Sus Domesticus

Sus Domesticus, het huis-, tuin- en keukenvarken dat in zijn hedendaagse versie wel eens als Gandaham of ribbekes op uw bord durft te eindigen, heeft, hier in het zuiden van Andalucia zo een kleine vijfduizend jaar geleden zijn eerste sporen achtergelaten, met name in de Cueva de Nerja.

De Cueva de Nerja (de grot van Nerja) werd exact 50 jaar geleden bij toeval ontdekt en is één van de belangrijkste prehistorische grotten van Spanje. In verschillende zalen zijn de "traditionele" tekens, afbeeldingen van handen en tekeningen van dieren gevonden. Archeologen hebben tot 17 bewoningslagen gerepertoriëerd, de oudste dateert van zo een 25.000 jaar geleden, de jongste van zo een 3500 jaar geleden. In één van de meest recente lagen (van zo een een 5000 jaar geleden) zijn dus resten van beenderen van Sus gevonden, de eerste sporen van domesticatie van het varken in deze contreien. De Cueva de Nerja is te bezoeken. Niet alle zalen zijn voor het publiek toegankelijk, maar één van de zalen is zo indrukwekkend groot dat er klassieke concerten of flamenco-festivals in doorgaan. Nerja zelf, een kustplaatsje dat 50 jaar geleden nog een armzalig regionaal centrumetje van de zoete aardappelteelt was, is intussen één van die nieuwe Engelse kolonies op Europees grondgebied geworden.

Sus domesticus van zijn kant, heeft de reis door vijfduizend jaar Andalusische geschiedenis goed doorstaan, heeft ook de moorse tussentijd overleefd, en eindigt sinds 1492 ook hier regelmatig als jamon op één of ander bord. Het blijft voor vele noorderlingen een vreemd wat hilarisch fenomeen: de hespen hangen hier nog steeds bij tientallen in de (echte) Spaanse bars en bij honderden in de supermarkten. Het geven van een hesp als kerst- of nieuwjaarsgeschenk is en blijft een klassieker en de supermarkten hebben in deze periode speciale stands waar de hespen, becommentariëerd, geproefd en (na verkoop) netjes in feestpapier verpakt worden. De duurste hespen van de beste soort, de bellotas, gingen tot vorig jaar aan een 110euro per kilo over de toonbank (a rato van 7 - 8 kg per hesp).  De bellota varkens hebben de laatste zes maand van hun leven een eikel-dieet achter de rug (bellota = eikel): je vindt hen dan ook vrijwel altijd, vrijuit rondlopend en rustig knorrend, op de uitgestrekte kurkeikdomeinen van Huelva, Sevilla en het zuiden van Extremadura. De bellota produktie was vorig jaar goed voor een 800.000 stuks, de iberico kwaliteit (afgezien van de bellotas) was goed voor een 3.800.000 stuks, van de serrano kwaliteit werden er een 15.000.000 geproduceerd en van de curado, de laagste kwaliteit, een 20.000.000 stuks (deel steeds door 2 als je wil weten hoeveel Sus-sen naar de eeuwige jachtvelden werden gestuurd). Een overproduktie (hoe kan het anders in Spanje ?) heeft voor een ineenstorting van de prijzen gezorgd: de hespen van de geringste kwaliteit gaan van de hand voor een 50-60euro per stuk (niet per kilo !), boek je een reis, je krijgt een hesp, open je een bankrekening, je krijgt een hesp, etc etc.; de produktie van bellotas is op het zelfde niveau gebleven en de belotta lijkt enigszins te weerstaan aan de prijsdruk. Het weze hoe dan ook duidelijk dat toekomstige archeologen niet vreemd zullen opkijken over de aanwezigheid van Sus-resten tussen Spaanse restanten van rond 2000 na Christus.

Op de Fiesta de los Verdiales zal er wel een paar kilos jamon-tapas door de kelen gejaagd zijn. Het jaarlijkse festival van deze zeer oude zang en muziek had plaats op Onnozele Kinderen (Santos Inocentes) in Malaga. Helaas regende het festival uit. Het is een zeer warme en zeer lange zomer en nazomer geweest, maar sinds vorige week is het zover: regen, regen, regen, du jamais vu, op één week is in de provincie Malaga genoeg water verzameld voor de consumptie van anderhalf jaar. Sommige stuwdammen bereikten zelfs hun veiligheidsniveau en moesten hun sluizen openen om uit te storten in de zee. De weg waarlangs Lagabella ligt en die twee dorpen verbindt is 24 uur lang afgesneden geweest omwille van aardverschuivingen. En met een grote glimlach gaf de malagueense schepen van feestelijkheden deze week toestemming tot een botellon (alcohol drinken op straat) voor de nacht van 31 december: er wordt zodanig veel regen voorspeld dat je al echt zeer dronken moet zijn om op straat te willen (voort?)drinken. Hopelijk wordt januari beter...

