Nieuw adres

Deze blog is verhuisd. Ontdek het nieuwe adres van deze weblog en de andere blogs van De Standaard Online op www.standaard.be/weblogs.
 

Hoe stel je een geldig testament op?

Met een testament kan je afwijken van de wettelijk georganiseerde erfvolgorde en dus van de verdeling die bij gebrek aan testament zou worden toegepast. Een testament kan dus een belangrijk element zijn in het kader van je successieplanning. Maar wanneer is een testament geldig opgesteld? Waar moet je op letten?

 

Specifieke kenmerken

Ten eerste is een testament een eenzijdige akte. Een testament is een hoogst persoonlijk document: man en vrouw kunnen geen gezamenlijk testament opstellen.

Een tweede kenmerk is de herroepbaarheid. Een testament kan te allen tijde door de erflater worden herroepen. Dat wil zeggen dat hij de beschikkingen kan wijzigen, aanvullen of vernietigen.


De vorm van een testament

Er bestaan verschillende types testamenten, we bekijken er hier 2:

1.         Het eigenhandig testament wordt volledig eigenhandig door de erflatergeschreven en van een datum, plaatsaanduiding en handtekening voorzien. Het maakt weinig uit waarop u nu precies het testament schrijft. Wat telt, is dat het document duidelijk leesbaar is en dat de inhoud eenduidig kan worden geïnterpreteerd. Voordeel: het is kosteloos. Nadeel: het kan gemakkelijk verloren gaan, tenzij u het veiligheidshalve in bewaring geeft bij een notaris, die het zal laten registreren.

2.         Het openbaar of authentiek testament wordt gedicteerd aan een notaris, die het vervolgens eigenhandig schrijft, in het bijzijn van twee getuigen of een andere notaris. Zo’n testament is een notariële akte (en kost dus geld), wordt bewaard bij de notaris, geregistreerd in het Centrale Register der Testamenten en biedt zekerheid over de wettelijkheid van de getroffen schikkingen. Een recente wetswijziging maakt ook een testament op tekstverwerker bij de notaris mogelijk. Voor de effectieve inwerkingtreding van deze bepaling, wachten we nog op de Koning en bijkomend wetgevend initiatief, maar hopelijk komt er op korte termijn duidelijkheid.

Julie Janssens
financieel planner
Stremersch, Van Broekhoven & Partners
www.svbp-financieleplanners.be

 


 

Huwelijkscontracten: een fantastisch instrument bij vermogensplanning!

Vanaf 1 november 2008 kunt u een stuk gemakkelijker en goedkoper uw huwelijkscontract laten wijzigen. Eén van de belangrijkste wijzigingen is dat u niet langer langs de rechtbank hoeft te passeren. Dit is heel belangrijk, aangezien heel wat oudere huwelijkscontracten niet meer optimaal zijn, gelet op de steeds evoluerende wetgeving.

1. Belang huwelijkscontract

Een huwelijkscontract is niet verplicht. Wanneer u er geen afsluit, kiest u eigenlijk voor het wettelijk stelsel. Dit betekent dat alles wat u bezat vóór uw huwelijk uw persoonlijk bezit blijft en alle inkomsten die u daarna ontvangt worden gemeenschappelijk bezit (met uitzondering van erfenissen en schenkingen die eigen eveneens tot het persoonlijk vermogen behoren).

Wie wel voor een huwelijkscontract opteert, kan kiezen voor het stelsel van scheiding van goederen of voor het stelsel van algehele gemeenschap of in het huwelijkscontract bepaalde bedingen laten opnemen die meer aansluiten bij zijn persoonlijke  behoeften.

Dergelijke aanpassingen zijn vaak de moeite waard vermits een weloverwogen huwelijkscontract een fantastisch instrument is bij vermogensplanning. Ook tijdens het huwelijk kan het nuttig zijn uw huwelijksovereenkomst regelmatig te evalueren. Wellicht is uw huidige situatie gewijzigd of hebt u andere prioriteiten  ten opzichte van het ogenblik dat u in het huwelijksbootje stapte. Voor het geval dat u een dergelijke wijziging zou overwegen, lijkt het nuttig dat wij hieronder nog even kort de 3 mogelijke vormen van wijziging toelichten. Wij wensen wel te benadrukken dat het niet altijd even duidelijk is met welke wijziging men in de praktijk te maken heeft.

2. Verschillende vormen van wijziging

2.1.De grote wijziging

Deze procedure dient gevolgd te worden wanneer geopteerd wordt voor een totaal ander huwelijksstelsel.

Enkele voorbeelden:

  • een wijziging van een stelsel van scheiding van goederen naar een stelsel van algehele gemeenschap of omgekeerd;
  • echtgenoten die zonder contract gehuwd zijn en die opteren voor een stelsel van scheiding van goederen;
  • het overbrengen van een goed van het eigen vermogen van de ene echtgenoot naar het eigen vermogen van de andere echtgenoot.

2.2.De middelgrote wijziging

Deze wijziging is een tussenvorm waarover reeds heel wat discussie heeft bestaan. Enkele voorbeelden die o.i. een middelgrote wijziging uitmaken:

  • Inbreng van een eigen goed door één van de echtgenoten in het gemeenschappelijk vermogen. De vestiging van een recht van opstal op een eigen goed in het voordeel van het gemeenschappelijk vermogen;


2.3.De kleine wijziging

Deze procedure kan gevolgd worden wanneer de wijziging van het huwelijksvermogensstelsel niet de vereffening van het vorige stelsel of een onmiddellijke wijziging van de vermogens tot gevolg heeft, dan wel zich beperkt tot de herroeping van de schenkingen die gedaan werden in het huwelijkscontract of de inlassing inhoudt van een bevoordelingsclausule ten gunste van de langstlevende echtgenoot. Bij de kleine wijziging blijven de  echtgenoten onder hetzelfde stelsel gehuwd.

