De belegger, die zijn beleggingshorizon respecteert, kan op elk moment beslissen om meer in aandelen dan in obligaties te investeren. Zo kan de belegger met een lange termijn objectief van de helft in aandelen en de helft in obligaties beslissen om iets meer aandelen dan obligaties, bijv. 55%, te nemen. Dit zou in 2003 de juiste keuze geweest zijn, want sinds 2003 hebben de beurzen het uitstekend gedaan.
Maar de vraag stelt zich of dit nog de juiste strategie te volgen is. Zo zijn er redenen om aan te nemen dat de beurzen, en dan voornamelijk de Europese beurzen, niet langer hun superprestaties zullen volhouden. Ten eerste lijkt de kortetermijnrente in de V.S., die gestuurd wordt door de Federal Reserve, op een hoogtepunt te staan. Indien het hoofdscenario van een stabiel tot dalende inflatie en een lichte groeivertraging zich voortdoet, zal de langetermijnrente in de V.S. uiteindelijk dalen. Men weet, een dalende rente is positief voor obligaties, want het doet hun koersen stijgen. Ten tweede is de risicopremie, die gedefinieerd wordt als het extra rendement dat beleggers eisen voor een aandeel ter compensatie van het risico dat ze lopen op de beurs, ten opzichte van vorig jaar gedaald. Het extra-rendement van aandelen ten opzichte van obligaties is dus gedaald, wat negatief is voor de aandelenbelegger. Ten derde kunnen de winsten van de bedrijven niet aan een dergelijk tempo blijven groeien. In 2006 bereikte een gemiddeld Europees bedrijf maar liefst een winstgroei van 26%! Binnen 3 jaar zou de winstgroei nog slechts 8% bedragen om daarna op trendgroei terug te vallen. Dit zal ratio’s als koers-winst verhogen, waardoor analisten de beurzen als “duur” zullen beschouwen. En ten slotte zullen ook het aantal fusies, overnames en inkopen van eigen aandelen niet aan een gelijkaardig tempo voortgaan. In vergelijking met 2005, toen Europa aan de vooravond van een echte fusiegolf stond, is het vandaag onzeker wat het verder potentieel in 2006-2007 is. Dit zal eveneens ten nadele van de beurzen en ten voordelen van obligaties zijn.
Er zijn dus heel wat elementen die tegen een verdere stijging van de beurs pleiten. Laten we echter niet vergeten, dat op basis van historische gegevens aandelen op lange termijn meer opbrengen dan obligaties. In functie van de beleggershorizon verdienen aandelen dus wel degelijk hun plaats in de portefeuille van een belegger.
Julie Delaruelle – Investment Strategy – Dexia Bank
De Standaard Weblog om 10:16 | Link | 0 Reacties | 0 TrackBack
Op het Europese grondgebied bevinden zich vele beurzen, die elk door één of meerdere beursindices worden vertegenwoordigd. Zo is de Bel 20 de belangrijkste beursindex voor de Belgische beurs, de DAX 30 voor de Duitse beurs, de CAC40 voor de Franse beurs, enzovoort. De voornaamste Amerikaanse beursindices zijn de Dow Jones Industrials en de S&P500. Wie als Europese belegger de voorbije jaren de keuze moest maken tussen beleggingen in Amerikaanse en beleggingen in Europese aandelen, was het best af met Europese aandelen. Die aandelen presteerden sinds 2003 beduidend beter dan de Amerikaanse. Zelfs indien we rekening houden met het wisselkoersrisico, dat ontstaat doordat Europese belegger zijn winsten in euro uitdrukt, doen de Europese beurzen het sinds 2003 ook beter dan de Amerikaanse. 
Zo versterkte de S&P 500 in 2003 met 22,1%, maar daalde de dollar met 19,6%. Voor de Europese belegger was het rendement in euro dus slechts 2,5%. In 2004 en voorlopig in 2006 verzwakte de dollar respectievelijk met 7,9% en 8,4%. In 2005 versterkte de dollar wel ten opzichte van de euro, maar dit was niet voldoende om de schitterende prestaties van de Europese beurzen te evenaren.