Hasta el año proximo. Un saludo cordial!

links: www.cuevadenerja.es , www.verdiales.net (inclusief youtube link)


 

Kerst in de tropen

ChristmaslightsVermits men in Latijns Amerika erg gelovig is, is Kerstmis ongetwijfeld een van de belangrijkste dagen van het jaar. Maar naast de religieuse betekenis is er natuurlijk vooral het samenzijn, de pakjes openen en het overvloedige eten. De kerstdecoratie is daar natuurlijk een onmisbaar gedeelte van dit alles. Elk jaar, al reeds in September, beginnen de buren hun huizen en voortuinen te versieren met een overdreven hoeveelheid lichtjes, levensgrote kerststallen en opblaasbare kerstmannen. Zelfs een plastieke sneeuwman met een bordje “let it snow” staat hier onder menige palmboom. Dit opschrift zal hier echter wel een onmogelijke droom blijven. Zelfs op de Chirripo, Costa Rica’s hoogste bergtop (3820 m.b.z.) sneeuwt het nooit. Op kerstavond gaat men hier dan ook niet gezellig samenzitten rond het haardvuur, maar in de tuin rond de Barbecue, terwijl de temperatuur ver de 30 graden overstijgt. Het is even wennen als je uit Vlaanderen hier komt wonen. Eens te meer als ik op kerstdag met de familie mee moet op de jaarlijkse uitstap naar het strand.  


 

EDWARD SCHILLEBEECKX EN MARCUS BAKKER

Het is in de Kerst- en Nieuwjaarsperiode telkens weer spannend welke bekende Nederlander vlak voor Kerstmis het tijdelijke voor het eeuwige wil verruilen. Die overlijdens krijgen dan in deze komkommertijd alle aandacht. Dit jaar viel die eer de communistische politicus Marcus Bakker (86) en de katholieke theoloog en dominicaan Edward Schillebeeckx (95) te beurt. Echter, noch Schillebeeckx, noch Bakker behoorden tot het gilde van de beroemdheden uit de roddelbladen. Ze verschilden beiden qua opvattingen nogal hemelsbreed van elkaar. Wat ze wél gemeenschappelijk hadden was de manier waarop ze dachten dat het menselijk geluk binnen handbereik kon komen. Schillebeeckx wilde dat met een godsrelatie verwezenlijken, Bakker in een socialistische samenleving.

Eerst Schillebeeckx. Over hem weet ik zo goed als niets. Maar toen ik de overlijdensadvertentie van Schillebeeckx bestudeerde viel me de naam van ene Ben Vocking op. Deze laatste is het actuele opperhoofd van de Nederlandse dominicanenorde. Ergens midden in de jaren 1970 heb ik deze Ben Vocking ooit voor het blad Jeugdwerk Nu, waarvoor ik toen incidenteel hand- en spandiensten verrichtte, geïnterviewd. Vocking was toen pas landelijk directeur van een katholieke koepelorganisatie voor vormingswerk geworden en wilde daarom zijn persoon graag exposeren. Een routineklus dus. Uitgenodigd in een appartement in de troosteloze wijk Overvecht in Utrecht kreeg ik van Ben Vocking te horen dat hij uit een “beslist goede en katholieke familie” stamde. Alom gerespecteerd in Utrecht en omgeving dus. En dat hij zich daar ook nog eens terdege van bewust was. Vandaar zijn inzet voor de verworpenen der aarde. Hij had tevens van elke luxe afstand gedaan door in een “levensgemeenschap” te gaan wonen. Ze bewoonden dus met zijn drieën dat appartement. Het beeld dat na het interview beklijfde, dat was er eentje van een man met grote donkere en zelfs indringende ogen onder een al vroeg grijs geworden haardos. Een jonge dertiger. Meer kon ik er alsnog niet van maken. Want de persoon Vocking ging schuil achter gepantserde praatjes. Later kwam ik te weten dat hij een dominicaan was die met nog een andere dominicaan en ook een dominicanesse samenwoonde. Stond de laatste soms in voor de pappot van de twee mannen? Over die “beslist goede familie” vernam ik dat ze in de Utrechtse winkels een ambachtelijk gemaakte leverworst legde. Die leverworst, althans het merk, bestaat overigens nog.

Nu Marcus Bakker. Hij zat lange jaren in de Tweede Kamer, alwaar hij zich tot een gevreesde debater had opgewerkt. Zeg maar een man met een scherpe tong en een nog veel scherpere opmerkingsgave. Dat alles ging gepaard met vooral snerende beeldspraak. Een minister die naast zijn schoenen wilde lopen, die mocht dat tot zijn schande ook meteen vernemen. Bij Bakker was er geen leverworst in het geding, wél een kleinburgerlijke afkomst. Dat niet-proletarisch euvel had hij al zeer jong door zijn verzetsverleden en zijn onvoorwaardelijke trouw aan partijleider Paul de Groot gecompenseerd. Dat laatste heeft ooit een smet op zijn reputatie geworpen, maar zijn populariteit in eigen kring allerminst geschaad. Hij was immers ook een aimabele man die zelf niet graag naast zijn schoenen wilde lopen.

Marcus Bakker behaalde zijn grootste successen in de jaren 1980 bij het mobiliseren van de bevolking – dus buiten de eigen partij – tegen de plaatsing van de Amerikaanse kruisraketten. Dat gebeurde in relatie met het Interkerkelijk Vredesberaad (IKV). Bakker mocht daardoor overal in den lande optreden, tot in de meest veraf gelegen parochiezaaltjes aan toe. En zo kwam het dat Marcus Bakker op een avond optrad in het zaaltje van de Nederlands Hervormde Kerk in mijn woonplaats Maarssen.

Het was er die avond rokerig stampvol. Niet alleen met wat plaatselijke communisten, maar ook en vooral met dorpsbewoners van alle gezindten. Als ze moesten kiezen, dan zagen ze nog liever een Rus dan een kruisraket in hun achtertuin logeren. Het was immers toen al geweten dat die Amerikaanse kruisraketten niet altijd op dezelfde basis zouden geparkeerd staan, maar op vrachtwagens geladen regelmatig het hele land doorkruisen. Om minder kwetsbaar te zijn zouden die vrachtwagens ook door de dorpen karren. Dit waanzinnige plan bracht uiteraard zelfs de welgestelde bewoners van de villawijken in het geweer. Vandaar de grote opkomst die avond in de parochiezaal in Maarssen.