Enkele voorbeelden:

  • Schenkingen tussen echtgenoten of schenkingen ongedaan maken;
  • Het invoegen of het afschaffen van een verblijvingsbeding, keuzebeding of bedingen van vooruitmaking of ongelijke verdeling;

3. Oude situatie

Tot 1 november 2008 ben je verplicht om  voor 'grote en middelgrote' wijzigingen van je huwelijkscontract de wijzigingsakte te laten homologeren bij de rechtbank.  Voor “kleine wijzigingen” daarentegen  volstond het reeds om langs te gaan bij de notaris.

Voor de grote wijziging (bv wijziging huwelijksstelsel) waren bovendien tot op heden 4 notariële akten vereist:

  • De notariële boedelbeschrijving;
  • De notariële regelingsakte;
  • De notariële wijzigingsakte;
  • De notariële slotakte;

Vooraleer de notaris de slotakte kon verlijden, diende de rechter dan de wijziging van het stelsel goed te keuren (homologeren).

Ook voor de middelgrote procedure had de rechter nog de mogelijkheid om, naast de wijzigingsakte, tevens  een notariële boedelbeschrijving en regelingsakte te eisen.

4. Vanaf 1 november 2008: de belangrijkste wijzigingen

Zoals reeds hierboven aangehaald, wordt vanaf 1 november 2008 de tussenkomst van de rechtbank van eerste aanleg zonder meer afgeschaft. Een wijziging van het huwelijkscontract zal derhalve niet langer aan een rechterlijke controle moeten worden onderworpen, zelfs niet voor een grote wijziging. Dit maakt het wijzigen van je huwelijkscontract niet alleen eenvoudiger, maar ook goedkoper omdat de kosten van het verzoekschrift aan de rechtbank wegvallen.

Daarnaast is de verplichting om vooraf een notariële regelingsakte op te maken, eveneens afgeschaft.

Een notariële boedelbeschrijving is enkel nog facultatief in de volgende gevallen: 1) wanneer één van de echtgenoten hierom verzoekt (in welk geval de boedelbeschrijving op verklaring kan worden opgemaakt) én 2) indien de wijziging van het huwelijksvermogensstelsel de vereffening van het vorige stelsel tot gevolg heeft.

De notariële slotakte wordt logischerwijze eveneens zonder meer afgeschaft.

 

5. Conclusie:

Gelet op de sterk vereenvoudigde procedure, is het aangewezen om uw huwelijkscontract eens volledig te laten doorlichten. Zo kunnen bepaalde wijzigingen worden doorgevoerd, die  u of uw familie heel wat meer bescherming bieden. Tegelijkertijd kan tevens worden onderzocht of bepaalde wijzigingen geen besparing opleveren inzake successie.

 

Tom Cooreman

Legal Counsel Master in Personal Financial Planning

[email protected]

Managing Partner JuriFin

www.jurifin.be


 

Onderschat het financieel plan niet bij oprichting van uw vennootschap!

Als een nieuwe vennootschap wordt opgericht, dan rust op de oprichters van een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid de wettelijke verplichting om een financieel plan op te stellen. De vraag welke inhoud dit plan moet hebben en wat de sancties bij het niet opmaken of niet voldoende uitwerken van dit plan zijn, houdt menig oprichter bezig. Bovendien stellen velen zich de vraag wanneer dit plan aan de oppervlakte komt en of de fiscus dit op elk moment kan inkijken.

Verplichting

De oprichters van vennootschappen (NV, B.V.B.A., Comm. VA en CVBA) zijn gehouden om aan de instrumenterende notaris een financieel plan te overhandigen, waarin zij het bedrag van het maatschappelijk kapitaal van de op te richten vennootschap verantwoorden. Het financieel plan moet samen met de oprichtingsakte worden neergelegd. Dit is in principe de taak van de oprichters.

Het plan wordt niet openbaar gemaakt maar in bewaring gegeven bij de notaris. Het is een belangrijk bewijsstuk indien de onderneming binnen de 3 jaar failliet gaat. Aan de hand van dit financieel plan wordt nagegaan of het maatschappelijk kapitaal kennelijk ontoereikend was voor de normale uitoefening van de voorgenomen bedrijvigheid over tenminste twee jaar. Indien het faillissement binnen de drie jaar wordt uitgesproken en het kapitaal kennelijk ontoereikend was, zijn de oprichters hiervoor aansprakelijk.

Inhoud

In de praktijk wordt dat financieel plan al te vaak volledig door de boekhouder/accountant opgesteld. Idealiter kijkt de boekhouder/accountant het financieel plan pas in laatste instantie met een kritisch oog na. Hij kan het financieel plan toetsen aan de realiteit en aan concurrerende ondernemingen. Alhoewel een financieel plan slechts voor twee jaar verplicht dient opgemaakt te worden, is het beter om een financieel plan op langere termijn op te stellen. Zo krijgt de onderneming een beter beeld op de toekomst. In het Wetboek van Vennootschappen is echter slechts één bepaling terug te vinden over de inhoud van het financieel plan. Het plan moet een verantwoording inhouden van de toereikendheid van het kapitaal voor een periode van tenminste twee jaar vanaf de oprichting. Het gevolg van deze grote vrijheid qua inhoud is het feit dat financiële plannen gaan van simplistisch en nietszeg­gend, naar zeer gedetailleerd, afhankelijk van de oprichters en hun raadgever(s).

