Opel toch in Belgische handen?

Nog altijd is de verkoop van Opel niet rond. Een aantal maanden geleden wist de Canadese producent van auto-onderdelen Magna weliswaar een principeakkoord te sluiten, vooralsnog heeft het concern nog geen definitief akkoord bereikt met Opel’s huidige eigenaar General Motors over een definitieve verkoop. Mede hierdoor is de strijd om de automobielproducent nog helemaal open. Investeringsmaatschappij RHJ International heeft aangekondigd een nieuwe poging te zullen doen om de Duitse autofabrikant over te nemen.

Concessies
In mei van dit jaar leek Magna de strijd om Opel te hebben gewonnen door een voorlopig akkoord te bereiken met General Motors en de Duitse overheid. Vooralsnog is er echter nog geen definitief akkoord bereikt wat de speculaties voedt. GM zou het gevoel hebben dat Magna de steun van de Duitse regering gebruikt om ongewenste concessies af te dwingen.

De Financial Times maakte er dan ook laatst melding van dat GM de andere kandidaten die Opel nog steeds willen overnemen zou hebben bericht dat ze nog altijd kunnen bieden. Naast RHJ zijn de Italiaanse autofabrikant Fiat en de Chinese autoproducent BAIC (Beijing Automotive Industry Corp) nog in de race.

RHJ International zou naar verluidt 51-55% van de aandelen Opel van GM willen overnemen. De Duitse overheid zou in deze deal 3,8 miljard euro aan steun dienen te geven, wat 700 miljoen euro minder is dan wat Magna denkt nodig te hebben.

Poleposition
Volgens ingewijden staat Magna niet langer op poleposition en heeft RHJ significant terrein teruggewonnen, aldus de Financial Times. Een andere bron weet te melden dat RHJ en GM dicht bij een principeakkoord zijn.

De Duitse krant Die Welt meldt maandag dat de Duitse overheid van mening is dat BAIC alleen geïnteresseerd is in het overnemen van Opel vanwege zijn moderne technologieën. Volgens een intern rapport waarop de krant de hand wist te leggen zou Opel gevaarlijk afhankelijk worden van de Chinese overheid. Deze nadelen op lange termijn lijken de voordelen op korte termijn te overwegen, aldus de krant.

RHJ International is geregistreerd in België en gelieerd aan de Amerikaanse investeringsmaatschappij Ripplewood. In de voorwaarden van het nieuwe bod zou zijn opgenomen dat RHJ alle Duitse fabrieken van Opel zal openhouden. In een eerder bod gaf RHJ nog aan dat alle drie de fabrieken in Duitsland gesloten zouden moeten worden. Naar verluidt zou RHJ voor minimaal vijf jaar het belang in Opel in bezit willen houden.

RHJ wordt alleen actief gevolgd door analist Tom Simonts van KBC Securities. De analist verlaagde op 1 juli zijn koersdoel voor het aandeel van 8 euro naar 7 euro vanwege de neerwaartse bijstellingen die het concern heeft gedaan. De lasten waren hoger dan de analist had verwacht. Het nieuwe koersdoel impliceert een opwaarts potentieel van 26%. Volgens Simonts is het meeste risico al in de koers van het aandeel ingeprijsd waardoor hij bij zijn buy-advies blijft.

Geschreven door Christian Slagter, research medewerker Analist.be, Antwerpen, maandag 13 juli.


 

Slecht nieuws voor spaarders: de crisis is voorbij

De kredietcrisis lijkt over het dieptepunt heen te zijn: goed nieuws voor de economie, maar slecht nieuws voor spaarders. De rente op spaarrekeningen en deposito’s daalt met grote snelheid, soms wel tot de helft in slechts enkele maanden tijd. Het vertrouwen in het banksysteem is terug en de hoge rentes die moesten worden betaald om spaarders aan te trekken, zijn een verschijnsel uit het verleden.

Dit stelt spaarders voor een probleem. Vorig jaar konden ze hun geld wegzetten tegen een rente die veel hoger was dan de rente op kortlopende staatsobligaties, in de gelukkige wetenschap dat de meeste overheden hun banktegoeden garandeerden tot een bedrag van EUR 100.000. Nu is de garantie er nog steeds, maar de hoge rente niet meer. En laten we eerlijk zijn: in een wereld zonder inflatie moeten risicovrije rentevoeten laag zijn. De rentevoeten van vorig jaar waren een crisisgerelateerd cadeautje, een ongewone manier van politieke vrijgevigheid.

Veel spaarders zullen pas in de tweede helft van het jaar met deze realiteit geconfronteerd worden, wanneer hun eenjarige deposito’s moeten worden vernieuwd. Een deel van deze beleggers zal de deposito’s vernieuwen tegen de lagere rente. Een paar procent is tenslotte nog steeds heel redelijk zolang er geen sprake is van inflatie. Een ander deel zal moeite hebben met deze ‘Japanse’ manier van denken. Deze beleggers zullen op zoek gaan naar betere kansen. Het goede nieuws is dat aandelen en bedrijfsobligaties nog steeds aantrekkelijke dividenden en rentevergoedingen opleveren, het slechte nieuws is dat deze vergoedingen niet voor niets zo hoog zijn.

Kapitaalmarkten zijn behoorlijk efficiënt en beleggers verdisconteren het feit dat de onzekerheid over de mondiale economische vooruitzichten ongewoon groot is. De optimisten verwachten een mooi herstel in 2010 en vooral in 2011, gedragen door het aanbod van goedkoop geld en de opkomende markten. Maar de kans op een traag, langgerekt herstel met geen of weinig inflatie is vermoedelijk even groot. In dat scenario zal de toename van de bedrijfsomzetten naar alle waarschijnlijkheid bescheiden blijven en de macht van de bedrijven om de prijzen te bepalen beperkt, waardoor er weinig ruimte voor winstgroei zal zijn. Aangezien beide uitkomsten mogelijk zijn, is het niet verstandig om alles in te zetten op één scenario.

Voor degenen die hun inkomen willen verhogen door geld van hun spaarrekening te halen en in hoogrenderende beleggingen te steken, zien de rendementen op obligaties en aandelen van kwalitatief goede bedrijven er nog steeds aantrekkelijk uit. Verrassend genoeg kunnen de dividendrendementen in sommige Europese sectoren, zoals olie, nutsbedrijven, telecommunicatie en de gezondheidszorg, wel 5 tot 7% bedragen, even hoog als de rente op obligaties van diezelfde bedrijven. Dit is zeer ongebruikelijk, omdat het dividendrendement doorgaans duidelijk onder het niveau van het obligatierendement ligt. Dividenden worden tenslotte verondersteld in de loop van de tijd te stijgen, terwijl de couponrente op een obligatie niet verandert.

Waarom zijn deze dividendrendementen dan zo hoog? Denken beleggers dat bedrijven deze dividendniveaus in de toekomst niet kunnen vasthouden? Wij denken dat ze die niveaus wél zullen kunnen vasthouden, gelet op het feit dat deze bedrijven doorgaans een keurige balans hebben en actief zijn in niet-cyclische sectoren. Een plausibeler antwoord is dat beleggers weinig potentieel zien voor deze bedrijven om hun dividend de komende jaren te verhogen, omdat ze wel eens te maken zouden kunnen krijgen met een futloze economie.

Dus voor wie op zoek is naar een redelijk beleggingsinkomen zijn kwalitatief goede bedrijfsobligaties en aandelen met een hoog dividend nog steeds een aantrekkelijk alternatief voor laagrenderende spaarrekeningen. Daarbij moet men zich wel realiseren dat bedrijfsobligaties en aandelen na de recente rally niet meer ondergewaardeerd zijn. De hoge rendementen op die bedrijfsobligaties en aandelen zijn dan ook een weerspiegeling van de verwachtingen van beleggers ten aanzien van een moeilijke economische omgeving waarin risicovolle vermogenstitels voorlopig nog niet in rustig vaarwater terecht zullen komen.

Ad van Tiggelen is senior strategist bij de Multi-Asset Group van ING Investment Management. De informatie in zijn columns is niet bedoeld als beleggingsadvies of als aanbeveling tot het doen van bepaalde beleggingen.


 

De waanzin voorbij

Straks is het 11 juli en dan viert Vlaanderen feest. In talrijke steden en gemeenten worden buurtbarbecues en straatfeesten georganiseerd. Cera is één van de organisaties die dergelijke initiatieven aanmoedigt en financieel ondersteunt. Wie z’n aanvraag voor bbq-cheques goedgekeurd zag, kreeg dit jaar zelfs extra budget toegeschoven. Wat een vrijgevigheid in deze barre economische tijden. En dat voor een holding die virtueel failliet is.

Met bijna een half miljoen aandeelhouders is Cera de grootste coöperatieve vennootschap van het land. Het belangrijkste actief van de vennoten bestaat uit 26 miljoen aandelen KBC en 48 miljoen aandelen KBC Ancora. Laatstgenoemde is een mono-holding met een 23%-belang in KBC. Rechtstreeks en onrechtstreeks controleert Cera op die manier iets meer dan 30% van de KBC Groep.

Over 2008 rapporteerde Cera een recordverlies van 818 miljoen euro. Dat is na afwaardering van de belangen in KBC en KBC Ancora. Onder de Belgische boekhoudregels hoeft een afboeking tot de marktwaarde evenwel niet. De bestuurders hebben er een fantasieprijs opgekleefd: 31,50 euro voor een aandeel KBC en 25,64 euro voor een aandeel KBC Ancora. Had men de aandelen aan marktprijs ingeschreven, dan was het eigen vermogen verschrompeld tot amper een paar honderd miljoen euro.