Toen Marcus Bakker na zijn geslaagde spreekbeurt zijn boeltje wilde pakken, werd hij ineens vanuit de zaal door iemand in lokaal dialect brutaal aangesproken. Een man riep dat “de kleine man altijd het slachtoffer is van welke politiek dan ook”. Bakker raakte in opperste verwarring. De attente voorzitter siste meteen: “Marcus! De patatboer!” Bakker, niet op zijn bek gevallen, stak meteen een tirade af over een multinational als Unilever die door de hoge prijs voor een emmer mayonaise de kleine middenstander uitknijpt. En dat daarom de middenstanders, boeren, arbeiders, etc. in één antimonopolistische coalitie onder leiding van de communisten tegen het grootkapitaal moesten optrekken. De “patatboer” was echter door dit verhaal geenszins bekeerd en beet nog heftiger van zich af. Want hij had inmiddels al een lokale afdeling van de rechtse Centrum-Democraten opgericht. Overigens, met deze “patatboer” is het nooit iets geworden. Zijn eenmanslijst bij de volgende gemeenteraadsverkiezingen behaalde maar een handvol stemmen. Zijn reputatie als “patatboer” leed er pas echt onder toen hij op een dag door de politie werd aangesproken op vermeende pedofiele praktijken. Hij schonk aan een kind wel eens een “patatje” gratis weg! Of de mayonaise dan ook “pakte” is niet geweten. De lokale pers heeft die zaak toen niet verder uitgespit. De pedofiel was toen nog een "kindervriend".


 

WINTERWEER BIJ HET SPOOR

Wat de mensen de laatste week nog het meeste bezig hield was niet zo zeer of er na 23 jaar weer een “Witte Kerst” zou komen, maar hoe men de heersende sneeuwellende zou overleven. Er was al ruim vóór de Kerst een flink pak sneeuw gevallen. Geblokkeerde reizigers op stations en luchthaven of fileleed op de snelwegen haalden prominent de kranten en het televisienieuws. De spoorreizigers werd aangeraden om thuis te blijven. De veldbedden van het Rode Kruis moesten soelaas bieden daar waar dat ’s nachts nodig was.

Daarom pakten de spoorwegen uit met een noodregeling. Alleen stoptreinen zouden nog rijden en natuurlijk werd iedereen ontraden om nog met de trein op pad te gaan. Het regende daarna in de media klachten over zo veel lankmoedigheid. In de buurlanden bleken de spoorwegen immers veel minder last van de winterse ellende te hebben. De roemruchte Deutsche Bahn liet de sneltreinen wél klokvast rijden. Op die kritiek hadden de Nederlandse Spoorwegen en spoorbeheerder ProRail al snel een paraat antwoord op. Nederland heeft immers het drukst bereden spoorwegnet ter wereld! Een paar “bevroren wissels” kan daardoor meteen een onbeschrijfelijke chaos veroorzaken.

Vanuit het Parlement stegen weer kritische stemmen op. De regering had immers als beleid om per jaar het aantal spoorreizigers met 5 procent te laten stijgen. Wat de spoorwegen nu deden was het verkeerde signaal afgeven. De belangenverenigingen van spoorreizigers eisten schadevergoeding voor wie een abonnement had. Daar dachten de spoorwegen niet aan. Was dit niet een duidelijke kwestie van overmacht? Als zoethoudertje werd daarom overal op de stations gratis koffie verstrekt. Overal? Ja, daar waar nog koffiestalletjes te vinden waren. Want op de meeste stations ontbreekt die voorziening. Toch schalde dat bericht over gratis koffie ook op de onbemensde stations door de luidsprekers. Je hoort wel eens over dictatoriaal geregeerde landen waar men vanuit luidsprekers…

Zoals altijd werd het nu een kwestie van zwartepieten. ProRail meende dat slechts een minimaal aantal wissels was bevroren. Statistisch dus een te verwaarlozen feit. Men kan toch niet meer met de hand die wissels omgooien. De wissels worden nu ofwel elektrisch, ofwel met een gaskachel verwarmd. Snelle reparatie is echter moeilijk, omdat door de files de gemotoriseerde hulpploeg altijd erg laat arriveert. En de roestige treinstellen die met bevroren deuren kampen? Die zijn nog niet vervangen doordat de regering geen forse tariefsverhogingen wil toestaan. De regering zegt dan weer dat ze door de privatisering alleen nog maar iets over de “randvoorwaarden” rond tarieven en dienstverlening te vertellen heeft, niet over de bedrijfsvoering bij het spoor.

Dat goed en stipt openbaar vervoer in een dicht bewoond land met vele steden en grote dienstverlenende bedrijven een must is, daar is iedereen het over eens. Maar men maakt zich wel liever druk over de vele files die de werknemer in een “leasebak” veel tijd en geld doen verliezen. Rekeningrijden dan maar? Jawel, maar ministers hebben op dat plan al hun tanden stukgebeten, dus dat rekeningrijden is nog niet voor overmorgen. Als niemand wil betalen voor goed openbaar vervoer, dan moet dus alles maar bij het oude blijven. En daar ziet het voorlopig ook naar uit.