De volgende zaken kunnen zeker helpen bij het opstellen van het financieel plan:

  het schema van het investeringsbudget over de drie (of meer) geplande boekjaren;

  het schema van het bedrijfskapitaal over de drie (of meer) geplande boekjaren;

  het schema van het resultaat na belastingen en van de kasstroom;

  het schema van de besteding en herkomst van de middelen;

  de mate waarin men op verschillende kredietmogelijk­heden een beroep zal kunnen doen;

  de duurtijd van de toegestane en ontvangen kredieten;

  de terbeschikkingstellingen, huur- of leasingcontracten voor het gebruik, de huur of leasing van onroerende of roerende goederen;

  de persoonlijke borgstellingen;

Sancties

De aansprakelijkheid die hieruit voortvloeit bestaat van rechtswege en is hoofdelijk. De rechter moet aldus niet onderzoeken of de oprichters persoonlijke inbreuken op de wet hebben gepleegd, aangezien het volstaat vast te stellen dat het kapitaal ontoereikend was op het ogenblik van de stichting van de vennootschap. Wanneer een financieel plan te beperkt is opgesteld, kan de rechter zich steunen op andere informatie in het vennootschapsdossier, zoals de statuten. Wanneer het doel in de statuten bijvoorbeeld zeer ruim werd genomen en het financieel plan onvoldoende de voornaamste en werkelijke doelstellingen weergeeft, kan de rechter tot het besluit komen dat op basis van het statutaire doel voor de vennootschap grote investeringen nodig waren en dat daartegenover het kapitaal ontoereikend is.

De vordering kan uitsluitend worden ingesteld wegens faillissement van de vennootschap. De curator vertegenwoordigt dan de massa en kan een vordering instellen namens alle gezamenlijke schuldeisers.

Voor het ontbreken of het onvolledig zijn van het financieel plan op zich, voorziet de wetgever geen onmiddellijke sanctie. Voor de notaris daarentegen bestaat er wel een belangrijke aansprakelijkheid, aangezien hij dient in te staan voor de wetmatige oprichting (zie verder).

 Rol van de notaris

 Op de notaris rust geenszins een inhoudelijke verant­woordelijkheid met betrekking tot het financieel plan. De notaris is enkel aansprakelijk voor het bewaren van het plan. De notaris wordt niet geacht een financieel expert te zijn, maar hij kan wel oordelen over de toereikendheid van het plan.

De notaris beoordeelt de vorm en de minimumvereisten, niet de gedetailleerde inhoud. Het komt hem evenwel toe om krachtens zijn algemene plicht tot raadgeving de oprichters te wijzen op de belangrijkheid van het financieel plan en op haar onvolkomenheden.

Geconfronteerd met een duidelijke ontoereikendheid van het overhandigde plan, moet de notaris zijn cliënten inlichten over de effectieve gevaren waaraan ze zich blootstellen. Bij gebreke aan dergelijke informatie kan de contractuele aansprakelijkheid in het gedrang komen die volgt uit zijn informatieplicht.

Bovendien bestaat er een omzendbrief die uitgaat van de Procureur Generaal bij het Hof van Beroep te Brussel waardoor de notaris verplicht is het financieel plan te weigeren indien de inhoud ervan onvoldoende waarborgen bevat, of indien het plan op een onbekwame of ongeloofwaardige wijze is samen­gesteld.

Inzagerecht fiscus

Als de vraag naar een kopij van het financieel plan komt, kan de belastingplichtige drie standpunten innemen

1)               Weigeren

Hij kan aan de fiscus antwoorden dat er geen wettelijke verplichting is om het financieel plan over te maken;

2)               Doorverwijzen

Hij kan aan de fiscus antwoorden dat het financieel plan niet in zijn bezit is en dat het vóór de oprichting werd overgemaakt aan de notaris (zoals het Wetboek van Vennootschappen voorschrijft) en dat de Administratie zich met haar vraag moet wenden tot de notaris zelf.

De Administratie zal dit wellicht niet doen, want de notaris is gebonden door zijn beroepsgeheim en mag dit plan niet overmaken. Tenzij de notaris in kwestie expliciet zou ontheven worden van zijn beroepsgeheim, hetzij door zijn deontologische overheid, hetzij door de rechterlijke macht. Gelet op de onbelangrijkheid van de informatie die de Administratie uit het financieel plan kan/zal halen, zal het ongetwijfeld zover niet komen.

3) Meewerken

De belastingplichtige overhandigt een kopij aan de Administratie.

Het is onze persoonlijke mening dat de Administratie geen recht heeft op een kopij van het financieel plan. Het is evenzeer onze persoonlijke mening dat de belastingplichtige best voor optie deze laatste optie kiest. De Admini­stratie kan volgens ons uit het financieel plan geen informatie halen die tegen de belastingplichtige kan gebruikt worden en het zorgt voor een goede verstandhouding met de fiscus.

Conclusie

Uit bovenstaande blijkt duidelijk dat het belang van het financieel plan niet mag onderschat worden. Het is immers een eigen onderzoek naar de financiële haalbaarheid van je onderneming. Bovendien zullen notarissen niet zomaar een duidelijk ontoereikend plan aanvaarden, gelet op hun aansprakelijkheid.

 

Tom Cooreman

Legal Counsel-Master in Personal Financial Planning

[email protected]

Managing Partner JuriFin

www.jurifin.be


 

Naar een vereenvoudiging van internationale nalatenschappen ?

De Europese Commissie liet gisteren in een persbericht weten voorstellen klaar te hebben om nalatenschappen met grensoverschrijdende aspecten binnen de Unie te vereenvoudigen (MEMO/09/447).

Door de toenemende mobiliteit in een ruimte zonder binnengrenzen en het stijgende aantal duurzame relaties tussen onderdanen uit verschillende lidstaten, waarbij dikwijls goederen worden verworven die in meerdere landen van de Unie zijn gelegen, is de erfopvolging zeer ingewikkeld geworden (zie Green Paper, Succession and Wills (SEC(2005) 270).