Dit jaar doken de beurskoersen van de twee belangrijkste activa nog eens met een kleine 40%. Kortom: het eigen vermogen van Cera is nu volledig weggesmolten. Na de schrapping van de dividenden van KBC en KBC Ancora heeft de holding bovendien geen inkomsten meer. Op de bankrekening stond eind december slechts 7132 euro. Van waar kwam dan het geld om deze maand voor 20,5 miljoen euro aan dividenden uit te betalen? En wat met de bbq-cheques en alle andere uitgaven voor maatschappelijke projecten?

Onder invloed van een nieuwe overnamewet kochten zowel Cera als KBC Ancora in 2007 extra aandelen KBC tegen recordprijzen. Wie voor 1 september 2007 zijn belang opdreef boven 30 procent, zou immers vrijgesteld worden van een verplicht overnamebod bij het overschrijden van die drempel. Beide hebben ze toen geld geleend. Eind december torste Cera voor 472 miljoen euro aan schulden. Dat moet ondertussen opgelopen zijn tot meer dan 500 miljoen euro, want voor alle lopende uitgaven moet er geleend worden.
Het is regelrechte waanzin. Met slechts één doel: het einde van de maand halen. Waarom? Statutair kunnen Cera-vennoten tijdens de eerste jaarhelft uittreden tegen de nominale waarde van hun aandelen. Dat is hetzelfde bedrag als hetgeen men betaald heeft bij aankoop, terwijl de huidige intrinsieke waarde in de buurt van nul ligt. Als vennoten massaal uitstappen, moet Cera haar belang in KBC en KBC Ancora afbouwen en verliest het de controle over de KBC Groep. Het dividend van 4% is bijgevolg niets meer dan een zoethoudertje: men strooit de vennoten zand in de ogen en men koopt tijd.

Geen inkomsten, een lege kas, bijkomende leningen voor uitgaven en activa die nauwelijks nog de schulden dekken. De realiteit is hard: Cera is de facto failliet. Zelfs het ‘gekapitaliseerd dividendoverschot’, een spaarpotje voor vennoten die hun D-aandelen nog niet hebben ingeruild, is niet meer gewaarborgd. De holding leeft enkel nog bij gratie van haar schuldeisers. Het jaarverslag geeft geen informatie over de identiteit van deze kredietverschaffer(s). KBC misschien?

Met de problemen in Oost-Europa, de vraagtekens bij de kapitaalgarantiefondsen van de gevluchte of ontslagen Stefaan Duchateau en een mogelijk proces van houders van CDO-papier, is de kans klein dat KBC een vierde reddingsoperatie kan ontwijken. In ruil voor extra middelen zal de Staat of een externe partij zoals Rabobank een belang in het kapitaal claimen. Een substantieel herstel van de intrinsieke waarde van Cera en KBC Ancora zit er dus niet meer in.

U heeft nog tot dinsdag 30 juni om uw KBC-kantoor te contacteren en opdracht te geven om uw Cera-aandelen te verkopen. Daarna gaat de deur voor minstens zes maanden dicht. Het lijkt me hoogst onwaarschijnlijk dat ze ooit nog tegen dezelfde waanzinnig lucratieve voorwaarden opengaat. KBC en KBC Ancora te gelde maken kan via de beurs.

Om het kapitaal van haar vennoten te garanderen, zou de Cera-holding nog bij het Beschermingsfonds kunnen aankloppen. Tenzij de Staat bijspringt, zijn de middelen van dat fonds evenwel beperkt. De NV België blaakt niet meteen van gezondheid, zodat het uittesten van dergelijke staatsgaranties gelijk staat met een verdere explosie van de overheidsschuld. Die bedraagt nu al 30.000 euro per inwoner en neemt iedere seconde toe. Nog zo’n waanzin, waarover ik een volgende keer misschien een boompje kan opzetten.

Kevin van Campenhout
De auteur is uitgever van het beleggingsblad Beursparels. Hij schrijft deze column in eigen naam.

 

Nieuw record voor de financiële waarden !

Bernard Bemelmans klein Na de laagterecords die zowel in 2007 (-17%) als in 2008 (-60%) bereikt werden, stond de financiële sector begin maart opnieuw in de belangstelling dankzij de aankondigingen van een aantal Amerikaanse banken. Dit keer was er echter goed nieuws, want de prestaties in de financiële sector gingen voor het eerst sinds lange tijd weer in stijgende lijn. De Europese index DJ Stoxx 600 ging met bijna 29% (tussen 9/03/2009 en 17/06/2009) vooruit en over dezelfde periode liet de Europese index van de financiële waarden een stijging met maar liefst 80% optekenen ! Na de achteruitgang van de laatste dagen, kan men zich afvragen of de gestarte herneming te wijten was aan een technische correctie of het begin van een duurzaam herstel …

 

 Grafiek 1_12641_image001

Niet alleen bancaire waarden !

Heel wat mensen scheren financiële waarden en bankaandelen over één kam. Hoewel bankaandelen ongeveer 2/3 van de DJ Stoxx 600 Financials vertegenwoordigen, zijn er nog andere (deel)sectoren in aanwezig: verzekeringen (24%), financiële dienstverlening (7%) en vastgoed (4%).

 

Iedereen kent ongetwijfeld de termen “bank” en “verzekeringen”, maar vaak is het niet helemaal duidelijk wat er achter die tien procent “financiële dienstverlening” en “vastgoed” schuilgaat.

§      Onder “financiële dienstverlening” vallen de spelers op de markten, zoals private equity, die bijdragen tot het kapitaal van niet-beursgenoteerde ondernemingen, beursvennootschappen (bv. Deutsche Börse) of holdings (bv. GBL).

§      Ondernemingen uit de (deel)sector “vastgoed” zijn actief op de eigenlijke vastgoedmarkt (zoals de vastgoedbevak Cofinimmo). Niet te verwarren met de bouwsector, die deel uitmaakt van de industriële sector.

 

Een bepalende banksector …

De toekomst van de financiële sector zal sterk verbonden blijven met de banksector, alhoewel er dus ook andere deelsectoren in vertegenwoordigd zijn. Toch is het grote gewicht van de banksector (65%) niet de enige reden want de gezondheid van de banksector heeft immers ook een impact op de activiteiten van de andere deelsectoren.

 

Zo worden ook verzekeringsmaatschappijen getroffen door een koersdaling van de bankaandelen die ze in hun beleggingsportefeuille hebben. Tot voor kort werden bankaandelen vaak beschouwd als weinig risicovolle beleggingen met een aantrekkelijk dividendbeleid en een regelmatige groei. Heel wat verzekeringsmaatschappijen hadden om die redenen bankaandelen in hun portefeuille. Bijgevolg zal niet alleen de val van de beurskoersen, maar ook de vermindering of zelfs schrapping van het dividend van deze aandelen wegen op de resultaten van de verzekeringsmaatschappijen.

 

Ondanks de sterke daling van de rente, die relatief voordelig was voor zijn activiteiten, zal de vastgoedsector getroffen worden door de strengere kredietvoorwaarden van de banken, die zo spaarzaam mogelijk met hun liquide middelen willen omspringen.

 

Sterke en zwakke punten van de banksector

Ondanks het feit dat de resultaten van bepaalde Amerikaanse banken beter waren dan verwacht (Citigroup, Wells Fargo, Goldman Sachs en JP Morgan), blijven sommige factoren toch nog voor onrust op de markten zorgen. Zo blijven de waardeverminderingen op de kredietportefeuilles hoog en lijden de basisactiviteiten onder de economische vertraging. We hebben een aantal sterke en zwakke punten op een rijtje gezet.

+         De intermediatiemarge (het verschil tussen de lange en de korte termijn rente) is groter geworden en geeft de sector dus een beetje meer ademruimte.

+         De regeringen en de centrale banken hebben duidelijk aangegeven dat ze deze sector, die essentieel is voor de werking van de economie, niet in de steek laten.

+         In de sector zouden een aantal fusies en overnames kunnen plaatsvinden.

-        Zullen er nog waardeverminderingen op activa plaatsvinden? Zo ja, hoe omvangrijk zullen die zijn?

-        Nieuwe herkapitaliseringen zouden de bestaande aandeelhouders kunnen benadelen en op de koersen kunnen wegen.

-        Een te strikte regelgeving zou de toekomstige groei van de sector kunnen afremmen.

 

Besluit

Het is nog te vroeg om te kunnen zeggen dat het herstel van de aandelenmarkten, en van de financiële waarden in het bijzonder, duurzaam is. De rally van de laatste weken en de recente winstnemingen tonen aan dat voorzichtigheid nog steeds geboden is voor deze sector die het moeilijk zal hebben om het niveau van voor de crisis terug te vinden.

 

 

Bernard Bemelmans – Investment Strategy – Dexia Bank


 

Gevaar voor vernieuwde desinflatie

ING Investment Management, de vermogensbeheerder van ING Groep, is van mening dat de vrees voor inflatiestijging vanwege de overweldigende hoeveelheid liquiditeit die door de centrale banken is gecreëerd mogelijk misplaatst is. De vermogensbeheerder verwacht dat de jaarlijkse onderliggende inflatie in de Westerse economieën de komende twee à drie jaar terug zal vallen tot bijna nul procent, ofwel lager dan de inflatieverwachting van centrale banken.

Een dergelijke uitkomst wordt gezien als een enorme uitdaging voor centrale banken, die juist trachten de inflatieverwachtingen binnen de perken te houden. Een direct gevolg hiervan is dat er ,langer dan de markt momenteel voorziet, moet worden vastgehouden aan een ruim monetair beleid, kort gezegd: ‘langere tijd lager’.