 

De filosofen bij het spoor menen nu te weten dat men het ongemak van een toevallige sneeuwbui er maar bij moet nemen. Dat is veel goedkoper dan forse investeringen te plegen. Kosten en baten moeten immers tegen elkaar worden afgewogen. Dat is het basisbeginsel van goed management. Echter, aan de managementpraktijken van de spoorwegen valt heel wat af te dingen  Door het ontkoppelen van het beheer van het spoor en van de wielen draagt eigenlijk niemand meer de verantwoordelijkheid voor het eindresultaat. Aan de protocollen ligt dat niet. Hier lijkt alles op orde te zijn. Theoretisch althans. Goederentreinen zouden bij voorbeeld niet mogen rijden in de spitsuren, maar dat gebeurt toch. Omdat een passerende goederentrein als incidentele gebruiker van het spoorwegnet voor ProRail meer centen oplevert dan een geklokte reizigerstrein. Sneltreinen zouden voorrang moeten hebben op stoptreinen, maar omdat er overal flessenhalzen zijn, krijgt die afspraak slechts een virtuele betekenis. Men kan daardoor de treinen niet altijd naar de afgesproken perrons dirigeren, waardoor reizigers met hun koffers soms van perron naar perron mogen hollen. Voor de rest functioneert nog maar weinig volgens het boekje. Storingen aan wissels, elektriciteitshuisjes en signalisatie vormen met computerpannes de belangrijkste oorzaken voor de vertragingen en het uitvallen van treinen. Roltrappen en liften zijn vaak defect. Men heeft er jaren over gedaan eer de kaartjesautomaten vrijwel storingsvrij werken en nu zullen ze verdwijnen omdat er een railpas komt. Dat garandeert weer nieuwe ellende.

Ook met het rijdend materieel is veel mis. In hun propaganda stellen de Nederlandse Spoorwegen wel dat de treinen dagelijks worden gereinigd en dus “schoon” zijn. Doch daar valt weinig van te merken bij vooral regen- of sneeuwweer. De gratis kranten leveren veel rotzooi op doordat de reizigers ze graag in de coupés willen achterlaten. In de stoptreinen van het type “spinter” is de WC verdwenen en op andere treinen vaak dichtgeschroefd. Dan hoeft men die niet te reinigen. Treinstellen worden daarbij onvoldoende technisch onderhouden zodat het mechaniek het onder weg wel eens begeeft. Dat gaat van vastgelopen remmen tot een defecte deur. Van een volautomatisch beveiligingsysteem op het spoor is geen sprake (“te duur”) zodat treinen met lage snelheid toch door rood kunnen rijden. Met soms ernstige ongevallen wegens “menselijk falen” tot gevolg. Had het spoorbedrijf vóór de privatisering nog zicht op alle mogelijke ellende en de manier waarop men daaraan kon verhelpen, dan is dat nu door de versnippering ten enenmale onmogelijk geworden. Een hele horde onderaannemers is nu (via een “Europese aanbesteding”) voor allerlei diensten - gaande van het onderhoud van de wissels tot het legen van de prullenbakken – ingehuurd, maar uiteraard geenszins verantwoordelijk voor het eindresultaat. Incidenteel onderhoud wordt daardoor bij voorbeeld steevast genegeerd. Enkele losliggende tegels op perron of in wachthuisje? Laat ze maar liggen!

Kortom, in enkele jaren tijd zijn de privatiseerders bij het spoor en in de politiek erin geslaagd om een prachtbedrijf als de Nederlandse Spoorwegen in één grote brok ellende te veranderen.


 

Bijzonder uitzonderlijk

Met het jaareinde is de inventarisatie van allerlei superlatieven in volle gang: de koudste dag, het meest gebruikte werkwoord, de langste file enz… Bijzonder uitzonderlijk is voor het eerst zo’n dertig jaar terug in een radioprogramma gebruikt, en is verder in de vergetelheid geraakt. Maar nu er nieuwe grenzen zijn bereikt, is het zowaar weer komen opdagen. Directe aanleiding: de ontregeling van de Nationale Spoorwegen, de NS. Er reden dagenlang geen treinen naar Brussel, als er al een binnenlandse trein vertrok was je terugreis over het spoor niet gegarandeerd. Nee, niet dat er iets niet klopte bij de Spoorwegen, dat zou ’s lands trotse vervoerder nooit toegeven, laat staan er iets aan doen. Alles is o.k. bij de N.S., maar sinds het beheer van de treinen en de rails niet meer onder een dak huizen, is ook daar sprake van dat andere mooi woord dat het land in z’n greep houdt: de krommunicatie. N.S. doet de treinen en Prorail de rails, en daarom was alles wat fout ging de schuld van de ander. Het was niet kouder dan een andere winterse dag, het laagje sneeuw was dun en woei met het eerste windje mee. Wie zal het zeggen? Er zijn veel varianten van hetzelfde thema: in de winter rijden de treinen niet of niet op tijd omdat het te koud is, in de zomer zelfde verhaal vanwege de hitte en in de herfst heet het probleem dat ze vierkante wielen hebben vanwege de bladeren.

Er zijn in dit land waslijsten bijzonder uitzonderlijke zaken: de discussie over de participatie in de Irakoorlog, de Betuwelijn, waarom het koninklijk huis een ton – 100.000,- euro -  extra kreeg toegeschoven bij de recente begroting, er wordt 200 ton – gewicht – illegaal vuurwerk  officieel verhandeld, Q-koorts en 40.000 gedode geiten,Wilders en de islamisering, wat er nu toch moet gebeuren met de Amsterdamse N.Z lijn, enz…. Dat laatste is zo beladen dat het nog vrijwel uitsluitend in initialen wordt genoemd. Het is nu wachten op diepe scheuren in de wanden van de Bijenkorf., ’s lands meest prestigieuze grootwarenhuis. Tweede Kerstdag 2009 was diezelfde Bijenkorf geopend. Officiële reden: de recessie. Door bijzonder uitzonderlijke omstandigheden hadden ze een extra dag inkomsten hard nodig.