Er zijn naar schatting jaarlijks zo’n 4,5 miljoen successie binnen de Unie, tien procent daarvan met grensoverschrijdende dimensies. De waarde hiervan wordt geschat op ongeveer 123M EUR per jaar.

De moeilijkheden waarmee de betrokkenen bij een transnationale erfopvolging te maken krijgen, zijn grotendeels te wijten aan het grote verschil in materiële regels, formele regels en collisieregels op dit gebied tussen de lidstaten (zie Green Paper).

 

Het voorstel wil internationale successies vereenvoudigen, voor meer rechtszekerheid zorgen aan lagere kost voor de testator en het voor erfgenamen of legatarissen eenvoudiger maken goederen uit een nalatenschap vrij te krijgen.

 

Er zal evenwel niet geraakt worden aan de nationale regels die van toepassing zijn, noch wijzigingen aanbrengen aan de fiscaliteit verbonden aan de erfopvolging.

 

Deze voorstellen betekenen echter nog maar een beperkte verdere stap in een bijzonder complex en ingewikkeld project. Vooraleer ook op het terrein verandering merkbaar zal worden zullen we nog enkele jaren verder zijn. Desalniettemin interessante materie om verder op te volgen…

 

 

Tom Vermeiren

 

Stremersch, Van Broekhoven en Partners, Onafhankelijke financiële planners.

www.svbp-financieleplanners.be

 

 


 

Ook bestuurders kunnen woning onbeslagbaar laten verklaren

Zelfstandigen kunnen zich ten dele beschermen tegen hun schuldeisers door hun privé-woning onbeslagbaar te laten verklaren via een uitdrukkelijke verklaring afgelegd ten overstaan van een notaris. Er was tot voor kort twijfel over de vraag of ook vennootschapsmandatarissen (bestuurders van NV’s, zaakvoerders van BVBA’s) dat kunnen. Maar de wetgever heeft die twijfel nu weggenomen.


Sinds 8 juni 2007 kunnen zelfstandigen hun privéwoning (hoofdverblijfplaats) aan beslag vanwege hun schuldeisers onttrekken mits het laten opstellen van een uitdrukkelijke verklaring in die zin ten overstaan van een notaris (wet van 25 april 2007 houdende diverse bepalingen IV, B.S. 8 mei 2007, Ed. 3, artikelen 72 tot 83).


Deze mogelijkheid staat open voor natuurlijke personen die in België een beroepsbezigheid uitoefenen. Ze moeten dit op zelfstandige basis doen, en dus niet door een arbeidsovereenkomst of door een statuut verbonden zijn. Bovendien moet de activiteit uitgeoefend worden in hoofdberoep. Zijn dus concreet geviseerd: de zelfstandige handelaars en ambachtslui, maar evenzeer de titularissen van een vrij beroep.


Of ook bestuurders en zaakvoerders van vennootschappen de verklaring van onbeslagbaarheid kunnen afleggen werd door sommigen in twijfel getrokken. De Koninklijke Federatie van het Belgisch Notariaat heeft steeds de stelling verdedigd dat ook bestuurders, zaakvoerders en andere vennootschapsmandatarissen van de bescherming kunnen genieten, voor zover zij aan de wettelijke voorwaarden voldoen. 


Toen minister Sabine Laruelle, bevoegd voor KMO’s, Zelfstandigen en Landbouw, hierover vorig jaar mondeling geïnterpelleerd werd door Kamerlid Peter Logghe tradt ze de redenering van het notariaat bij. Volgens de minister vallen de bestuurders van de vennootschappen onder de toepassing van de wet aangezien ze als zelfstandigen worden beschouwd en er voor hen in de wet geen enkel voorbehoud werd gemaakt (Vraag van 5 maart 2008, Kamer 2007-2008, CRIV 52 COM 136 en Vraag van 8 april 2008, Kamer 2007-2008, CRIV 52 COM 151).


Het standpunt van de minister is ondertussen formeel opgenomen in de wet, zodat hierover voortaan rechtszekerheid bestaat. Door artikel 118 van de Wet van 6 mei 2009 houdende diverse bepalingen (B.S. 19 mei 2009, blz. 37860) werd artikel 72 van de wet van 25 april 2007 aangevuld. Dat zegt nu in niet mis te verstane bewoordingen dat de activiteit van mandataris van een rechtspersoon een zelfstandige beroepsbezigheid uitmaakt in de zin van de hier bedoelde wet. 


Van de gelegenheid werd ook gebruik gemaakt om artikel 73 van de wet van 2007 aan te vullen met een bepaling die als volgt luidt: “De verbintenis van een zelfstandige om geen verklaring af te leggen in de toekomst is absoluut nietig”. Een bepaling die geen verdere commentaar behoeft.


Er werd tenslotte in artikel 82 van de wet verduidelijking gebracht over het ereloon voor de notaris die de notariële verklaring van onbeslagbaarheid opstelt. De wetgever legde in 2007 zelf het ereloon vast dat de notaris mag vragen. Dit is vastgelegd op 500 euro voor het opstellen van de verklaring en nog eens 500 euro voor de inschrijving op het hypotheekkantoor. De doorhaling ervan kost eveneens 500 euro. Nu is de wettekst aangevuld met een bepaling die stelt dat het hier bedoelde ereloon slechts één keer verschuldigd is wanneer de aangifte (of de herroeping) betrekking heeft op een zelfstandige en zijn meewerkende echtgenoot, of op twee zelfstandigen die gehuwd zijn of wettelijk samenwonen en die gezamenlijk hun activiteit uitoefenen in dezelfde vestigingseenheid.