De grondslag voor de huidige vrees voor een stijgende inflatie gedurende de komende paar jaar bestaat in principe uit twee argumenten. In de eerste plaats het stevig verankerde empirische verband tussen een sterke groei van de geldhoeveelheid en een hoge inflatie. In de tweede plaats duwt de combinatie van een hoge overheidsschuld en een opgeblazen balans van de centrale banken de inflatie omhoog op het moment dat de economie weer normaliseert – dit omdat centrale banken hun stimuleringsmaatregelen niet snel genoeg terugschroeven en/of omdat overheden hen opdragen om hun begrotingstekort te financieren.

Eric Siegloff, Hoofd Strategie en Tactische Asset Allocatie (TAA) bij ING Investment Management: “Deze argumenten voor inflatie moeten in de context van het huidige economische klimaat geplaatst worden, en dat is er een waarin beleidsmakers te maken hebben met een niet eerder vertoond systeemrisico, waarin huishoudens en de bedrijvensector noodzakelijkerwijs bezig zijn de schuldenpositie op hun balans terug te dringen en waarin het onbenutte economisch potentieel (de zogeheten output gap) een naoorlogs hoogtepunt heeft bereikt.”

Onder deze omstandigheden leidt een hogere geldgroei niet tot een bredere groei van geld en kredieten. Waarom? Omdat zowel banken als, in veel economieën, het bedrijfsleven hun aandacht richten op schuldvermindering (deleveraging) en omdat de geldmultiplicator omlaag gaat: het overdrachtsmechanisme is verstoord. Het verleden leert ons dat dit een uitgerekt proces is, waarin naar verwachting noch het aanbod van krediet noch de vraag ernaar sterk zal groeien, en waarin de groei van de binnenlandse vraag de neiging heeft ondergemiddeld te blijven.

Wat betreft de bezorgdheid over de overheidsschuld en de uiteindelijke afwikkeling van de monetaire verruiming wordt erkend dat het risico van een stijgende inflatie eerder in de toekomst speelt dan op dit moment. Het bestaan van output gaps in grote economieën wijst op aanhoudende desinflatie, niet op inflatie. Zo moeten de VS ervoor zorgen, als zij de output gap willen dichten (en daarmee de desinflatiedruk wegnemen), dat het Amerikaanse reële BBP de komende vier jaar elk jaar met 4% groeit – ofwel bijna tweemaal het potentiële groeitempo van het BBP. De kans hierop is bijzonder klein in een klimaat van deleveraging.

Volgens sommige wordt het risico op een hogere inflatie al weergegeven in de op de markt gebaseerde waarden van de inflatieverwachtingen op de langere termijn. Maar hoewel het break-even-niveau van de inflatie op de obligatiemarkten de afgelopen maanden inderdaad is toegenomen, is het in feite slechts teruggekeerd naar het ‘pre-Lehman’ niveau. Simpel gezegd: centrale banken hebben de markten ervan overtuigd dat zij voldoende actie zullen ondernemen om het staartrisico van een economische depressie en aanhoudende inflatie te minimaliseren.

Maar de strijd is nog niet gewonnen; de geloofwaardigheid van de centrale banken is op dit moment nog broos. Gegeven de forse en nog steeds toenemende onderbezetting in de wereldeconomie, het in de naoorlogse periode ongekend grote onbenutte economisch potentieel en de daarmee gepaard gaande afwezigheid van het vermogen om lonen/prijzen te verhogen op de arbeids- en productenmarkt, is een wijdverspreide stijging van lonen en prijzen de komende jaren onwaarschijnlijk.

Het ligt meer voor de hand dat overwegingen van efficiency en kostenbesparingen de toon blijven aangeven. Dat is een omgeving waarin inflatieverwachtingen waarschijnlijk neerwaarts bijgesteld zullen worden, gezien de aanhoudende kloof tussen inflatiedoelen en (lagere) inflatiecijfers. Het gevolg is dat beleidsmakers waarschijnlijk langer dan de markt momenteel voorziet vasthouden aan hun visie van een over het algemeen ruim monetair beleid, en dat de rente op langlopende obligaties waarschijnlijk weer naar beneden zal gaan wanneer het inflatiegevaar afneemt.


 

Kan China de locomotief van de wereldeconomie worden ?

Els Vanderstraeten_mini Als  fabriek van de wereld lijdt China uiteraard onder de wereldwijde crisis. In het laatste kwartaal van 2008 stagneerde de Chinese economie, waardoor de groei op het laagste niveau van de afgelopen tien jaar uitkwam. Sinds de lente zijn er echter tekenen dat het ergste achter de rug is.

2008 was voor China een memorabel jaar. De wereld keek toe toen het land in de lente van 2008 getroffen werd door een zware aardbeving en ook nadien tijdens de organisatorisch perfect verlopen Olympische Spelen. In de eerste jaarhelft van 2008 bleef de Chinese economie op volle toeren draaien. In het najaar begon de economische motor echter te sputteren.

De afgelopen dertig jaar kende China een gemiddelde jaarlijkse groei van 9,8 %. De afgelopen jaren kon geen enkele crisis (bv. de Aziatische crisis in 1997-1998 of het uiteenspatten van de technologiezeepbel in 2000) echt roet in het eten gooien. Sinds 2004 tracht de regering de groei zelfs af te remmen tot ongeveer 8 % per jaar. Hiertoe legde ze zelfs exportheffingen op, werd de rente verhoogd en kwamen er beperkingen op de kredietverlening. De groeido

els

telling van 8 % is nodig om genoeg jobs te blijven creëren voor de groeiende arbeidsbevolking. In het eerste kwartaal van 2009 viel de groei echter terug tot 6,1 % op jaarbasis.

Grafiek : Jaarlijkse groei China 

Grafiek 1_10691_image001

Stimuleringspakket

China reageerde vrij kordaat op de internationale crisis. Onmiddellijk na het faillissement van Lehman Brothers in september 2008 werd de rente verlaagd. Nadien volgde nog vier bijkomende renteverlagingen. Ook de beperkingen op de kredietverlening werden opgeheven, wat in 2009 al tot een ware kredietexplosie geleid heeft. Bovendien werd in november 2008 een enorm pakket aan overheidsmaatregelen aangekondigd. Het stimuleringspakket heeft een waarde van 4 triljoen yuan (586 miljard dollar) of ongeveer 18 % van het Chinese bruto binnenlands product (bbp) tegenover slechts 5 à 6 % in de VS en amper 1 à 3 % in Europa. China zal vooral investeren in infrastructuur (auto- en spoorwegen, luchtvaart, elektriciteitsnet) en in de heropbouw van de regio die door de aardbeving getroffen werd. Daarnaast vloeit er ook geld naar gezondheidszorg en onderwijs.

China moet geen beroep doen op de internationale kredietmarkten om het herstelplan te financieren. Het land beschikt namelijk over de grootste wereldwijde valutareserves (1 950 miljard dollar) en heeft een schuldgraad van amper 16 % van het bbp. De Chinezen zijn ook zeer spaarzaam: ze zetten meer dan 30 % van hun beschikbare inkomen opzij als appeltje voor de dorst.

Eerste positieve tekenen

De implementatie van het stimuleringsplan is al volop aan de gang, wat o.a. blijkt uit het heropveren van de industriële productie. Het herstel van de cementproductie is eveneens de voorbode van een activiteitsversnelling in de bouw. Door de centraal geleide economie duurt het beslissingsproces er minder lang dan in de VS of in Europa.

Ondanks de stijgende werkloosheid blijven ook de kleinhand

els

verkopen hoge ogen gooien met een stijging van 15,2 % op jaarbasis in mei.

Export blijft belangrijk

Ongeveer 35 % van alle goederen en diensten die in China geproduceerd worden, is bestemd voor de export. De grootste afnemers zijn de eurozone, de Verenigde Staten en Japan. Met een zware economische recessie in de belangrijkste afzetmarkten valt het niet te verwonderen dat de export al zes maanden op rij daalt. Gemiddeld lagen de exportcijfers in het eerste semester zo’n 20 à 25 % lager dan een jaar geleden. Toch zien we ook wat de export betreft de eerste tekenen van stabilisatie.

Chinese beurs : verhaal apart

De lokale Chinese beurzen zijn slechts beperkt toegankelijk voor buitenlandse investeerders, en omgekeerd mogen Chinese beleggers niet in het buitenland beleggen. In 2007 vloeide er dan ook veel lokaal spaargeld naar de Chinese beurs. Deze steeg in 2007 met 160 %, maar crashte een jaar later met een verlies van 65 %. Sinds de aankondiging van het relanceplan werd een herstel van bijna 70 % opgetekend (in lokale munt).

Buitenlandse investeerders werken meestal via de beurs van Hong Kong om Chinese aandelen te kopen. Opmerkelijk is dat de in Hong Kong genoteerde Chinese H-aandelen nog steeds goedkoper gewaardeerd zijn en meer evolueren zoals de Westerse aandelen. De Hang Seng China Enterprises index steeg in 2007 met 55 %, verloor in 2008 51% en noteert in 2009 32 % hoger (in HKD).

Het is duidelijk dat beleggen in Chinese aandelen enkel voor dynamische beleggers is weggelegd. Voor meer inlichtingen met betrekking tot fondsen die op de Chinese beurs beleggen, kunt u terecht in uw agentschap of op www.dexia.be.

Besluit

Dankzij de enorme financiële reserves zal de Chinese economie vrij goed standhouden. Voor 2009 wordt een groei verwacht tussen 6,5% à 8%. Voor 2010 zou de groei terug hoger dan 8% moeten uitkomen.

