aan, dus ik herpakte me. Dat in bijna elk interview met verantwoordelijken van de kerkelijke hiërarchie te lezen valt dat de geïnterviewde van het systematisch misbruik in zijn parochie, college, klooster, jeugdorganisatie of andere vorm van ‘pedagogisch samenzijn’ niet op de hoogte was. En dat niet alleen de herinnering aan de vergelijkbare ‘verontschuldiging’ door Oostenrijkse en Duitse militairen na de Tweede Wereldoorlog hernieuwde woede veroorzaakt, de verontwaardiging is des te groter omdat dit voortdurende en onbestrafte, verstopte en verloochende misbruik in vredestijd door priesters werd bedreven. Hier kwam geen bruin-dictatoriale opdracht tot genocide, hier gaat het over een nieuwe vorm van collaboratie, dit keer gebouwd op geheimhouding en leugenachtig zwijgen, wegkijken en de horde beschermen.

Toen hij bleef zwijgen nam ik Torfs’ boek bij de hand en las hem een passage voor:

“Het merkwaardige, en misschien ook wel verschrikkelijke, van collaboratie is dat je niets hoeft te doen om vreselijk in de fout te gaan. Gewoon meedoen, uitvoeren, gehoorzaam zijn tot in het kleinste detail, is voldoende. De collaborateur (…) glijdt geruisloos de criminaliteit binnen door niets te doen. (…) Wie niet wil collaboreren, en tegelijk de moed mist om zich te verzetten, kan natuurlijk naar vluchtwegen op zoek gaan. Maar dat is nu juist het probleem: vluchten, het opzoeken van de luwte, het kiezen voor strikte neutraliteit, het bewust niet willen weten, is een houding die mogelijk door de beugel kan in een democratische samenleving in vredestijd, maar niet op momenten van wreedheid en schending van alles wat menselijk is. (…) Vanaf wanneer wordt het niet weten schuldig, wordt het collaboratie?”

Hij nipte aan zijn cappuccino en liet mijn ogen niet los zolang ik zelf aan het blad gekluisterd was. Ik zag ook dat hij constant knikte, alsof een euro viel die te lang was blijven steken. Een schrijver ziet dat, die heeft een derde oog voor de lezer, die weet wanneer iemand aan zijn lippen hangt, ook als hij iemand anders’ verhaal vertelt. Ik had het gevoel dat hij wist waar ik op aanstuurde, hij had dezelfde tekst gelezen, hij kende Torfs, echter zonder tot mijn conclusie te komen. Een jezuïet laat zich niet sturen, dacht ik zo, dus dan vergaat de behoefte om dat te proberen even snel als de nood om met hem ergens over te discussiëren. Wat te nauw aan de huid komt wordt afgeschud. “IHS”. Een logo, ‘a brand’, een teken dat ergens voor staat, anders hadden ze het niet uitgevonden. Een teken ondertussen voor velen verworden tot een brandmerk, en het was precies de schroom om het met hem daarover te hebben die aan de basis van de stiltes lag. Maar ik had tijd, en hij had nood. Lotgenoten onder mekaar. En beiden met respect voor Torfs, hoewel de hoogleraar nooit kon vermoeden dat een frisse tekst uit 2009 zo toepasselijk voor de onfrisse kerk van 2010 kon zijn, zoals mijn toevallige gesprekspartner woord na woord ontdekte.

Ik zei hem dat iedereen deze dagen op zoek is naar het causaal verband tussen celibaat, gesloten gemeenschappen, de periode tussen de jaren zestig en tachtig van de vorige eeuw, patriarchale opvoedingssystemen en geestelijken, en alles wat sinds meer dan een paar maanden de kranten vult. Eerst in de US, dan in Ierland, vervolgens in Duitsland en nu in Oostenrijk. Er lijkt geen einde aan te komen, daar waren we het beiden over eens. Misbruik maakt ons onwennig, we hebben de houding nog niet gevonden die erbij past, eerst komt de verontwaardiging, dan het gevoel van onpasselijkheid, vervolgens woede, dan haat. Te veel houding zou wijzen op begrip, en dat is in deze fase van het verzamelen van feiten zo niet ongepast, dan zeker te vroeg. Processen hebben hun eigen verloop.

        53.216 personen verlieten in 2009 de kerk in Oostenrijk. Officieel uitgetreden. Dat is 43,5% meer dan in 2008 toen priester Gerhard Maria Wagner werd voorgedragen als bisschop voor Linz, niettegenstaande zijn uitspraken over homoseksualiteit die volgens hem “geneesbaar” zou zijn. Dat bisschop Elmar Fischer zich bij dit standpunt aansloot en homoseksualiteit met “andere psychische ziekten” zoals alcoholisme vergeleek heeft dit uittredingsproces zeker versneld. En dat in 2008! In 2009 en 2010 gaat het over Kloster Neustifte in Brixen, het internaat van de Zisterzienserstift Wilhering, het Bregenzer jongensinternaat, klooster Mehrerau, het Regensburger Domspatzen-internaat, het Haus der Salesianen Don Boscos in Wenen, de Erzabtie St. Peter in Salzburg, de Wiener Sängerknaben… de lijst is nog maar een begin, de klachten zijn nog maar begonnen. De tsunami is nog in wording.

Hij had geen antwoord op mijn vraag waarom in Vlaanderen de hel nog niet is losgebarsten. Waarom de kranten alleen over het buitenland berichten en niet op zoek gaan naar wat in eigen land zou kunnen gebeurd zijn. Of zijn we echt zo anders?