Eric Spruyt

Notaris-vennoot Berquin Notarissen cvba, Brussel 

Docent Hogeschool Universiteit Brussel (HUB), Fiscale Hogeschool


 

Fiscaal voordelig een bouwgrond schenken: tot eind 2009!

Sinds 2003 zijn de schenkingsrechten voor bouwgronden verlaagd t.o.v. de schenkingsrechten op andere onroerende goederen. Deze maatregel blijft van kracht voor schenkingen die vóór 1 januari 2010 geregistreerd worden. Hoogste tijd voor actie !

Welke schenkingen komen in aanmerking voor het verminderd tarief voor bouwgronden ?

Het verminderd tarief is enkel van toepassing op een schenking. De bouwgrond moet niet in volle eigendom worden geschonken : een schenking beperkt tot de blote eigendom of het vruchtgebruik staat de toepassing van het verlaagd schenkingstarief niet in de weg. Evenmin wordt voor de toepassing van het preferentieel tarief vereist dat de schenker bij de schenking al zijn rechten in de bouwgrond overdraagt aan de begiftigde : de begiftigde moet ingevolge de schenking niet de geheelheid van de volle eigendom, blote eigendom of vruchtgebruik in de bouwgrond bekomen.

Het voorwerp van de schenking moet een perceel grond zijn, dat volgens de stedenbouwkundige voorschriften bestemd is voor woningbouw. De wet stelt geen voorwaarden naar de ligging van de bouwgrond : de schenking van zowel een perceel bouwgrond gelegen in het Vlaams, in het Waals of in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest komt in aanmerking voor de Vlaamse tariefverlaging.

Het preferentieel tarief zal enkel van toepassing zijn wanneer de schenker op het ogenblik van de schenking zijn fiscale woonplaats in het Vlaamse Gewest heeft. In het geval dat de schenker-rijksinwoner in de vijf jaar voorafgaand aan de schenking zijn fiscale woonplaats in verschillende Gewesten heeft gehad, zal het preferentieel tarief slechts van toepassing kunnen zijn indien hij gedurende die periode het langst zijn fiscale woonplaats in het Vlaamse Gewest heeft gehad.

Er is slechts één voorwaarde wat betreft de begiftigde : de begunstigde van de schenking moet een natuurlijk persoon zijn. Noch zijn fiscale woonplaats, noch het feit of hij al dan niet rijksinwoner is, is relevant. Er is ook geen specifieke verwantschap met de schenker vereist. De familieband zal wel bepalend zijn voor de hoegrootheid van de verlaging – cf. infra.

Het verlaagd schenkingsrecht is slechts tijdelijk van toepassing. De verminderde tarieven gelden voor notariële schenkingsakten die worden verleden tot en met 31 december 2009. Let wel : indien de akte een opschortende voorwaarde bevat en deze voorwaarde
vervuld wordt buiten voormelde periode, zijn de gewone tarieven van toepassing.

Het verminderd tarief wordt slechts behouden indien de begiftigde, binnen de drie jaren na de schenkingsakte, m.b.t. het geschonken perceel een volledig dossier indient tot het bekomen van een stedenbouwkundige vergunning voor het bouwen van
een woning. Of de begiftigde voldoet aan deze voorwaarde, wordt beoordeeld door het ontvangstbewijs van de aanvraag tot het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning ! Er wordt dus niet geëist dat binnen een bepaalde termijn effectief een woning wordt gebouwd...

Hoeveel bedraagt het tarief ?

De tarieven worden berekend over het bruto-aandeel van de begiftigde in het geschonken goed, volgens de verwantschap met de schenker, en wel als volgt :
a) voor schenkingen in rechte lijn en tussen echtgenoten, wettelijk samenwonenden en feitelijk samenwonenden (dwz personen die op de dag van de schenking ten minste één jaar ononderbroken met de schenker samenwonen en er een gemeenschappelijke huishouding mee voeren) :

van tot inbegrepen tarief bedrag over vorige schaal
EUR EUR % EUR
0,01 12.500 1 -
12.500 25.000 2 125
25.000 50.000 3 375
50.000 100.000 5 1.125
100.000 150.000 8 3.625
150.000 200.000 14 7.625
200.000 250.000 18 14.625
250.000 500.000 24 23.625
boven de 500.000 30 83.625

Een vergelijking van bovenstaande tabel met de tarieftabel voor de schenkingen van (andere) onroerende goederen, leert dat in feite het bijzondere tarief voor de schenking van bouwgrond verlaagd wordt met 2 % in vergelijking tot de gemeenrechtelijke tarieven en dit tot de schijf van 150 000 EUR. Boven de 150 000 EUR zijn de tarieven identiek aan de gemeenrechtelijke.

voorbeeld Vader schenkt een stuk landbouwgrond met een waarde van 100 000 EUR aan zijn zoon : het «gewone» schenkingsrecht bedraagt 5 625 EUR.
Wanneer vader een stuk woningbouwgrond met een waarde van 100 000 EUR aan zijn zoon schenkt, dan bedraagt het «preferentieel» schenkingsrecht slechts 3 625 EUR.

b) voor schenkingen aan andere personen :

Gedeelte van de schenking  tussen broers en zusters tussen ooms of tantes en neven en nichten tussen alle andere personen
van tot inbegrepen      
EUR EUR % % %
0,01 150.000 10 10 10
150.000 175.000 50 55 65
boven de 175.000 65 70 80


Welke formaliteiten moeten worden vervuld ?

In de schenkingsakte moet uitdrukkelijk worden vermeld (1) dat het perceel grond volgens de stedenbouwkundige voorschriften bestemd is voor woningbouw én (2) dat de begiftigde er zich toe verbindt om binnen de drie jaar na de schenkingsakte een volledig dossier in te dienen om een stedenbouwkundige vergunning te krijgen voor het bouwen van een woning op het geschonken perceel.
Als deze verbintenis niet wordt nagekomen (behoudens door overmacht), dan is de begiftigde verplicht om bovenop de al betaalde schenkingsrechten aanvullende rechten te betalen tot het bedrag van de normaal verschuldigde rechten, vermeerderd met de wettelijke interest.