De grote publieke Chinese investeringen zullen een bron voor de wereldwijde vraag zijn. Zo nam de vraag naar ijzererts en koper onlangs opnieuw toe. Laat het duidelijk zijn : China alleen kan de wereld niet redden, maar de Chinese vraag is substantieel genoeg om een verschil te maken in globale economische trends.

 

Els Vander Straeten – Investment Strategy – Dexia Bank


 

De hockeystick-herneming

We zijn nu twee jaar ver in de financieel-economische crisis en de eerste tekenen van beterschap zijn zichtbaar. In China heeft het expansief begrotingsbeleid in de voorbije maanden tot een versnelling van het groeitempo geleid. De voorraadafbouw loopt op zijn laatste benen in de VS, wat in de komende kwartalen een stijging van de productie zou moeten impliceren. Hoewel de Amerikaanse vastgoedcrisis nog niet helemaal ten einde is, lijkt de situatie geleidelijk aan te stabiliseren. In Europa kan de voorraadcorrectie nog iets doorgaan, maar ook hier is sinds enkele maanden een schuchtere verbetering van het vertrouwen merkbaar.

Dit neemt niet weg dat de economische heropleving in de komende jaren ongewoon zwak zal zijn. De privé-sector zal in de meeste industrielanden een verdere fase van schuldafbouw tegemoet gaan, met een remmend effect op consumptie en investeringen. Ook de financiële sector blijft kwetsbaar. Strengere regulering dreigt de groei van de kredietverlening bijkomend te beknotten. De wereldeconomie gaat bovendien een moeilijke transformatie tegemoet, waarbij een aantal van de groeimotoren, zoals de VS met een zwakkere binnenlandse vraag zullen worden geconfronteerd, terwijl de traditionele exportlanden (Duitsland, China) precies meer consumptie zullen moeten genereren. De hoop is dat de nieuwe groeilanden hier toch een positieve rol in kunnen spelen.

Het expansief begrotingsbeleid heeft de meeste industrielanden een explosieve schuldontwikkeling opgeleverd. De sanering van de overheidsfinanciën dreigt in de komende jaren dan ook de kracht van het herstel te hypothekeren. Hierbij kan ook gevreesd worden dat sommige overheden zullen aansturen op meer inflatie om de reële schuldenlast af te bouwen. We achten dit risico beperkt, al is het duidelijk groter in de VS dan in Europa. De zwakte van het herstel impliceert dat de meeste industrielanden na een krimp van ca. 4% in 2009, nog steeds niet veel beter dan een nulgroei zullen neerzetten in 2010. Het groeiprofiel zal dan ook gelijkenissen vertonen met een hockeystick: na een scherpe daling, een zwakke opwaartse trend.

Het expansief monetair beleid houdt voorlopig weinig inflatoir gevaar in, gezien de zwakke banksector de transmissie van het geldbeleid bemoeilijkt en de grote surpluscapaciteit weinig prijsverhogingen toelaat. De korte rente zal daarom waarschijnlijk nog tot eind 2010 op het huidige lage niveau blijven staan. Hoewel de kerninflatie laag blijft, zou de totale inflatie door de aantrekkende grondstoffenprijzen in 2010 wel wat kunnen stijgen. De langetermijnrente is al wat vooruitgelopen op het herstel. Gezien de centrale banken op korte termijn hun rentetarieven niet zullen verhogen, beperkt de steilheid van de curve voorlopig het potentieel op een verdere stijging van de obligatierente.Weinig landen hebben op dit ogenblik nood aan een sterkere munt, vooral de Eurozone niet, die het minst ver gevorderd is in de conjunctuurcyclus. De dollar zou door het eerdere herstel in de VS tijdelijk wat kunnen verdapperen. Het is echter duidelijk dat de jarenlange scheeftrekking van de wereldeconomie op termijn enkel kan worden opgelost door een verdere dollardepreciatie.

De financiële markten prijzen een snel herstel van de wereldeconomie in. Aandelen en dan vooral cyclische aandelen hebben sinds begin maart een flinke stijging laten optekenen. ING Investment Management (IIM) denkt echter dat de markten te ver vooruitlopen op de feiten. De winstmarges staan onder druk als gevolg van dalende verkopen, stijgende grondstofprijzen en hogere financiële lasten. De bodem in de winsten zal pas eind 2009 begin 2010 bereikt worden. 

Daarenboven zal in het licht van de matige economische groei ook het winstherstel bescheiden zijn. Hier houden de markten nog in onvoldoende mate rekening mee. Kapitaalverhogingen dreigen ook op de koersen te wegen. Tot slot lijkt het vertrouwen van de beleggers stilaan te sterke proporties aan te nemen. Een marktcorrectie is op korte termijn dan ook niet uit te sluiten zonder echter de eerdere dieptepunten te bereiken. Dit betekent dat ondanks de aantrekkelijke waarderingen op lange termijn, IIM vandaag een voorzichtige houding verkiest. De komende maanden zullen er zich betere instapmomenten voordoen. 

Doordat groei de komende jaren schaars zal blijven, geeft IIM de voorkeur aan regio’s waar de kansen op groei het hoogst zijn, namelijk de opkomende landen (Azië, Latijns-Amerika). Deze landen worden niet alleen gedreven door superieure groei maar ook door stijgende grondstofprijzen, aantrekkelijke waarderingen en dalende rentevoeten. 
In de ontwikkelde landen blijft IIM de voorkeur geven aan hoge dividenden. Deze zorgen voor een belangrijk deel van de totale verwachte return en vormen nog steeds een uitstekende graadmeter voor de financiële toestand van een bedrijf.

ING Investment Management

 

Kwakkelende Zweedse kroon

Alex François De huidige economische crisis weegt op de Zweedse economie. De maatregelen van de centrale bank en de risicoaversie spelen in het nadeel van de Zweedse kroon (SEK). Een stand van zaken en een blik op de toekomst.

Uitdagingen voor de Zweedse economie

In deze tijden van crisis blijven ook de Zweden niet bepaald gespaard. De belangrijkste economische indicatoren voorspellen niet veel goeds.

 

De economische vertraging van de handelspartners betekent een flinke opdoffer voor Zweden. De orderboekjes lopen stilaan leeg, waardoor bedrijven verplicht zijn hun productiepeil aan te passen. Ook de arbeidsmarkt is getroffen. De werkloosheid is van 5,6% in augustus 2008 gestegen naar 8,3% in april 2009. De vertrouwensindicatoren tonen een situatie die moeilijker is dan verwacht. Volgens de recentste ramingen van de Zweedse minister van Financiën kan het bruto binnenlands product (bbp) in 2009 krimpen tot 4,2%. De overheidsfinanciën zijn structureel echter gezond en daardoor kan Zweden een veelbelovend herstelplan op poten zetten, waarvan het totaalbedrag op 2% van het bbp geschat wordt.

SEK mee slachtoffer van de crisis

De Zweedse kroon blijft op een historisch laag peil staan. Sinds september 2008 heeft hij meer dan 14% prijsgegeven ten opzichte van de euro. Deze terugval kan verklaard worden aan de hand van een aantal factoren.

 

Om te beginnen heeft de Zweedse Centrale Bank (Riksbank) flink gesnoeid in de officiële kortetermijnrente, die vandaag lager is dan de Europese. In september 2008 bedroeg deze rente nog 4,5%; nu is dat nog 0,5%. Doel van de maatregel is de economie meer ademruimte te geven, zodat ze het hoofd kan bieden aan deze bijzonder moeilijke situatie. Maar deze ingrijpende monetaire versoepeling heeft de kroon veel minder aantrekkelijk gemaakt om in te beleggen.

 

Een tweede verklaring vinden we in de nooit geziene vertrouwenscrisis op de financiële markten, met een grote risicoaversie tot gevolg. Beleggers geven de voorkeur aan minder speculatieve instrumenten. Munten als de kroon zagen hun aantrekkingskracht tanen in vergelijking met munten die de status van vluchtwaarde genieten (dollar, yen of Zwitserse frank). Ondanks een recente verbetering van de situatie blijft de risicobereidheid op de wisselmarkten erg klein.

 

De Zweedse banken moeten bovendien opboksen tegen een vrij grote blootstelling aan de Baltische staten die voor een zware economische recessie staan. Een “Baltische schok” zou de Zweedse financiële wereld grondig door elkaar kunnen schudden.

 

Perspectieven en opportuniteiten

Op korte en middellange termijn blijft de context voor de SEK bijzonder moeilijk. Toen de Riksbank de rente op 21 april liet zakken, kondigde ze aan dat het rentetarief geruime tijd op dit bodempeil zou handhaven. Bovendien sluit ze een nieuwe renteverlaging in de nabije toekomst niet uit. De huidige strategie van de Riksbank om enkel via renteverlagingen in te grijpen, is trouwens evenmin een stimulans voor de Zweedse kroon.

 

Wat de vastrentende beleggingen betreft, biedt een Zweedse obligatie op vijf jaar geen extra rendement ten opzichte van een gelijkwaardige obligatie in euro. Het renteverschil is momenteel negatief (-0,04%). Onderstaande grafiek illustreert het renteverschil en de evolutie van de koers van de kroon bijzonder goed. Hoe positiever het renteverschil op de rechterschaal (omgekeerde schaal!), hoe interessanter het is om in de SEK te beleggen. Eind 2008 daalde het renteverschil omdat de rente in de eurozone meer toenam dan de rente in Zweden, waardoor de SEK in waarde daalde tegenover de euro. Nu is de trend omgekeerd, maar gezien de negatieve rentespread is het niet de moeite waard om het deviezenrisico te lopen.