Voorlopig in 2006 lopen de Amerikaanse beurzen met de Europese beurzen gelijk, met uitzondering van de Belgische beurs, die het uitstekend gedaan heeft. Maar elke belegger weet dat de prestaties van het verleden geen garantie voor de toekomst zijn. Meer nog, er zijn nu zelfs redenen om aan te nemen dat deze superprestaties van de Europese beurzen in de toekomst zullen afzwakken. Ten eerste zouden de Europese winsten van een groeitempo van om en bij de 20% terugkeren naar een meer gematigd tempo van 8%. Voorts worden de Europese beurzen niet langer gezien als een koopje ten opzichte van de Amerikaanse beurzen, gezien de recente stijging van de Europese koersen en de verwachte vertraging van de winstgroei. Ten derde heeft de Amerikaanse economie het in de voorbije jaren beter gedaan dan verwacht, wat de bedrijven ten gunste komt. En ten slotte blijkt de Amerikaanse munt een vluchtwaarde te zijn in tijden van onrust en winstnemingen op de markten, waardoor Amerikaanse beleggingen interessanter worden.
Julie Delaruelle – Investment Strategy – Dexia Bank
De Standaard Weblog om 13:01 | Link | 0 Reacties | 0 TrackBack
Het renteverloop is vandaag ongetwijfeld één van de voornaamste gespreks- en discussiepunten onder analisten en economisten. Van alle kanten wordt er druk gespeculeerd en gegoocheld met theorieën en statistieken om het eigen gelijk aan te tonen. Maar het blijft grotendeels bij giswerk. Nochtans is het voor ons als consument én belegger handig om weten in welke richting de rente zal evolueren. We zetten daarom even heel kort de feiten op een rijtje.
De kortetermijnrente
Met 17 opeenvolgende renteverhogingen heeft de Fed sinds 30 juni 2004 de kortetermijnrente gebracht van nauwelijks 1% tot het huidige niveau van 5,25%. De verstrakking van het monetaire beleid werd ingegeven door de inflatievrees als gevolg van de sterke economische groei (met daarbij horend het gevaar voor oververhitting) en de sterke stijging van de olieprijzen. Momenteel wijzen de cijfers in de richting van een groeivertraging, maar is het inflatiegevaar nog steeds niet geweken. De meningen met betrekking tot het verdere rentebeleid lopen dan ook sterk uiteen. Sommigen gaan ervan uit dat de rente nog bijkomend zal worden verhoogd, terwijl anderen al een eerste renteverlaging in het vooruitzicht stellen.
Dichter bij huis, hier in Europa, wijzen de groeiverwachtingen nog steeds in de goede richting (in de buurt van 2,5% voor 2006), maar is het ook hier des te meer de inflatie die de centrale bankiers dwingt aan de monetaire handrem te trekken. Bijgevolg bestaat er vrij grote eensgezindheid over het feit dat de ECB op haar volgende vergadering, op 5 oktober, de rente wellicht opnieuw met 0,25% zal optrekken tot 3,25%.
Op 14 juli van dit jaar, na een jarenlang monetair beleid van nulrente, ging ook de Japanse centrale bank over tot een verhoging van de kortetermijnrente tot 0,25%. Het economische herstel is er nog broos en daarom zullen bijkomende verhogingen zeer geleidelijk en in kleine stapjes moeten gebeuren.
De langetermijnrente
Sinds de piek in juli is de langetermijnrente, zowel in de VS als in Europa, duidelijk aan het dalen. Dit onder meer als gevolg van de neerwaarts bijgestelde groeiverwachtingen, waardoor ook de renteverwachtingen op langere termijn lager liggen. Maar ook als gevolg van de massale hoeveelheden papier die door grote marktpartijen (de institutionele beleggers) worden aangehouden, en waardoor het rendement hiervan onder druk komt te staan.
Wij, de kleine beleggers, stellen ons daarom steeds meer luidop de vraag of het dan niet tijd wordt om terug voor papier met een langere looptijd te kiezen, en waarvan de prijs, bij een verdere daling van de rente, dan zou stijgen. Hoewel dit ons wel zinvol lijkt, moeten we samen met u vaststellen dat de vergoeding voor de langere looptijd op dit moment bedroevend laag is en het ook voor ons moeilijk is de verdere evolutie in te schatten. Diversificatie blijft dan ook hier de boodschap.
Danny Feremans – Investment Strategy – Dexia Bank
De Standaard Weblog om 16:02 | Link | 0 Reacties | 0 TrackBack
Tot verleden week zette de olieprijs (Brent) het ene record na het andere neer. In juli was de opstoot van de olieprijzen te wijten aan het aanslepende dossier over de Iraanse nucleaire ambities, de Noord-Koreaanse rakettentests, een aanval op Nigeriaanse oliepijplijnen en de oorlog tussen Israël en de Hezbollah. Begin augustus zorgde de sluiting van het grootste Amerikaanse olieveld in Alaska, voor een nieuwe recordprijs voor ruwe olie.