Progressievoorbehoud inzake schenkingsrechten

Schenkingen van onroerende goederen, gedaan minder dan 3 jaar vóór de nieuwe schenking van onroerende goederen, moeten bij de belastbare grondslag van de nieuwe schenking worden gevoegd om de tariefschijf te bepalen waaraan de nieuwe schenking moet worden belast. Dit wil niet zeggen dat de vroegere schenkingen opnieuw worden belast : deze tellen alleen mee om het toepasselijk percentage, dat moet worden toegepast op de nieuwe schenking, te bepalen. Het progressievoorbehoud inzake registratierechten is enkel van toepassing op schenkingen van onroerende goederen.

Deze algemene regel van progressievoorbehoud blijft onverkort van toepassing in het geval van schenking, aan verlaagd tarief, van bouwgrond. Er wordt enkel een speciale regeling ingevoerd voor het geval in eenzelfde akte of in een andere akte van dezelfde datum naast een perceel woningbouwgrond ook nog andere goederen worden geschonken. In voormeld geval wordt de schenking van de bouwgrond geacht aan de schenking van de andere goederen te zijn voorafgegaan, en kan aldus ten volle de verlaging van het tarief genieten. Praktisch gezien gaat men derhalve best eerst over tot de schenking van de bouwgrond en pas nadien tot eventuele andere schenkingen.

Progressievoorbehoud inzake successierechten

Ook inzake successierechten bestaat een progressievoorbehoud. Hier viseert de wetgever de schenking, gevolgd binnen de drie jaar, niet door een nieuwe schenking, maar door het overlijden van de schenker. De waarde van een schenking die tot belastbare grondslag heeft gediend van een aan schenkingsrecht onderworpen schenking die plaatsvond binnen de drie jaar voor het overlijden, wordt bij het actief gevoegd in de nalatenschap en heeft als gevolg dat de nalatenschap mogelijks in een hogere tariefschijf terechtkomt. Het progressievoorbehoud inzake successierechten viseert enkel de schenking van onroerende goederen.

Voor schenkingen in de rechte lijn, tussen echtgenoten en samenwonenden, van een bouwgrond wordt het progressievoorbehoud bij de berekening van de successierechten evenwel geneutraliseerd. Als de schenker binnen de drie jaar na de schenking zou overlijden, zal de waarde van de bouwgrond dus niet bij het erfrechtelijk emolument worden gevoegd om het verschuldigde successierecht te bepalen. Voor alle andere begiftigden blijft ook in de successierechten de regel van de gecumuleerde progressie wél van toepassing.

Anne MEYUS, Head of Estate Planning Commerzbank International.
Dit artikel verscheen in de nieuwsbrief Professioneel Vermogensadvies.
Meer fiscaal en financieel nieuws vindt u op www.financeworld.be.

FinanceWorldlogo


 


 

Hoe slim is onze regering én wat betekent het woord besparen?

Dagelijks horen we in het nieuws dat onze regering zoveel moet besparen.  Overal is men op zoek naar geld…  Voor zover wij onder besparen “minder geld uitgeven” verstaan kunnen we de vraag stellen wat onze slimme ministers vandaag uitdokteren…  De media bracht vandaag het nieuws dat de regering het plan heeft om jaarlijks het pensioensparen te belasten.


Vandaag is het zo dat de pensioenplannen van de 2 de pijler op eindvervaldag (zijnde 60 of 65) aanleiding geven tot een éénmalige taxatie bij uitkering en het klassieke pensioensparen of derde pijlerprodukten op 60 jaar, ongeacht de datum van uitkering.  


Voor zover wij hebben kunnen lezen, zou het niet de bedoeling zijn om deze plannen zwaarder te gaan taxeren, gelukkig maar… doch wel gespreid over de looptijd van het contract….


Mijn inziens is dit echter een kunstgreep die slechts een tijdelijk effect heeft: men versnelt de ontvangsten vandaag, maar vermindert de ontvangsten in de toekomst… Zodra het positief effect weggewerkt is, vergroot men de put naar de toekomst ….


Is dit onze moderne beleidsvorming?


[email protected]

Financieel planner


 

Wie geeft 60 EUR voor een briefje van 50?

Bij de verdeling van een nalatenschap kan het gebeuren dat een woning voor wat betreft het vruchtgebruik aan de ene en voor wat betreft de naakte eigendom aan een andere erfgenaam toekomt. Een zekere mate van verstandhouding onder deze erfgenamen is dan wenselijk.

Soms ontbreekt het hieraan, en in de wet werd dan ook een ontsnappingsroute voorzien.

Hierover verscheen reeds eerder een bijdrage op deze op dit forum.

In theorie zeer mooi, in de praktijk stel je vast dat de door het notariaat gehanteerde berekeningswijze nogal wat vragen oproept.

De vraag rijst dan ook welke de waarde is die aan een dergelijk vruchtgebruik moet worden toegekend. De wetgever geeft hierop volgend antwoord:

“Het vruchtgebruik wordt berekend volgens de waarde op de dag van de omzetting. Bij die waardering wordt onder meer en naar gelang van de omstandigheden rekening gehouden met de waarde en de opbrengst van de goederen, de eraan verbonden schulden en lasten en de vermoedelijke levensduur van de vruchtgebruiker.”

Bij het opstellen van deze regel werd destijds in de Senaat geoordeeld dat het onbillijk zou zijn om voor alle gevallen in een zelfde omzettingsregel te voorzien.