 

Correlatie koers EUR/SEK en spread obligatierente

 

Grafiek 1_16009_image001  

Conclusie

Met de economische vooruitzichten en de uitdagingen van Zweden in het achterhoofd denken we dat het stijgingspotentieel van de SEK op korte en middellange termijn vrij beperkt is. Bovendien weegt het negatieve renteverschil op een obligatie in SEK niet op tegen het muntrisico.

 

Alexandre François – Investment Strategy – Dexia Bank

 

 


 

Merkelnomics

Officieel is de Duitse regering een grote aanhanger van een orthodoxe neo-liberaal economisch beleid. Een soort van anti-beleid: anti-inflatie, anti-stimulus, anti-schulden en anti-staatsinterventies. Ook tijdens de zwaarste recessie sinds de jaren dertig. Echter, het is anti-beleid in woorden, niet met daden. De feiten spreken namelijk een andere taal. Terugkijkend naar de wankelmoedige houding rondom de nationalisering van de Hypo Real Estate bank, de slalom bij de bankgaranties, de oplossing voor een bad bank en de redding van Opel maken duidelijk dat er in de praktijk niet zo veel van het anti is overgebleven. Opelnomics in plaats van neo-liberaal economisch beleid. De Duitse regering is zoekende naar strategie, maar geeft geen strategie voor zoekenden. Waarom?

De verklaring ligt voor de hand: verkiezingen. Het is verkiezingstijd in Duitsland. De verkiezingen voor het Europese Parlement afgelopen week waren alleen de opmaat voor het echte feest: de nationale verkiezingen op 27 september. Bondskanselier Angela Merkel wordt dan uitgedaagd door haar huidige collega minister, minister van Buitenlandse Zaken, Steinmeier. Sterker dan ooit wordt duidelijk dat politiek boven economie komt te staan. De verkiezingen bepalen het economisch beleid.

Er is geen betere illustratie van een verkiezingsgestuurde economisch beleid dan het optreden van de Duitse regering rondom Opel en nu Arcandor. Onder de druk van het dreigende faillissement van de Amerikaanse moederbedrijf General Motors zag de Duitse regering geen andere oplossing dan een overbruggingskrediet van 1,5 miljard euro steun aan Opel te verlenen. Bondskanselier Merkel was eerst tegen overheidssteun, maar toen kanselierskandidaat Steinmeier de redding van Opel tot een nationale urgentie en dus verkiezingsthema maakte, draaide Merkel. Opel werd vervolgens overgenomen door de Canadese auto-onderdelenfabrikant Magna International en de Russische Sberbank. Het consortium neemt een belang van 55 procent, General Motors houdt 35 procent van de aandelen, de overige tien procent gaat naar de werknemers van Opel.

Economisch gezien zijn zulke reddingsacties vaak niet verstandig. Staatsinterventies worden toch vaak als marktverstorend beschouwd. Terwijl slecht management door overheidssteun wordt beloond, worden succesvolle bedrijven afgestraft voor goed beleid omdat zij nu te maken krijgen met oneerlijke concurrentie. Toch blijven zulke reddingsacties riskant. De neergang van slecht management en slechte bedrijven is ook door staatsinterventies niet te voorkomen. Het geld dat de overheid in bedrijven heeft gestopt komt vaak niet meer terug. Dat geldt eventueel ook voor de redding van Opel. De onderhandelingen, nu tussen Opel, General Motors en de nieuwe investeerders Magna duren nog voort. Door al 1,5 miljard euro ter beschikking hebben gesteld, heeft de Duitse regering zich chanteerbaar gemaakt voor vragen naar meer. En dan zelfs zonder garanties op succes. Sommige beweren zelfs dat de staat met zulke politieke getinte arrangementen meer risico’s zou lopen en duurder uit zou zijn dan met een rechtstreeks faillissement.

Toch heeft Angela Merkel uiteindelijk besloten om Opel te redden. Waarom? Er is maar een antwoord: het is verkiezingstijd. Het beeld van de redder van de armen en behoevigen verkoopt vooral tijdens verkiezingscampagnes goed. Er was al eerder een Duitse bondskanselier die zich liet bewieroken als de grote redder. In 1999 liet de Duitse bondskanselier Gerhard Schröder zich toejuichen vanwege de redding van het bouwbedrijf Holzmann. De prijs voor de tv-beelden van dankbare bouwvakkers die hun kanselier toejuichten was hoog. Ruim twee jaar later was het bedrijf alsnog failliet. Hoewel Angela Merkel deze geschiedenis kende, liet zij zich toch verleiden. De Europese verkiezingen stonden voor de deur en de grote tegenstander, de sociaaldemocraten, probeerden zich als redder der arbeidersklasse te profileren. Angela Merkel zocht de vlucht naar voren. “If you can’t beat them, join them.”

Nu staan er meer Duitse bedrijven in de rij met open handen en willen ook zij staatsteun. De scheepswerf Wadan heeft afgelopen week faillissement aangevraagd, Porsche rommelt nog steeds met betalingsproblemen en de moederbedrijf Arcandor van de grote warenhuisketen Karstadt kan zijn huur niet meer betalen. Kunnen zij ook op een Opel-achtige redding hopen? Nee, Opel was voor de Europese verkiezingen, alle andere bedrijven komen nu na de verkiezingen. Het Duitse kabinet vindt staatsteun nu alleen nog bespreekbaar als er een meer levensvatbaar plan voor de toekomst van het bedrijf op tafel komt. ‘We moeten voorzichtig zijn met belastinggeld’, zei Angela Merkel vorige week. Bedrijven die al wankelden voordat van de kredietcrisis sprake was, kunnen staatsteun nu vergeten.

Deze verandering van gedachten komt door de uitslagen van de Europese verkiezingen. De sociaaldemocraten hebben een dramatische nederlaag geleden en de christendemocraten bleven de met afstand grootste kracht. De liberale koers van de christendemocraten slaat veel beter aan bij de Duitsers dan vaak gedacht. Merkelnomics in plaats van Opelnomics. Het blijft afwachten op Angela Merkel ondanks de oplopende werkloosheid aan dit economisch beleid kan vasthouden en de woorden Ronald Reagan zal volgen. Die zei ooit: “The nine most terrifying words in the English language are, ‘I’m from the government and I’m here to help’.”

 

Carsten Brzeski, Senior Economist, ING


 

Achtergestelde obligaties : een vlag die verschillende ladingen dekt

Guyvanroten 

Sinds het uitbreken van de financiële crisis geven vele banken en verzekeringsmaatschappijen regelmatig obligatieleningen uit om hun kapitaalbasis te versterken. Meestal gaat het daarbij om achtergestelde obligaties. Maar de ene achtergestelde obligatie is de andere niet …

Definitie van een achtergestelde obligatie

In geval van faillissement gaat de obligatiehouder bij een achtergestelde obligatie de intresten en het kapitaal pas van de emittent uitgekeerd krijgen, nadat eerst alle niet-achtergestelde schuldeisers (bv. houders van gewone obligaties) betaald zijn. Hij wordt wel vergoed voor de aandeelhouders.

Achtergestelde obligaties hebben dus een hoger risico dan gewone obligaties. Om dit te compenseren, wordt er een hogere intrestvergoeding gegeven in vergelijking met gewone obligaties.

Verschillende categorieën

De belangrijkste categorieën van achtergestelde obligaties in de financiële sector zijn: Lower Tier 2, Upper Tier 2 en Tier 1. Op het vlak van risico bevinden ze zich tussen de gewone obligaties en de aandelen. Afhankelijk van het land van uitgifte kunnen er kleine verschillen zijn in de technische kenmerken van de verschillende soorten achtergestelde obligaties. Hieronder geven we de grote verschilpunten.

Kan de couponbetaling uitgesteld worden ?

De coupon van Lower Tier 2’s kan nooit worden uitgesteld. Indien de coupon niet tijdig wordt betaald, blijft de uitgever in gebreke. Bijgevolg is hij bijkomende intrest verschuldigd.

Bij de andere twee groepen kan de coupon worden uitgesteld zonder ingebrekestelling. Bij Upper Tier 2’s kan de belegger de uitgestelde coupons (en de intresten daarop) uitbetaald krijgen, zodra de emittent in staat is tot terugbetaling. Bij Tier 1’s daarentegen zijn alle ontbrekende couponbetalingen definitief verloren.

Belangrijk hierbij is dat, wanneer de emittent van een Tier 1 zijn aandeelhouders een dividend uitbetaalt, ook de coupons van de Tier 1-obligatie betaald moeten worden. Maar indien er geen dividend wordt uitgekeerd, zoals nu bij de meeste banken het geval is, betekent dit niet automatisch dat de houders van een Tier 1 geen coupon zullen ontvangen.

Is er een vervaldag ?

Lower Tier 2’s hebben altijd een vervaldag. Afhankelijk van de uitgifte zal de emittent de mogelijkheid hebben om de lening eventueel vervroegd terug te betalen op een bepaalde datum (calldatum). Als de rente op de markt op dat moment lager is dan de rente van de lopende obligatie, bestaat er erg veel kans dat de emittent de lening vervroegd terugbetaalt.

Tier 1’s hebben geen eindvervaldag; het zijn eeuwigdurende uitgiften (= perpetuals). De emittent heeft wel altijd de mogelijkheid om de obligatie op de calldatum vervroegd terug te betalen. Upper Tier 2’s kunnen een eindvervaldag hebben of eeuwigdurend zijn, maar de emittent heeft ook hier steeds de mogelijkheid om de lening vervroegd terug te betalen op de calldatum.