Zonder de huidige politieke spanningen zou de olieprijs veel lager noteren. De Amerikaanse commerciële voorraden van ruwe olie bevinden zich nog steeds op een comfortabel peil. De Amerikaanse strategische oliereserves zijn nog steeds goed gevuld. Ze kunnen het tijdelijke wegvallen van de olietoevoer vanuit Alaska probleemloos opvangen. Bovendien heeft de OPEC beloofd om, indien nodig, meer olie op te pompen. Ondanks de grote vraag naar benzine tijdens de zomervakantie, zijn de Amerikaanse benzinevoorraden nog steeds groter dan verleden jaar. Met het einde van de zomervakantie in zicht, zullen de financiële markten hun aandacht verleggen naar de Amerikaanse stookolievoorraden. Ook hier is er geen enkel probleem, aangezien ze groter zijn dan een jaar geleden.
Op korte termijn zullen de onrust in het Midden-Oosten en het Iraanse nucleaire dossier de olieprijzen in hun greep blijven houden. Daarnaast kunnen de weersomstandigheden de olieprijzen tijdelijk naar omhoog stuwen. Het orkanenseizoen in de Golf van Mexico, dat nog tot november duurt, kan de komende weken een belangrijke invloed uitoefenen op de olieprijzen. Maar na het einde van het orkanenseizoen in het zuiden van de Verenigde Staten kan de olieprijs opnieuw dalen (zoals ook in de laatste maanden van 2005 het geval was).
De afwikkeling van het Iraanse nucleaire dossier zal de richting van de olieprijs de komende maanden blijven bepalen. Indien er een onderhandelde oplossing uit de bus komt, kan de olieprijs snel zakken. Maar indien de spanningen tussen de Verenigde Staten en Iran op de spits gedreven worden, zullen de olieprijzen snel naar nieuwe recordhoogten boven de 80 dollar per vat stijgen.
We verwachten in 2007 een iets lagere gemiddelde olieprijs dan dit jaar, wegens de duidelijke groeivertraging van de wereldeconomie, die voor een minder sterke toename van de vraag naar ruwe olie zal zorgen. Bovendien stimuleert de aanhoudend hoge olieprijs de investeringen in nieuwe productiecapaciteit, waardoor het aanbod de stijgende vraag zal blijven volgen. Het Internationaal Energieagentschap (IEA) verwacht dat de bijkomende investeringen in de oliesector tijdens de komende jaren tot een “comfortabelere reservecapaciteit” zullen leiden, wat de druk op de olieprijs zou moeten temperen.
Dexia Research – Dexia Bank
De Standaard Weblog om 15:29 | Link | 0 Reacties | 0 TrackBack
Een alarmerend rapport van het Amerikaanse kredietwaardigheidsbureau Fitch bracht IJsland in februari in zeer woelig vaarwater. Het was het startpunt van een ‘slecht-nieuws-show’ die de beurs en de IJslandse kroon onderuit haalde.
De opmars
Na een korte recessie (we spreken van een recessie als het bruto binnenlands product minstens twee (opeenvolgende) kwartalen krimpt). in het begin van het nieuwe millenium was de IJslandse economie al enkele jaren terug op de goede weg. De overheidsfinanciën werden aangepakt en de publieke schuld teruggedrongen. Verder werden grootschalige investeringsprojecten opgezet, in onder andere informatica en biotechnologie, met als doel de economie geleidelijk minder afhankelijk te maken van de visserij. De resultaten bleven niet uit.
Onder impuls van de sterke groei begonnen in IJsland de vastgoedprijzen in snel tempo te stijgen, net als in vele andere delen van de wereld, en samen daarmee de uitgavendrang van de consument. De inflatie ging de hoogte in, waarop de centrale bank ingreep met een reeks renteverhogingen. Daardoor werd IJsland een gegeerde bestemming voor buitenlandse investeerders. Immers, door de lage rentestand in Europa, de VS en Japan, gingen zij ontlenen in goedkope euros, dollars, of yen, om die vervolgens te beleggen in IJslandse kroon, aan een veel hogere rente. De beurs en de munt vaarden er wel bij.
De zwakheden van de IJslandse economie
De snel stijgende waarde van hun woning zette IJslandse gezinnen aan om hun niet te stillen consumptiehonger te financieren met leningen. Met een snel oplopende schuldgraad tot gevolg. Hetzelfde bij de bedrijven, die dankzij de toevloed aan buitenlands kapitaal relatief goedkope investeringskredieten konden aangaan.