Het cliché wil dat juristen en rekenkunde niet zo goed samengaan. Wat er ook van zij, de vaststelling is wel dat, nochtans duidelijk tegen de uitgedrukte wens van de Senaat in, de notariële praktijk zeer vlug een zelfde forfaitaire regel, namelijk de tabellen Ledoux, is gaan toepassen.

Dit leidt tot verkeerde en eerder arbitraire waardebepalingen die dienen als basis tot omzetting. Misschien is het dan toch beter eenzelfde regeling ongeacht de omstandigheden in de wet op te nemen, de verdeling zal dan nog steeds eerder arbitrair gebeuren, maar men weet dan op voorhand waaraan men toe is.

Toepassing meest gehanteerde omzettingsregels Ledoux rampzalig?

Een aantal auteurs en pratici bestwisten het gebruik van de tabellen Ledoux. Onder meer G., C. en F. Levie, die beweren dat het vruchtgebruik een element is dat losstaat van de volle eigendom en Jacques Schryvers, wiens eigen berekeningstabellen ook geregeld gebruikt en geraadpleegd worden in de praktijk.

Bij de methode Ledoux wordt slechts één precentage gehanteerd, met name de opbrengst van het vastgoed gelijk zijnde aan de rentevoet die gebruikt wordt om de jaarlijkse stromen te actualiseren.

Dit wordt door Schrijvers fel bekritiseerd:

“...Tijdens een periode waarin de reëelnetto-interest, d.i. na aftrek van voorheffing en inflatie, ongeveer 1% be-draagt en de nettohuurwaarde van een gebouw merkelijk meer kan bedragen, is de toepassing van de nieuwe tabel Ledoux, …, rampzalig voor iedereen aan wie het vruchtgebruik een reëel inkomen verschaft of een uitgave bespaart, dat hoger is dan de gebruikte kapitalisatierentevoet.”

In de mate dat hetzelfde percentage de opbrengst van kapitaal voorstelt, is de berekening Ledoux inderdaad verkeerd. Het feit dat er met éénzelfde kapitalisatievoet gerekend wordt, is m.i. echter wel correct.

Waarde vruchtgebruik groter dan de waarde van de volle eigendom ?

 

Jacques Schryvers komt op zijn beurt tot de vaststelling dat de waarde van het vruchtgebruik op een goed best hoger kan zijn dan de waarde van de volle eigendom en stelt:

 “Nog altijd op ingeving van de tabellen Ledoux beperkt het notariaat de rechten van de vruchtgebruiker door als regel te stellen dat de volle eigendom gelijk is aan de blote eigendom plus het vruchtgebruik (VE = BE + VG). De regel heeft tot logisch gevolg dat de omzettingswaarde van het vruchtgebruik niet groter mag zijn dan de waarde in volle eigendom. Deze fictie beantwoordt echter niet aan de economische realiteit,...”

“Hoe logisch de regel ook moge lijken, toch is hij, in de materie van de omzetting van het vruchtgebruik van de langstlevende partner, noch financieel, noch juridisch te rechtvaardigen ...”

De remedie die gesteld wordt, en ertoe leidt dat de waarde van het vruchtgebruik hoger kan uitkomen dan de waarde van de blote eigendom lijkt m.i. echter eveneens verkeerd. Met name wordt voorgesteld een vaste stroom van huurinkomsten te nemen, en deze inkomstenstroom te verdisconteren aan een rentevoet gelijk aan de nettorentevoet waartegen belegd kan worden.

Wanneer deze berekening vervolgens een hogere waarde toekent aan VG dan aan de waarde van de VE, wordt er onvoldoende rekening gehouden met het risico dat verbonden is aan de te verwachten inkomstenstroom van het vastgoed.

60 EUR betalen voor een briefje van vijftig?

Laten we ter verduidelijking een uitzonderlijk aanbod lanceren: wie me vandaag 60 EUR betaalt, krijgt een briefje van 50 EUR in de plaats!

Welke ‘idioot’, zal u denken betaalt vandaag contant 60 EUR voor een briefje van 50 EUR?  Wel, wanneer we het rendement maar hoog genoeg voorstellen, zal er vroeg of laat wel iemand toehappen. We zwijgen dan liefst over de risico’s.

Laten we gedurende twintig jaar een rendement vooropstellen van 10% op het briefje van vijftig euro. We vragen er nu dan wel zestig euro voor. Om snel iemand te vinden berekenen we het rendement voor de investeerder:

Risicovrije rentevoet

Rendement

2%

10%

WINST:

21,33 €

50

0

-60

1

5

2

5

3

5

18

5

19

5

20

5

Wanneer het rendement van 10% echt gegarandeerd wordt, is het dus helemaal niet idioot om zestig euro voor het briefje te betalen. Het lijkt erop dat het vruchtgebruik over twintig jaar op het briefje al merkelijk meer waard is dan de waarde van de volle eigendom vandaag.... Enkel al het rendement maakt de investering de moeite waard, we hebben daarenboven na twintig jaar nog steeds het briefje van vijftig bovenop. Het lijkt erop dat we enkel al voor de toekomstige opbrengsten op het briefje zelfs veel meer dan zestig euro kunnen vragen.

Is dit zo ? Neen, men zal pas een koper vinden aan die prijs wanneer iemand voldoende overtuigd is dat de opbrengst werkelijk gegarandeerd is. De meesten zullen al snel tot de conclusie komen dat ze verlies zullen lijden wanneer ze het rendement niet minstens een aantal jaren kunnen behalen.

Een soortgelijk mechanisme lijkt zich voor te doen wanneer de waarde van het VG hoger ingeschat wordt dan de BE voor omzetting van vruchtgebruik op een onroerend goed.