            Hij had geen standpunt toen ik nogal gemeen vroeg of de moedermelk in Vlaanderen wat zuiverder is? Of we onze kinderen anders opvoeden, of onze ouders alerter en wantrouwiger waren over wat achter de gesloten deuren van onze scholen gaande was en daardoor deze schande bij ons vermeden werd? Of zijn we beter in het verdringen? Zijn onze priesters beter opgeleid, vond hij zichzelf beter voorbereid op zijn taak, was hij meer in het reine met zijn eigen seksualiteit dan zijn buitenlandse broeders? Selecteert de kerk in Vlaanderen alleen bewezen niet-kandidaat kinderschenders, of zijn we zo opgevoed dat niemand van ons ooit daarover zal spreken? Omdat we het voorrecht hadden te mogen studeren, deel uit te maken van de katholieke elite waarvan elk jaar opnieuw bewezen werd dat ze aan de universiteit de hoogste kansen had? Willen we onze Vlaamse elite niet in opspraak brengen? De lange lijst oud-studenten die de uitzonderlijke opvoeding genoten en dankzij een of ander college vandaag schitteren als coniferen binnen onze samenleving?

We kunnen toch de pedagogische impact niet verloochenen die de Vlaamse colleges hadden op mensen zoals Emile Verhaeren, Maurice Maeterlinck, Joris van Severen, August de Schryver, Marcel Strome, Jacques Rogge, Gerard Mortier, Philippe Herreweghe, Bert de Graeve, Geert Hoste, Marc Coucke, Vincent van Quikenborne, Sven Ornelis en ga zo maar door. Allemaal door de handen van jezuïeten gegaan, hopelijk alleen figuurlijk.

Als in Oostenrijk alleen meer dan 56.000 mensen de kerk verlieten in 2009, dan betekent dat wat. Want ze moeten daarvoor een niet eenvoudige procedure doorlopen waardoor op alle officiële documenten het betalend lidmaatschap van de kerk wordt geschrapt, en daardoor ook de kerkbijdrage van gemiddeld 100 euro wordt geannuleerd. De kerk verloor 5.600.000 euro aan bijdragen het voorbije jaar. Gesponsord misbruik geannuleerd.

Mijn toevallige gesprekspartner vond het wel onrechtvaardig dat alle berichtgeving zuiver op de kerk was toegespitst. Dat buiten de organisatie van de kerk minstens evenveel – zo niet meer – kindermishandeling en seksueel misbruik van jongeren plaatsvond. Een techniek als een andere, zeggen dat de misdaad ook door anderen werd bedreven vermindert natuurlijk het gewicht van de misdaad niet, maar wat kan hij anders zeggen? Wie kan met de gegevens hoe dan ook rationeel om? De slachtofferrol van het niet-geïsoleerde geval waarin hij zich probeerde te wentelen, is typisch en helpt soms, maar in dit geval was het een lafbekkerige verdraaiing van de realiteit. “Anderen ook!”, “we zijn niet alleen”, ze staan inderdaad niet alleen met hun problemen daar. Toen ik hem dat met zoveel woorden zei, met een ongehoorde vriendelijkheid en openheid, en eraan toevoegde dat er spijts zijn argument toch nog een onderscheid was, liet hij zich hulpeloos zakken, en dronk zijn glas water.

Het onderscheid moet gezocht worden in de bijzondere rol die de dienaars van God – dus ook hij – zichzelf hadden toebedeeld. In het morele gezag, de heilige missie die de kerk zich sinds eeuwen toevertrouwt, het maatschappelijk statuut van priesters en opvoeders, de bijna genootschappelijke onschendbaarheid die ze in stand proberen te houden. De kerk is in deze niet alleen dader, maar wil ook zelf de enige rechter zijn. De kerk had een tot voor kort hermetisch gesloten eigen geweten, hoewel ze zich als instituut en instantie steeds met het geweten van haar gelovigen heeft bemoeid. Zwijgen is in dit geval mededaderschap, collaboratie in de ergste vorm.

Ondertussen is beschreven hoe paus Benedikt XVI in 1980, tijdens zijn ambt als aartsbisschop in München, zelf instemde met de overplaatsing van een priester van Essen naar München die een elfjarige jongen seksueel had misbruikt. Dezelfde priester werd later wegens herhaling van delicten veroordeeld. Nee, paus zou niemand willen zijn, en een collaborerende paus nog minder. Maar aan feiten is niet te ontkomen, ook als de herinnering vervaagt.

Als leiders wankelen, struikelt het volk,” schrijft Torfs. We mogen dat ondertussen met een korrel zout corrigeren als: “Als het volk spreekt, wankelen de leiders.” Het is alleen nog de vraag wanneer in Vlaanderen eindelijk iemand  begint te spreken.

“Een kwestie van tijd,” zegt mijn landgenoot, en blijft graag nog even zitten. Ik ook. Een jezuïet en een ignost, beladen met eenzelfde probleem, in het buitenland bekommerd om wat thuis nog niet is begonnen. Wachtend op de eerste. Want statistiek is wel te verloochenen, vermijden kan men niet.

Wie knielt, verheft zich om wie niet knielt te vernederen,” citeer ik Torfs.

We beslisten beiden om voor niemand nog te knielen.

Roel Verschueren, Wenen 16 maart 2010 - www.verschueren.at



 

Reacties

De reacties op dit bericht zijn afgesloten.


In samenwerking met


Schrijf mee

Woont u in het buitenland? Wil u ook meeschrijven aan En Nu Even Elders? Stuur een e-mail naar weblog@standaard.be



Zoeken op deze blog