 

Kerstmis in Ierland


Turkey

Arme kalkoenen!


 

el sur

Niet alleen Noord-Europa, ook een groot deel van Spanje ploegt zich door sneeuw en ijs. Andalucia ontsnapt aan de (vries)kou, en zelfs de Sierra Nevada kan zichzelf voorlopig niet echt nevada noemen. Het is in Lagabella wel beginnen regenen -eindelijk- en dat laat steller dezes toe om -ook eindelijk- weer te berichten over dit deel van de wereld, dat zich de twee voorbije weken wentelde in conflicten met zijn zuiderse buren.

Het eerste is in wezen niet meer dan een faits-divers in het immer terugkerende haantjesgedrag van twee Europese staten: een boot van de Spaanse Guardia Civil die, naar eigen zeggen drugsmokkelaars achtervolgde, voer de territoriale wateren van Gibraltar in, werd door de Gibraltarese kustwacht onderschept en de Guardias mochten een aantal uur de binnenkant van de instellingen van hun collega's van dichterbij bewonderen. Een rimpel op de eeuwige zee, maar helaas zijn dergelijke incidenten steevast aanleiding tot een opstoot van nationalisme en gekwetste trots. Onlangs nog had ik een gemoedelijk gesprek met een -geëduceerd- persoon, waarbij -uiteraard- onder meer de economische en politieke problemen van dit land aan bod kwamen: het eindigde, als toppunt van alle kommer en kwel en  als ultieme verzuchting en ergernis, met een zeer gemeend "...y un Gibraltar libre!"  De "kwestie" Gibraltar sluimert, maar leeft. In de nasleep van de overdracht van Hong Kong aan China (1997), hoopte Spanje op een gelijkaardige oplossing van het "probleem". Gibraltar is sinds 1713 Engels en er is eigenlijk geen enkele Spaanse politicus die, ondanks al de opstoten van nationalisme, -verdragrechterlijk- dit Engelse bezit betwist. Wel had men in de jaren negentig gehoopt op een soort van co-bestuur maar dat is op niets uitgelopen. Puur verdragrechterlijk (we hebben het hier zelfs niet over Engels prestige of militaire argumenten) is het grote struikelblok dat Gibraltar niet eenzijdig onafhankelijk kan verklaard worden -om dan verder binnen de EU als een soort mini Luxemburg te functioneren-: Spanje heeft bij een eventuele souvereiniteitsafstand een eerste keus-recht en zou dat in voorkomend geval ook uitoefenen. Het probleem is dat de Gibraltarezen zich al in verschillende referenda met meerderheden die we enkel uit de voormalige volksrepublieken en arbeidersparadijzen kennen, tegen opname in Spanje hebben uitgesproken. Puur technische verwezenlijkingen van goed nabuurschap (zoals de voorbije week, de ook toeristisch interessante, reintroductie  - na 40 jaar !- van een ferry-service tussen Algeciras -Spanje- en Gibraltar) zullen dus ook de komende decennia nog regelmatig overschaduwd worden door politiek geïnspireerde, wederzijdse, nijdige pesterijen.

Van een gans andere orde en veel diepgaander was de diplomatieke aanvaring met Marokko. De aanleiding was de Marokkaanse weigering om een Saharawi-activiste weer tot het land toe te laten en haar daaropvolgende hongerstaking in de luchthaven van Tenerife waar ze gestrand was. (Het treurige verhaal van de Spaanse Westelijke Sahara is een Spaanse variante op het algemene Europees-Afrikaanse dekolonistatie-fiasco dat op hetzelfde moment -1975- onder meer de burgeroorlogen van Angola en Mozambique zou veroorzaken. Dit stukje is niet het middel om één en ander trachten te duiden: www.westelijkesahara.be kan dienen als inleiding).

De verhoudingen met Marokko zijn zeer gevoelig niet alleen op het niveau van staat tot staat (ik geef maar wat raakpunten: de Spaanse "enclaves" Ceuta en Melilla en de paar Spaanse rotsen in de Zee van Alboran vlak voor de Marokkaanse kust, mensentrafiek, drugstrafiek, terrorisme -de daders van de aanslagen op de Madrileense treinen waren van Marokkaanse origine-), maar zijn ook bijna tastbaar in de dagelijkse Andalousische praktijk. Al eerder verwees ik naar de geringe aandrang tot maurofilie bij de gemiddelde Andalou. Een nieuw akkoord met de EU dat Marokko zal toestaan beduidende hoeveelheden tomaten en andere groenten op de Europese markt te brengen zal daar niet veel aan verhelpen. Grote delen van -vooral- de provincie Almeria leven van de serre-groententeelt en dit akkoord wordt voorgesteld als de doodsteek voor de sector: naast de ineenstorting van la construccion zou het de volledige teloorgang van alle economische activiteit veroorzaken. Bij het begin van de volgende oogst mag u zich dus verwachten aan een nieuwe setting voor het leeghalen van trucks en weggooien van tonnen groenten: niet meer aan de Frans/Spaanse grens, zoals de voorbije jaren regelmatig gebeurde, maar ergens bij de invoerplaats van de Marokkaanse producten. Wat de entrepreneurs er niet bij zeggen is dat ze al een tiental jaar zelf in Marokko groenten- en fruit(aardbeien)plantages opstarten omdat de loonkost in Spanje ondanks alle zwarte (in alle mogelijke betekenissen van het woord) tewerkstelling, te hoog zou liggen.