Risico mee verrekenen

Net zoals in het voorbeeld van het briefje van vijftig euro, zijn de toekomstige inkomsten voor de vruchtgebruiker onzeker. Dit risico vindt nu net zijn weerslag in het rendements-percentage van het vastgoed.

Wanneer men een som verkrijgt uit de omzetting van een vruchtgebruik, en men dit vervolgens tegen de risicovrije rentevoet zal beleggen, zal men – zoals Schryvers terecht opmerkt – wellicht een lagere inkomstenstroom genieten dan voorheen. Maar ook de risicopositie van de voormalige vruchtgebruiker is dan gewijzigd! Wil deze een gelijkaardig rendement als voorheen, zal een gelijkaardig risico moeten genomen worden. Zo helpe ons  - voorlopig nog - de onzichtbare hand van het vrije marktmechanisme, welke tegenover ieder ingeschat risico een gepaste vergoeding plaatst.

Het lijkt dan ook logisch om ook de risicofactor mee in rekening te nemen, en dus de inkomstenstroom van de vruchtgebruiker te verdisconteren tegen het rendement van de investering.

CONCLUSIE

Een berekening die afwijkt van de ‘standaardmethode’ zou wel eens lonend kunnen zijn, en zelfs beter aansluiten bij de waarde die de wetgever voor ogen had. Wie met omzetting te maken krijgt, zet zich dus best aan het rekenen.

Het opnemen van een fofaitaire berekeningswijze in de wet zelf ware veel duidelijker geweest.

 

[email protected]

 

www.svbp-financieleplanners.be

 


 

Minder successierechten dankzij het 'ik-opa'-testament

Vele mensen vragen zich op hun oude (of iets minder oude) dag af hoe ze kunnen vermijden dat de fiscus met een aanzienlijk deel van hun vermogen gaat lopen wanneer zij overlijden. Bovendien hebben de kinderen vaak financieel niets tekort en kunnen de kleinkinderen beter een duwtje in de rug gebruiken. 'Het “ik opa”-testament biedt mogelijkheden om aan die verzuchtingen tegemoet te komen' schrijft Cindy Dhondt van Alaska in de nieuwsbrief Professioneel Vermogensadvies.


Arm sterven

Een eerste mogelijkheid is ervoor te zorgen arm te sterven. Dit kan door tijdens het leven al weg te schenken wat verwacht wordt niet meer nodig te zijn. De lage schenkingsrechten in rechte lijn zijn er niet vreemd aan dat dit een zeer gegeerde techniek vormt. Niettegenstaande diverse modaliteiten ervoor kunnen zorgen dat de schenker niet zonder enige vorm van inkomen achterblijft, ontbreekt het bij sommigen toch aan de wil om zich tijdens hun leven op aarde al van alle aardse zaken te ontdoen. Bovendien hebben de kinderen vaak financieel niets tekort en kunnen de kleinkinderen beter een duwtje in de rug gebruiken. Voor de grootouders die met deze zorg begaan zijn, kan het 'ik-opa'-testament een oplossing bieden.

Het  'ik-opa'-testament

Het voordeel van een testament is dat men, mits naleving van de wettelijke erfrechtregels, bepaalde personen kan begunstigen boven anderen. Het nadeel is dan weer dat de successierechten kunnen oplopen tot 27% vanaf 250 000 euro. In het 'ik-opa'- of 'ik-oma'-testament kunnen volgende fiscaalvriendelijke technieken toegepast worden.

Splits de erfenis op

Vooreerst kan de erfenis verdeeld worden over zo veel mogelijk erfgenamen in rechte lijn door én de kinderen én de kleinkinderen te begunstigen. Hoe meer erfgenamen, hoe kleiner elk erfdeel en hoe minder successierechten er zullen moeten betaald worden. De progressiviteit van de successietarieven wordt hierdoor immers afgevlakt.
Bovendien zal wat de grootouders rechtstreeks aan de kleinkinderen hebben gelegateerd, niet in het vermogen van de ouders terechtkomen, waardoor successierechten worden vermeden bij het overlijden van de ouders.
Deze techniek van “generation skipping” kan evenwel de kinderen niet volledig onterven, aangezien zij altijd recht hebben op hun reservatair erfdeel.

Daarnaast kan ook optimaal gebruik gemaakt worden van de wettelijk voorziene vermindering voor kleine erfdelen, welke een basisvermindering voorziet voor erfgenamen in rechte lijn indien het netto-erfdeel (dit is de som van het roerend en onroerend aandeel van een erfgenaam in de nalatenschap) kleiner is dan 50 000 euro. Het hoogste bedrag dat hierdoor successievrij kan worden vererfd is 12 500 euro aangezien de te betalen successierechten dan even groot zijn als de vermindering. Wanneer een grootouder in zijn testament aan elk kleinkind een bedrag legateert van telkens maximaal 12 500 euro dan zal elk kleinkind dit legaat successierechten-neutraal kunnen vererven. Hoe meer kleinkinderen, des te groter de besparing kan zijn.

Maar de grootouders vinden de kleinkinderen vaak nog te jong of te onervaren om nu al een groot vermogen te ontvangen. Hier kan een mouw aan gepast worden door voorwaarden te koppelen aan het legaat ten gunste van het kleinkind, waardoor het kleinkind pas op een bepaalde leeftijd over de erfenis k beschikken of de erfenis in schijven ontvangt.

Een algemeen legaat met last is een variant op de hiervoor beschreven technieken. Klik hier om te lezen hoe deze techniek toegepast wordt.

Cindy Dhondt, Alaska

Dit artikel verscheen eerder in de nieuwsbrief Professioneel Vermogensadvies.
Meer fiscaal en financieel nieuws vindt u op www.financeworld.be

FinanceWorldlogo


 



Beursblogs