Het risico neemt gevoelig toe wanneer de obligatie geen vervaldag heeft. Indien de marktrente op de calldatum hoger is dan de coupon, zal de obligatie niet worden terugbetaald. De prijs van de obligatie zal echter wel enorm dalen. Niemand is immers geïnteresseerd in een obligatie die levenslang een lagere rente biedt dan de marktrente op dat moment. Indien de obligatie dan verkocht wordt, ziet de belegger een groot deel van zijn beginkapitaal verloren gaan.

Impact voor de belegger

Bij Tier 1-uitgiftes is het risico voor de obligatiehouder het hoogst. Hier staat dan ook de hoogste rentevergoeding tegenover. In de huidige markt waar beleggers weinig risico willen nemen, zijn de prijzen van de achtergestelde obligaties gedaald – vooral deze van Tier 1-obligaties. Beleggers vreesden immers dat de couponbetaling door een nationalisatie of een faillissement tijdelijk of definitief in gevaar zou komen. Ook de terugbetaling via een call leek minder waarschijnlijk. De vraag is of deze obligaties niet te fel zijn afgestraft, nu blijkt dat de overheid de banken en verzekeringsmaatschappijen ondersteunen via allerlei maatregelen. Indien de slinger opnieuw naar de andere kant overslaat, zullen ook de prijzen van achtergestelde obligaties van banken en verzekeringsmaatschappijen terug opveren.

Besluit

Een achtergestelde obligatie is risicovoller dan een gewone obligatie, maar binnen de familie van achtergestelde obligaties is de ene categorie al risicovoller dan de andere. Vóór u zo een obligatie koopt, controleert u best even over welk soort obligatie het gaat en of dit wel past binnen uw beleggersprofiel en de huidige samenstelling van uw portefeuille. Ga ook na of het geboden rendement van de obligatie wel voldoende opweegt tegen het risico.

Guy Vanroten – Investment Strategy – Dexia Bank


 

Aandelen in de schemerzone


Vantiggelen Aandelenbeleggers hebben net één van de meest turbulente achtbaanritten in de geschiedenis achter de rug. Een enorme koersdaling werd gevolgd door een even indrukwekkende opleving, die de verliezers van 2008 omtoverde tot de winnaars van 2009. En dat alles vond plaats in een tijdsbestek van maanden in plaats van jaren. De wereld van nu is er een van superlatieven. Nooit eerder in de naoorlogse geschiedenis is de wereldeconomie zo snel ingestort en nooit eerder hebben overheden en centrale banken zo agressief ingegrepen. Geen wonder dat het beleggers duizelt en dat zij uit alle macht proberen vat op de situatie te krijgen.

Op dit moment zijn beleggers verdeeld in twee kampen. Het grootste kamp verwacht nog steeds dat de economie zich zeer geleidelijk in een W-vorm zal herstellen, met de nodige tegenvallers als ondernemingen het aanvullen van hun voorraden afronden voordat de consumentenbestedingen aantrekken. Dit is in een historisch opzicht een veelvoorkomend patroon bij recessies. Aanhangers van deze theorie voorzien dat het zich ditmaal nog geprononceerder zal voor doen. Immers, de benodigde reparaties van de balans door banken en overheden zullen een snel herstel van de economische bedrijvigheid verhinderen.

Een kleiner maar nog altijd significant aantal beleggers verwacht een V-vormig herstel, omdat zij erop vertrouwen dat overheden en centrale banken grote hoeveelheden goedkoop geld blijven aandragen ter ondersteuning van de conjuncturele opleving. Het ‘V-kamp’ baseert zich ook op de veronderstelling dat het ‘W-kamp’ groter is, wat betekent dat een groot aantal sceptische beleggers deze opleving heeft gemist en happig is om in elke mogelijke inzinking te stappen. Dat zou er dan voor zorgen dat zo’n inzinking in de praktijk uitblijft.

Rationeel gezien ligt het W-scenario meer voor de hand, aangezien het andere scenario ervan uitgaat dat overheden en centrale banken de economie te veel en te lang stimuleren. Greenspan maakte diezelfde fout na het uiteenspatten van de dotcom-zeepbel, en legde daarmee de basis voor de kredietzeepbel. Het is te hopen dat de huidige beleidsmakers uit deze ervaring geleerd hebben. Als we kijken naar de recente sterke toename van de rente op Amerikaanse staatsobligaties en de val van de Amerikaanse dollar, zullen de markten de VS waarschijnlijk niet belonen voor enige overstimulering. Uiteindelijk zal een hogere staatsleningrente zich vertalen in een hogere hypotheekrente. Daardoor wordt een herstel van de huizenmarkt bemoeilijkt. Daarnaast kan de recente stijging van de grondstoffenprijzen, die eerder door hoop dan door realiteitszin wordt aangedreven, op zichzelf het economisch herstel in de weg zitten.

Na de opleving van aandelenkoersen en de gestegen staatsleningrente zijn aandelen niet meer heel goedkoop, hoewel ze evenmin prijzig zijn. Met andere woorden: waardering vormt de komende tijd vermoedelijk geen sterk signaal om te kopen of te verkopen. Als we naar de economie kijken, is het volledig wegebben van de vrees voor een depressie en voor een systeemrisico in de bankensector duidelijk een positief signaal. Anderzijds wordt echter verwacht dat de wereldeconomie in 2010 niet snel genoeg zal groeien om de bedrijfswinsten voldoende opwaarts potentieel te geven om verdere flinke aandelenwinsten voorlopig te rechtvaardigen.
Anders gezegd: het lijkt erop dat we ons in een soort schemerzone bevinden, waarbij het niet verstandig lijkt je onomwonden aan één scenario te verbinden.

In feite kan die schemerzone een jaar of nog langer duren, nu de wereldeconomie behoefte heeft aan een lange periode van herstel van de balansen van consumenten, banken en overheden. Gedurende deze periode zullen de prijzen op aandelenmarkten waarschijnlijk binnen ruime marges bewegen (tussen +20% en –20% ten opzichte van het huidige niveau), waarmee de achtbaanrit nog zal voortduren, al zullen de pieken en dalen minder heftig zijn. Ondertussen kunnen beleggers nog steeds profiteren van aantrekkelijke dividendopbrengsten, zeker in vergelijking met de aanhoudend lage inflatie.

Ad van Tiggelen (Senior strategist Multi-Asset Group, ING Investment Management).


 

De storm trekt weg, maar het herstel zal traag verlopen

Patrick Vandenhaute Op 9 maart bereikten de beursmarkten een dieptepunt. Daarna veerden ze fors op, waarbij de S&P 500 en de Dow Jones Stoxx 600 EUR respectievelijk een prestatie van +38% (in USD) en +35% tussen 9 maart en begin mei lieten zien. De beleggers zijn erg gevoelig geweest voor diverse macro-economische gegevens, die lijken te wijzen op een zekere mate van stabilisering van de economische situatie en zelfs van herstel van de economie, zoals blijkt uit de cijfers die ons bereiken vanuit China. Dat land zou immers de locomotief voor het herstel van de wereldwijde economie kunnen zijn; het pakte uit met cijfers die aangeven dat er zich een verbetering aftekent. We stellen vast dat de kredietverlening weer flink op gang komt (+27,1%), dat de industriële productie weer aantrekt en dat de export zich herstelt.

In de Verenigde Staten spreken diverse statistieken de meest sombere voorspellingen over de evolutie van de economie tegen, en blijven verscheidene economische gegevens in aangename zin verrassen. Ze zijn weliswaar verre van schitterend, maar weerspiegelen niet de meest pessimistische scenario’s die ons het einde van het financieel systeem en een lange, zware depressie voorspelden.

De Amerikaanse economie doet de hoop op herstel herleven

Hoewel de wereldwijde economische en financiële crisis haar oorsprong in de Amerikaanse hypotheekcrisis vindt, hebben twee indicatoren een lichte verbetering van de situatie op de vastgoedmarkt getoond. Zo is het aantal verkoopsovereenskomsten in de maand maart met 3,2% toegenomen – na een stijging met 2% in februari – en zijn de uitgaven in de bouwsector met 0,3% gestegen, terwijl de analisten uitgingen van een verdere daling met 1,6%. Ten tweede vertoont de evolutie van de consumptie, die 70,4% van het bruto binnenlands product (bbp) vertegenwoordigt, tekenen van stabilisering. In reële termen is de consumptie de voorbije vijf maanden gestabiliseerd (want de consumptie in reële termen van maart lag even hoog als in oktober). Ze is zelfs al lichtjes gestegen in het eerste kwartaal. Andere indicatoren geven dan weer aan dat overdreven optimisme niet aan de orde is. Het indrukwekkende herstel van de bestellingen in maart (component van de ISM) wijst er immers op dat het bbp met 0% zal groeien. Bovendien was de toespraak van de voorzitter van de Amerikaanse Centrale Bank (Fed) voor het Congres positiever. Hij stelde met name dat de economische situatie in de Verenigde Staten aan het stabiliseren is.

 

Grafiek S&P en Dow Jones Stoxx 600

 

Grafiek S&P_6601_image001

 

Stresstests van de Amerikaanse banken

Op het vlak van de bankencrisis wezen de resultaten van de “stresstests” van de Amerikaanse banken, die de andere financiële markten schrik hadden aangejaagd, eveneens op een beter dan verwachte situatie.

De Amerikaanse Centrale Bank simuleerde de gevolgen van een weer verslechterende conjunctuur op de balansen van 19 Amerikaanse grootbanken, en dit om na te gaan of ze het hoofd eraan konden bieden. Tien instellingen zullen meer kapitaal nodig hebben om een eventuele verslechtering van de conjunctuur de baas te kunnen. Geen enkele bank loopt gevaar insolvabel te worden verklaard, maar de Fed is toch van oordeel dat, in een pessimistischer scenario, deze 19 banken in 2009 en 2010 nog kredietverliezen zouden kunnen oplopen tot 600 miljard dollar.