Op de olijf(olie)markt is de Noord-Afrikaanse concurrentie voorlopig minder van tel. De olijvenoogst is een tweetal weken geleden op gang gekomen: het eindresultaat ervan (de oogst loopt tot ongeveer eind januari) wordt geschat op een miljoen ton olie, waarvan ongeveer de helft uit de provincie Jaen komt. (De oogst van eetolijven is al achter de rug: de opbrengst wordt geschat op een kleine 400.000 ton). Tachtig procent van de Spaanse niet gebottelde olijfolie wordt uitgevoerd naar Italië. Wordt ze daar gebotteld?  Vraagteken: wie heeft daar binnen de EU zicht op ? Misschien de nieuwe commisaris van handel, maar als het zo is, heeft "de beste olijfolie ter wereld" er al heel wat kilometers opzitten. Ons zal het niet echt raken: de beste olijfolie ter wereld komt uit Mondron, hier een twintigtal kilometer vandaan. Maar blijf niet waar u bent: ergens begin mei zal oogst 2010 al uitverkocht zijn.

Un saludo cordial.


 

Na ta Poume; (Mogen we ze Zingen?)

Ik had gisteren een collega uit San-Fransisco aan de telefoon: "Hey, jij kan volgende week nog wel werken zeker, want in Griekenland is Kerstmis toch pas later?".  Ik hield me wel in om een ironische opmerking te maken; Amerikanen houden er niet zo van, en bovendien lopen ze nu ook weer niet zo dik, de Amerikanen die weten dat de Grieken orthodox zijn, en dus 'een beetje anders'.  Het was ook bijna juist: Pasen valt meestal wel op een andere dag dan het katholieke Pasen.  Maar Kerstdag is dus wel dezelfde, ook hier op 25 december.

Kerstmis is zeker niet het belangrijkste religieuze feest voor de orthodoxen, zoals dat, geloof ik, wel het geval is voor de katholieken.  De Grieken lijken mij hier logischer, voor een keer: geboren worden we allemaal, maar verrijzen, ho maar, dat is toch wel iets speciaals.

De Grieken hebben een vreemdsoortige haat-liefde verhouding met Amerika, misschien is dat wel voer voor een afzonderlijke blog.  In elk geval doet de periode voor Kerstmis mij hier vaak erg Amerikaans aan, of althans wat ik mij daarbij voorstel: een lange aanloop, vanaf eind november, met werkelijk overdreven veel lichtjes, in alle kleuren (blauw?), wiebelend en flikkerend op de meest onmogelijke plaatsen, bomen, bloemen, planten, terrassen; intens 'versierde' woonkamers, kerstmannen op ladders, daken, schoorstenen;  en natuurlijk: shop, shop, shop, shop 'till you drop.  In december krijgen de werknemers een dubbel loon, en wat kan je daar nu mee aanvangen?  De Europese Commissie moet maar even wachten.

Maar Kerstmis klinkt wel anders in Griekenland.  Natuurlijk hoor je ook hier "I'll be home for Christmas" of "All I want for Christmas is you", zo stroperig als de melomakarona, de typische mierzoete kerstkoekjes; en ook de eerder noordse "Oh Denneboom" of "Stille Nacht" klinken wel eens door een paardjescarrousel,  maar het zijn toch vooral de 'kalanta' die de lucht vullen.

Kalanta zijn liedjes, spreekkoren bijna, gezongen van deur tot deur of door de straten, door kinderen of volwassenen, verkleed of niet verkleed.  Een beetje zoals Driekoningen in Vlaanderen dus.  Maar waar de driekoningenliederen toch eerder de sfeer van een braderie of vlaamse kermis oproepen ("... mijnen ouwe is ver-sleeee-ten, mijn moeder mag-et nie weeeee-ten..."), toveren de Griekse kalanta soms een beetje magie tevoorschijn; eindeloos lang, eerder monotoon naar westerse smaak, begeleid door snel triangelgetik, gesproken of gezongen door enkelen of tientallen tegelijk, meestal net niet synchroon, zijn ze vaak meeslepend, bedwelmend op hun best, prachtig, zoals hier (eerst Roemeens, daarna Grieks).

De zon mag dan wel schijnen, de kerstman te rood zijn, de lichtjes te nerveus, de schatkist leeg, als de kalanta weerklinken, dan is het Kerstmis.  Ook in Griekenland dus, al zoeken wij zelf wel voor twee weken de  Belgische  koude op, de kalanta moeten dan maar op de iPod.  Tot volgend jaar...

(Al is er natuurlijk ook dit...)


 

KAPITEIN ZEPPOS IN AMSTERDAM

Kapitein Zeppos mag dan wel borg staan voor Vlaams jeugdsentiment op de televisie, niemand zal de naam willen verbinden met culinaire hoogstandjes. In Amsterdam is dat echter anders. Daar staat restaurant Kapitein Zeppos garant voor “kwaliteit” en zelfs “gezelligheid”. Want je kunt er een hele avond tafelen. Het tempo waarmee de happen op tafel verschijnen is daar op berekend. De wijnkaart nodigt soms uit tot een tweede fles of een of twee Bénédictines. Zelfs aan de eetcultuurbedervende vegetariër is bij Kapitein Zeppos tactisch gedacht. Ideaal dus voor de fameuze “bedrijfsetentjes” met het voltallige personeel aan één lange tafel. Ze mogen er dan veel te luid praten en gieren van het lachen om elkanders grappen en grollen. Het mag allemaal. Er zitten natuurlijk ook zakenlieden die er na een gelukkige financiële deal alvast een deel van de winst vrolijk komen opsouperen. Voor één keer is nu eens niet echt Hollands. En er zijn de al of niet toevallige toeristen, veelal uit het Verenigd Koninkrijk, die er vooral snel eten en daarna wezenloos voor zich uit willen zitten staren.