Daarnaast blijft de IJslandse economie, ondanks alle inspanningen van de voorbije jaren, nog steeds in zeer grote mate afhankelijk van visserij en aluminium. Voor veel andere producten is het land aangewezen op invoer. Daardoor kampt het land ook met een groeiend tekort op de handelsbalans (export min import).
Paniekreactie bij beleggers
Door de stijgende rente in Europa, de VS en Japan werd het renteverschil met beleggingen in IJslandse kroon kleiner en dus relatief minder interessant. De negatieve berichtgeving drukte de investeerders bovendien met de neus op de potentiële gevaren van het IJslandse groeiverhaal. Posities werden massaal afgebouwd en de munt kwam onder serieuze neerwaartse druk te staan.
Wat nu?
Gezien de scherpe terugval en het feit dat de IJslandse kroon nog steeds op een historisch laag niveau noteert, vragen beleggers zich af of het niet tijd wordt om terug in te stappen. Hoewel we niet direct vrezen voor een financiële crisis in IJsland zelf, is het eerder de huidige onzekerheid op de markten waarover we ons zorgen maken. In die context willen we daarom toch adviseren de nodige voorzichtigheid aan de dag te leggen en het gewicht van een eventuele positie in de totale portefeuille te beperken.
Danny Feremans – Investment Strategy – Dexia Bank
De Standaard Weblog om 15:48 | Link | 0 Reacties | 0 TrackBack
Een terroristische dreiging, het Iraanse kernprogramma: stuk voor stuk brandend actuele thema’s die vanzelfsprekend een impact hebben op de wereldeconomie. De geopolitieke instabiliteit werkt de stijging van de olieprijs in de hand, wat dan weer de inflatie de hoogte injaagt. Die inflatie en de vertraging van de wereldeconomie zetten de centrale banken ertoe aan hun kortetermijnrente op te trekken.
Dilemma voor de Fed
Wanneer alle indicatoren in dezelfde richting wijzen, is de rol van de centrale banken niet zo moeilijk. De inflatie in de VS blijft aan de hoge kant en zet aan tot een renteverhoging, maar de economische groei geeft duidelijk tekenen van vertraging. Begin augustus stond de Fed dan ook voor een dilemma:
- de kortetermijnrente met 0,25% optrekken om de hoge inflatie te bestrijden, met het risico de economische vertraging in de VS in de hand te werken;
- de kortetermijnrente ongemoeid laten op 5,25% om de economie de kans te bieden zich te stabiliseren en zelfs lichtjes aan te trekken, maar zich blootstellen aan een (relatief) hoge inflatie.
Het duurde lang voor de analisten een voorspelling van het rentebeleid durfden te maken. Doordat de cijfers over het aantal nieuwe jobs onder de verwachtingen bleven, wat duidt op een economische vertraging, hebben de beleidsmakers de knoop doorgehakt en geen renteverhoging doorgevoerd. Blijft de inflatie een probleem, dan rekent de Fed op een economische vertraging om de druk op de consumptieprijzen op « natuurlijke » wijze weg te nemen. Het verdict volgt in september...
ECB met de rug tegen de muur?
In Europa tekent zich een duidelijkere trend af. Alle indicatoren wijzen erop dat de Europese economie in goeden doen verkeert en de inflatie, die in stand wordt gehouden door de dure olie, overschrijdt de 2%-doelstelling van de Europese Centrale Bank (ECB). Kortom, alles pleitte voor een verhoging van de kortetermijnrente. Nochtans hebben heel wat mensen de beslissing van de Europese beleidslui trachten om te buigen. De Europese economie doet het dan wel goed, maar ze verkeert zeker niet in Olympische vorm; bovendien zou de verhoging van de Duitse BTW in januari 2007 de grootste economie uit de eurozone wel eens kunnen afremmen.
De ECB heeft op 3 augustus dan toch de kortetermijnrente met 0,25% opgetrokken tot 3%.Velen zijn de mening toegedaan dat de ECB geen andere keuze had als ze het renteverschil tussen de Verenigde Staten en Europa wilde verminderen. Volgens de meeste analisten zou de ECB de rente tegen het einde van het jaar nog een- of tweemaal optrekken tot 3,25% of 3,50%.
Bernard Bemelmans – Investment Strategy – Dexia Bank
De Standaard Weblog om 12:30 | Link | 0 Reacties | 0 TrackBack