 

Reactie van de centrale banken

Zoals verwacht heeft de Europese Centrale Bank haar basisrente verlaagd van 1,25 tot 1%. Om de economie weer op gang te kunnen brengen, heeft ze gezegd bereid te zijn haar basisrente nog verder te verlagen. Om liquide middelen in het systeem te brengen, zou ze bovendien tot 60 miljard dollar aan covered bonds kunnen opkopen.

 

De Bank of England liet haar basisrente ongewijzigd op 0,50%, maar opteerde voor een uitbreiding van haar “schuld-opkoopprogramma” voor een bedrag van 75 tot 125 miljard pond. Zodoende kan de Britse overheid zich goedkoop financieren, ondanks de sterk verslechterde overheidsfinanciën.

 

Waarom dit hernieuwd optimisme op de markten ?

De macro-economische cijfers van de Verenigde Staten en de stresstests van de Amerikaanse banken verklaren dit hernieuwd optimisme. Bovendien maakten de Amerikaanse overheidsinstanties – na de bekendmaking van een plan van 787 miljard dollar om de economie opnieuw te lanceren, en na de uitbreiding van de interventies van de Fed ter ondersteuning van de kredietmarkt – begin maart een plan bekend, waarmee de banken zich van hun weinig liquide kredieten of effecten zouden kunnen ontdoen. Voor het eerst worden de maatregelen die de Amerikaanse regering genomen heeft om gezamenlijk te strijden op de drie crisisfronten – stabilisering van het financieel systeem, van de vastgoedmarkt en de economie – duidelijk naar voren gebracht. En zij verklaren dit hernieuwd optimisme. Toch zijn al deze plannen nog niet geïmplementeerd en blijven de resultaten ervan dus onzeker. Sommige maatregelen lijken evenwel al hun eerste resultaten op te leveren: zo werd de vaste hypotheekrente op 30 jaar verlaagd tot onder de grens van 5%.

 

Grafiek HK_18308_image001

 

Aandelenmarkten : derde keer, goede keer ?

De stijging van de beursindexen bleek spectaculair te zijn in vergelijking met het dieptepunt dat werd opgetekend tussen 6 en 9 maart 2009.

Het is niet de eerste keer dat we een technisch herstel beleven, zoals in april-mei 2008 en in december 2008-januari 2009. Dat herstel, en ook de impact van het positieve nieuws, was echter kleiner. Op economisch vlak wijzen de indicatoren duidelijk op een zich aftekenende stabilisering. Toch is de onzekerheid die op de economie en het financieel systeem weegt, nog niet verdwenen. De herkapitalisatie van de banken is immers nog lang niet achter de rug. De reddingsplannen voor de financiële sector zijn bekend, maar de uitvoering ervan is amper op gang gekomen.

Het herstel zal dus traag verlopen en bescheiden blijven, gelet op de manier waarop we de vorige keren uit het recessiedal zijn gekropen. Er blijven immers banen verloren gaan, zowel in de Verenigde Staten als in Europa, wat op het herstel van de consumptie zal wegen. De economische groeicijfers van de eerstvolgende kwartalen zullen minder negatief uitvallen, maar we zullen moeten wachten tot het einde van het jaar alvorens ze weer positief zullen worden.

 

Besluit

Door diverse bemoedigende tekenen op economisch vlak, die ons vooral bereiken vanuit de Verenigde Staten, mogen we veronderstellen dat het scenario van een langdurige recessie kan worden uitgesloten. In dit gunstiger klimaat staan we positiever ten opzichte van de beursmarkten. Wie op de beurs wil beleggen, raden we aan om trapsgewijs te werk te gaan.

 

Patrick Vandenhaute – Investment Strategy – Dexia Bank

 


 

Olie zonder vuur

Bernard Bemelmans klein In juli 2008 bereikten de olieprijzen een piek, maar sindsdien ging het alleen maar bergaf. Op zes maanden tijd (tussen juli en december 2008) moest de Brent meer dan 70% prijsgeven ! Sinds begin dit jaar herstelt de olieprijs lichtjes en schommelt hij rond 50 dollar per vat.

2008, een jaar van excessen !

In 2008 liet de olieprijs tal van records optekenen. In de eerste helft van het jaar steeg hij met meer dan 50%, maar in de tweede helft stortten de prijzen in.

 

Net als andere grondstoffen, zoals aluminium en koper, bleef de olieprijs in de eerste zes maanden van 2008 stijgen - net toen de OESO-landen het economisch steeds moeilijker kregen. Hiervoor bestaan twee hoofdredenen:

·         speculatie: het wantrouwen op de aandelenmarkten, de zwakke dollar en de lage rente (vooral in de VS) hebben heel wat beleggers in de richting van grondstoffen geduwd;

·         de “loskoppelingstheorie”: volgens deze theorie waren de groeilanden voldoende sterk geworden om het zonder de groei en steun van de westerse economieën te kunnen rooien. Tot de cijfers deze theorie onderuithaalden, geloofden veel analisten dat deze economieën niet enkel zouden standhouden, maar ook de andere (industrie)landen zouden behoeden voor een economische recessie. Zo zouden ze, als grote verbruikers van grondstoffen, ook de grondstofkoersen blijven ondersteunen. Maar door de forse daling van de vraag in Europa en vooral in de VS stuikte de export van de groeilanden in elkaar.

 

Evolutie van de Brentprijs en de DJ Europe Stoxx Oil & Gas-index

 

Grafiek 1_12686_image001

 

Wat met de olieconcerns ?

De voorbije jaren maakten de aandelen van oliebedrijven weliswaar een grote sprong voorwaarts, maar dat is klein bier vergeleken met de stijging van de olieprijzen in diezelfde periode (cfr. bovenstaande grafiek).

 

Oliebedrijven beschikken over bepaalde troeven en hebben de piekende olieprijzen aangegrepen om in 2007 en 2008 recordwinsten te boeken. Maar het is niet allemaal rozengeur en maneschijn. Enkele elementen kunnen roet in het eten gooien ...

 

Welke zijn nu de sterke en de zwakke punten van de sector?

 

J       De bedrijven genereren grote cashflows en beschikken over omvangrijke liquiditeitsreserves, wat een belangrijke troef is in de huidige economische context.

J       Het dividenduitkeringsbeleid.

J       De schuldenlast is doorgaans laag.

J       Op middellange termijn zouden de prijzen opnieuw moeten stijgen. Volgens de OPEC zou een stabiele prijs moeten uitkomen op ongeveer 75 dollar per vat.

 

J       Voor 2009 en 2010 gewagen de prognoses niet van een aanhoudende groei, en dus zal de olieprijs niet meteen gaan stijgen.

J       De toenemende hernationalisering van de oliereserves door sommige landen maakt het moeilijk hun toekomstige inkomsten te voorspellen.

J       De economische vertraging zal een impact hebben op hun inkomsten.

J       Alhoewel een forse olieprijsstijging gunstig is voor hun resultaten, moedigt ze ook de ontwikkeling van alternatieve energie aan en dus nieuwe concurrentie.

J       Sommige exploratie- of exploitatieactiviteiten (bijvoorbeeld de exploitatie van olie uit teerzand of vindplaatsen in volle zee) zijn met de huidige olieprijs niet rendabel en moeten worden stopgezet.

 

Conclusie

In deze onzekere periode vallen oliebedrijven dankzij hun grote financiële draagkracht vaak in de smaak bij beleggers.

Toch is het niet echt zeker dat ze volop zullen kunnen profiteren van een stijging van de olieprijs. Er komen immers grote uitdagingen en investeringen op hen af.

Beleggers die voordeel willen halen uit het economische herstel, kunnen de voorkeur geven aan een instrument dat rechtstreeks gekoppeld is aan de olie of - om meer te diversifiëren - via een beleggingsproduct dat belegt in alle grondstoffen.

 

Bernard Bemelmans - Investment Strategy - Dexia Bank


 

De "nieuwe" Bel20

Manu Higuet 

Eind 2004 had Euronext, de vennootschap die de beursmarkten van Brussel, Parijs, Amsterdam en Lissabon beheert, wijzigingen aangekondigd van de regels van de sterindex van de Brusselse Beurs. Hoe ver staat het daar momenteel mee ?

Samenstelling van de index

Sinds de hervorming van het systeem eind 2004 moest de index uit minstens tien en maximaal twintig waarden bestaan. Op basis van de prestaties van de diverse waarden op de markt aan het einde van het vorige jaar past Euronext nu de samenstelling van de nationale indexen jaarlijks aan, telkens in maart. Daarvoor worden diverse criteria in aanmerking genomen, zoals de beurskapitalisatie, de liquiditeit enz. In 2005 telde de Bel20 nog maar negentien “kostgangers”. Maar sinds 3 maart 2008 telt de index opnieuw twintig aandelen, en dit dankzij de beursgang van het aandeel Nyrstar – ’s werelds nummer één in de zinksector – op 29 oktober 2007. Toch voldoen andere ondernemingen momenteel aan de voorwaarden om in de Bel20 opgenomen te worden, wat fataal is voor Nyrstar. Na de forse daling van de grondstofprijzen zag Nyrstar zijn aandeel immers naar beneden duikelen en werd het dan ook uit de Bel20 verwijderd, amper één jaar na de intrede.

Wie zijn de nieuwkomers in de Brusselse sterindex ?