 

Al pakt Kapitein Zeppos in de reclame uit met een “Belgische tafel”- men zal wel de keuken bedoelen -, toch hoeft men hier niet naar typisch Vlaamse of Waalse kost te zoeken. Of het zou de pan mosselen moeten zijn die er al jaren op de kaart prijkt. Dat komt doordat de exploitanten op twee gedachten hinken. Enerzijds herinnert Zeppos wel aan een Vlaamse televisieserie uit de jaren 1960, maar anderzijds kan men Zeppos ook gemakkelijk verwarren met een of andere dansende Griek. Dat komt goed uit. Het bedienende personeel doet mediterraans aan en praat er naar. En de wijnkaart bevestigt dat. Ik heb er pas nog een “biologische” rode wijn uit Sicilië mogen proeven. Echte bocht was het niet, maar lyrisch ben ik er niet van geworden. Van een overdadige hap, zoals sommigen op een restaurantwebsite beweren, is dan ook weer geen sprake. Tenzij men natuurlijk last van anorexia heeft. En voor het brood met “kruidenboter” moet men tegenwoordig zelfs extra betalen. Reken uit je calorieën.

Kapitein Zeppos heb ik in de voorbije jaren zien evolueren van een jazzcafé met podium tot restaurant. Aanvankelijk was het er vooral bier hijsen, met de befaamde Nederlandse “bitterballen” en “kaasblokjes” met mosterd toe. Later verscheen een warme of koude schotel op het toneel. Om de klanten meer plaats te gunnen werd de binnenplaats, waar het in de zomer koel toeven was, van een glazen overkapping voorzien. Bij regenweer roffelt dat lekker weg. De exploitant van Kapitein Zeppos zocht het daarna niet meer in de drankomzet, maar steeds meer in de warme hap. Vooral toen de vaste gasten uit de financiële wereld en de krantenuitgeverijen wegvielen nadat deze bedrijven zich aan de rand van de stad hadden gevestigd. Amsterdam had er immers een World Trade Center bij gekregen. Het sublieme Café Frascati even verderop legde daarna zelfs snel het loodje toen vooral het overgebleven journaille en de literatoren het er na een rampzalige facelift massaal lieten afweten.

De kroegtijgers waren inmiddels bij Kapitein Zeppos na zes uur ’s avonds niet meer welkom. Dan ging de keuken op volle toeren draaien. Zes uur is voor de meeste Nederlanders immers heilige bunkertijd. Met het excuus dat ze dan nog de hele avond voor zich hebben.

 

Kapitein Zeppos: Belderbos.

Ik ben toen maar verhuisd naar Café de Doelen, ook wel bekend als het Oorlam, waar de trappist uit Westmalle veelal te koud staat, maar - behalve een enkele keer in vele jaren - altijd wel voorradig is. Gelukkig heeft het Oorlam nog niet voor de brasserie gekozen. De zaak floreert er zonder toe te moeten geven aan de een of andere gril. Het onverwarmde terras op de stoep is zakelijk gezien een gouden greep gebleken. Want sinds de grote hedonistische revolutie zit de Nederlandse medemens graag wat schots en scheef op een terrasje te “genieten”. Zonder zich daarvoor nog calvinistisch te willen schamen

De transformatie van Kapitein Zeppos van café tot restaurant heb ik altijd met gemengde gevoelens bekeken. De locatie biedt namelijk het grote voordeel van de anonimiteit van de steeg die er het Gebed Zonder End heet. Hier was ooit een nonnenklooster gevestigd. Van binnengapers heeft men er door de beslotenheid van het gebouw allerminst last. Vandaar dat het etablissement steeds aan vreemdgangers en samenzweerders intimiteit kan garanderen. Nu Kapitein Zeppos een restaurant is geworden, is van een spontane aanloop geen sprake meer. Voor een tafel kun je best vooraf in alle vroegte reserveren. En kom dan vooral op tijd! Zoals ik onlangs nog mocht ervaren toen ik samen met een vriendin tien minuten te vroeg op de afspraak was verschenen. Dat gaf meteen enige discussie met de opperober. We werden niet voor straf ergens aan een tafel op de tocht gezet, maar dat had toen niet veel gescheeld. Gelukkig maar. Want de kleine lamskoteletjes smaakten daarna des te beter. Nee, voor het vreten van kilo’s spareribs in ketjab moet je niet bij Kapitein Zeppos zijn. Daarvoor kun je beter ergens in Amsterdam Oud-Zuid stranden. Maar de naam en het adres van die infame zaak verklap ik lekker niet, zeker nu te veel verkeerde vetzuren ons gezonde bestaan toch al bedreigen. En dat geldt uiteraard ook voor de zelfverklaarde pseudo-vegetariërs die zo graag met een overheerlijke spekbokking of een gerookte makreel uitpakken. Ook voor deze vette gasten is bij Kapitein Zeppos geen tafel beschikbaar.

http://www.iens.nl/restaurant/1210/amsterdam-kapitein-zeppos


 

Een blad in de rivier

Een boogscheut van ons verwijderd ligt Maya Ubud Resort & Spa. Ik stuurde een mailtje naar de manager met de vraag om een kennismakingsmeeting. We zijn tenslotte bijna buren.
Er volgde prompt een lunchinvitatie.
Het resort heeft 106 kamers, drie restaurants en het domein is 10 hectare groot. Een tikkeltje intimiderend was het wel toen we de oprijlaan opreden. Ons 'intimate boutique hotel' zoals we het dan noemen, verhoudt zich tot Maya Ubud zoals de portierswoning tot het kasteel van de baron in vroegere tijden.
De general manager stelde voor te lunchen in het restaurant van de Spa. Na een gezonde wandeling kwamen we bij een lift die ons 30 meter lager voerde , door de rotsen heen, tot vlakbij de Petanu rivier. In de Spa werken 23 vrouwen en er worden tot 50 behandelingen per dag gegeven.
Het totale personeelsbestand: 297 medewerkers.
De overigens uiterst beminnelijke manager, heeft 36 jaar Indonesië ervaring, waarvan een groot gedeelte op Bali. Hij schetste een weinig hoopgevend beeld van de problemen waarmee hij sinds de start van het hotel, 11 jaar geleden werd geconfronteerd.
Het hotel wordt omringd door een aantal dorpsgemeenschappen, banjars. Die stelden allemaal, van tijdens de constructiefase van het hotel, onmogelijke eisen.
Twee chefs van omliggende banjars presteerden het 2000 sollicitatiebrieven te laten afgeven, met de vermelding dat al deze mensen in dienst moesten worden genomen. De vorige eigenaars van de percelen waarop het hotel werd gebouwd, eisten dat hun familie werd tewerkgesteld omdat het hotel op hun (weliswaar intussen verkochte...) grond stond. Om hun eisen kracht bij te zetten, posteerden zich honderden mensen op de hellingen rond het hotel, voorzien van spiegels waarmee ze de gasten voortdurend probeerden te verblinden. Met de regelmaat van een klok werden, voor zonsopgang, bamboekanonnen afgeschoten om de gasten te irriteren. Intimidatie door grote groepen dorpelingen bij de poort van het hotel was ook geen uitzondering. 'Belligerent' noemde de manager de Balinezen, en dat betekent toch zoveel als 'oorlogszuchtig'...
Bij de opening had Maya Ubud 10.000 sollicitatiebrieven ontvangen...
Getalenteerde mensen uit andere dorpen konden niet in dienst komen door de exorbitante eisen die werden gesteld in verband met het percentage 'eigen volk' dat in dienst moest komen. De manager gaf ook het voorbeeld van zijn huispersoneel; 2 mensen komen niet uit het dorp waar hij woont. Maandelijks moet hij daarom een belasting betalen aan de lokale ordedienst, de Pecalang omdat hij 'vreemdelingen' in dienst heeft. Weliswaar mensen uit een naburig dorp, maar het blijven voor de inwoners van de banjar vreemdelingen.   
Uiteindelijk draait het allemaal om geld. Op weg naar het restaurant zagen we op een helling een grote oppervlakte bedekt met wasgoed en midden daartussen een grote spiegel. Het is de manier van de vrouw, van wie het grondstuk is, om haar eis om in dienst te worden genomen kracht bij te zetten. 'Geef me werk of ik verpest je uitzicht', dat is wat het wasgoed zegt.
De politie verleent geen enkele assistentie bij dit soort conflicten. Het zijn sociale problemen en die moet je zelf met de banjar oplossen.
We moeten vooral oppassen voor de eigenaars van de rijstvelden waarop we uitkijken. Die zullen geld komen vragen voor het uitzicht dat de gasten hebben. Het zijn namelijk hun rijstvelden die zorgen voor het panorama en daar moet voor betaald worden. 
We mogen ons ook verwachten aan het bezoek van een afvaardiging van de tempel en de vraag naar een substantiële bijdrage.
Tegenover een bekend hotel 'Ubud Hanging Gardens', staat, aan de andere kant van de vallei een grote tempel. De verantwoordelijken van die tempel hebben grof geld geëist omdat de hotelgasten in zwempak een storende  aanblik boden aan de gelovigen in de tempel. Enkel al gezien de afstand tussen tempel en zwembad is het duidelijk dat dit een vals argument is. Overigens kijk ik vanuit mijn bureau uit op een afwateringskanaal aan de overkant van de sawah, en word ik daar dagelijks vergast op badende Balinezen in meer of mindere staat van ontkleding. Diezelfde goot wordt ook zonder enige gêne gebruikt als openbaar toilet. Maar waag het niet de overflow van je zwembad te lozen in een afwateringskanaaltje! Dan krijg je problemen met 'de subak', de traditionele verantwoordelijken voor de irrigatie van de rijstvelden. De verklaring is dan dat er geen water in de rijstvelden mag komen waarmee mensen zich hebben gewassen (zwemmen = wassen). Bij de blote konten waarop ik dagelijks uitkijk zal het dan waarschijnlijk niet gaan om 'wassen' maar om 'ritueel reinigen' vermoed ik.  
De manager citeerde een westerse auteur die in de vorige eeuw schreef dat wij westerlingen voor de Balinezen zijn als 'bladeren die voorbij drijven in de rivier', eventjes vervelend, maar ook snel weer weg. 
Eén ding is zeker, ons talent voor het zoeken naar compromissen en het diplomatisch oplossen van confrontaties zal nog danig op de proef worden gesteld.
 

 

In samenwerking met


Schrijf mee

Woont u in het buitenland? Wil u ook meeschrijven aan En Nu Even Elders? Stuur een e-mail naar weblog@standaard.be



Zoeken op deze blog