Op 3 maart 2009 ruimden Agfa Gevaert en Nyrstar plaats voor Telenet en Befimmo. Telenet Group Holding is één van de grootste Belgische telecommunicatiegroepen. De voornaamste activiteiten zijn kabeltelevisie, internettoegang, vaste telefonie en dienstverlening aan ondernemingen. Het grootste deel van de omzet wordt verwezenlijkt in de Benelux. Befimmo is een vastgoedbeleggingsvennootschap met vast kapitaal (vastgoedbevak) die gespecialiseerd is in het bezit en het beheer van bedrijfsvastgoed, voornamelijk in het Brusselse.

Welke gevolgen heeft dat voor de index ?

Niet alleen worden bepaalde waarden in de index vervangen, maar de weging van elk aandeel op 31 december mag niet hoger liggen dan 12%. Na de flinke opmars sinds 1 januari is AB InBev met een weging van 16% op 13 mei de belangrijkste waarde in de Bel20 geworden. Daarna komen Delhaize  (9,85%), GBL (8,71%), Fortis (8,59%), GDF Suez (8,12%) en Solvay (6,81%). Samen vertegenwoordigen deze zes waarden 58,20% van de index. Als gevolg van de financiële crisis is het aandeel van de bankwaarden in de Brusselse index gedaald van 40% in mei 2007 tot 18,71% nu. Met waarden als Belgacom en Delhaize, die hun gewicht binnen de index hebben zien toenemen, vertoont die momenteel een defensiever en meer gediversifieerd karakter, zoals blijkt uit onderstaande grafiek.

Sectorspreiding van de Bel20 op 13-05-2009

Grafiek 1_22906_image001  

Bron : Thomson-Datastream

Welke toekomst is weggelegd voor de Bel20 ?

In deze woelige periode op de beurzen is het heel moeilijk om de toekomst van de Bel20 te voorspellen. Tijdens de eerstvolgende maanden zou de index immers nog wijzigingen kunnen ondergaan. Indien dat zou gebeuren, zouden de uitverkorenen op dit ogenblik (rekening houdend met hun beurskapitalisatie eind maart) voor een eventuele opname in de index Sofina en de Vlaamse investeringsgroep Gimv zijn.

Sinds 3 maart 2009 is de Brusselse sterindex duidelijk minder blootgesteld aan bank- en financiële waarden, wat bepaalde beleggers zou kunnen geruststellen na de ontsporing van de voorbije maanden.

Evolutie van de Belgische beursindex Bel20

 Grafiek 2_11046_image002

Besluit

Door zijn defensievere samenstelling zal de Bel20 wellicht minder bruusk reageren op de beursevolutie, zowel in neerwaartse als in opwaartse zin. In deze onzekere tijden biedt de Bel20, net als de CAC40 in Frankrijk en de Footsie100 in het Verenigd Koninkrijk, een interessante sectordiversificatie.

Jean-Manu Higuet – Investment Strategy – Dexia Bank


 

Oliezorgen

Woensdag presenteerde de OPEC zijn Monthly Oil Market Report. Hierin staan onder meer in beschreven de ontwikkelingen van de wereldeconomie, data van de olieprijzen en de vraag en aanbod van olie. Sinds juli 2008 produceerde de OPEC weer meer ruwe olie.

Wereldeconomie
De Organization of The Petroleum Exporting Countries (OPEC) stelt in zijn rapport dat de wereldeconomie recentelijk enkele positieve ontwikkelingen heeft meegemaakt zoals de rally in de aandelenmarkten, een herstel in het vertrouwen en een positiever sentiment. De OPEC benadrukt echter dat volatiliteit hoog blijft en grote onzekerheden blijven bestaan.

Volgens de OPEC is de huidige globale recessie waarschijnlijk de grootste van de afgelopen 60 jaar. Per land daalde het bruto binnenlands product (BBP) in 2009 gemiddeld met 2,5%, waar in de voorgaande recessies in 1975, 1982 en 1991 de daling gemiddeld genomen slechts 0,4% bedroeg. Deze resultaten zijn gemaakt aan de hand van cijfers van het IMF. Aan de hand van enkele andere eenheden, zoals industriële productie, olie consumptie en internationale handel kan volgens de OPEC worden geconcludeerd dat de huidige neergang erger is dan de hiervoor genoemde 3. De verwachting is dat dit jaar de daling van internationale handel 11% zal bedragen, waar deze in de voorgaande 3 recessies slechts stagneerde.

Naar verwachting zal in 2009 het BBP dalen met 1,4%, waar vorige maand nog werd verwacht dat dit -0,8% zou zijn. Hiernaast staat een grafiek van de verwachtingen die in juli 2008 worden uitgesproken vergeleken met de verwachtingen nu.

Vraag naar olie
Door het meermaals neerwaarts bijstellen van de economische groei wereldwijd is de vraag naar olie uitgeput. De nieuwe neerwaartse bijstelling van het BBP impliceert een verdere verlaging in de vraag naar olie van 0.2 mb/d (2 miljoen vaten per dag) in 2009. OPEC verwacht dat een traag herstel zijn intrede zal doen in het laatste kwartaal van dit jaar. De organisatie wijst erop dat de Mexicaanse griep zijn effect heeft gehad op de vraag naar brandstof wereldwijd. De vraag naar benzine is daarentegen aan het stijgen vanwege het aankomende zomerseizoen. De ineenstorting van de vraag naar olie is volgens de OPEC te wijten aan de zwakke industrieproductie, een hoge werkeloosheidsgraad en een vertraging in vervoer.


Bron: www.opec.org

Opec ruwe olie productie
In april nam de productie van ruwe olie toe tot 28,1 miljoen vaten per dag, wat een stijging betekende van 221 duizend vaten per dag in vergelijking met de maand ervoor. De OPEC productie exclusief Irak kwam uit op 25,8 miljoen vaten per dag, een stijging van 224 duizend vaten per dag in vergelijking met de vorige maand. Dit is de eerste stijging sinds juli 2008.

Vraag & aanbod
Door de neerwaartse bijstelling van de vraag naar olie heeft OPEC de vraag naar OPEC olie ook licht bijgesteld. In “Graph 45” wordt de balans aangegeven tussen de OPEC olieproductie en de vraag naar OPEC olie. Uit de grafiek komt duidelijk naar voren dat de productie in het eerste kwartaal van 2008 flink is gedaald en dat deze een miljoen vaten per dag onder de vraag lag. Hierdoor zal naar alle waarschijnlijkheid de prijs van olie weer gaan stijgen aangezien het aanbod minder is.


Bron: www.opec.org

Geschreven op 13 mei 2009 door Christian Slagter, research medewerker bij Analist.be. U kunt hem bereiken via Christian.slagter@analist.be


 

Rush op goud ?

Bernard Bemelmans klein Hoeveel activa kunnen sinds het begin van de crisis op 1 juli 2007 een positief rendement voorleggen ? Weinig. Goud is één van die waarden. Meer nog : tussen mei 2001 en mei 2009 steeg het edelmetaal met ongeveer 240%. Een schitterende prestatie !

Een rally van bijna negen maanden !

Het goud schommelde een tijdje binnen een marge van 600 tot 700 dollar dollar voor een ons (= 31,1 gram). Daarna zette het edelmetaal een echte rally in, waarbij het tussen juli 2007 en maart 2008 van 650 naar 1 000 dollar voor een ons spurtte. Een stijging van bijna 54 %!

 

Eigenlijk tekende het goud tussen mei 2001 en mei 2008 een onafgebroken stijging op. In de voorbije zeven jaar is een ons goud bijna 240 % duurder geworden ! Een rendement dat weliswaar afgestraft wordt door een zwakke dollar, maar in euro’s toch nog altijd goed is voor 120 % ...

 

In de eerste plaats profiteerde het goud van de groei van de wereldeconomie. Door de stijging van de gemiddelde levensstandaard zagen we de vraag naar goud ook toenemen bij juweliers, vooral dan wegens een grote vraag vanuit China en India. Daarnaast speelt goud ook een rol in de fabricage van talrijke – hoofdzakelijk technologische – producten, wat de koers van het edele metaal een duwtje in de rug gaf.

 

Het jaar 2008 was een kantelpunt. De meest ophefmakende gebeurtenissen die de koers van het goud hebben beïnvloed, waren:

 

  • de redding van zakenbank Bear Sterns door sectorgenoot JP Morgan midden maart 2008. Tot dan had de ongerustheid die de subprimecrisis teweegbracht, de koers van het goud naar een nieuw record van 1 000 dollar/ons gejaagd. De redding kalmeerde de financiële markten (tijdelijk) en het goud zakte lichtjes terug;

 

  • naarmate het risico op een recessie steeg en alle economieën aantastte, profileerde het goud zich opnieuw als vluchtwaarde en zat het weer in de lift ... al bleef het niet de hele tijd boven de grens van 1 000 dollar/ons;

 

  • de door de oliekoersen ontketende inflatie in 2008 en de zwakke dollar dreven beleggers massaal naar goud om zich in te dekken tegen het risico van dalende wisselkoersen.

 

Jackpot voor mijnbedrijven ?

Het goud mag dan wel fors gestegen zijn, de mijnaandelen moesten heel wat terrein prijsgeven. Ook zij ontsnapten immers niet aan de uitverkoop op de aandelenmarkten. Hoewel mijnbedrijven het veeleer goed deden (grote vraag naar goud, piekende goudkoers en daling van de productiekosten), werden hun beurskoersen het slachtoffer van het algemene wantrouwen op de aandelenmarkten (-62 % tussen juli en oktober 2008).

 

Grafiek : Evolutie van de goudkoers en de mijnaandelen

 

 Grafiek 1_19358_image001

 

Wat in de komende maanden ?

Hoe meer de economische situatie stabiliseert en zich herstelt, hoe meer de status van goud als vluchtwaarde zal tanen. Dat kan tot grote koerscorrecties leiden. De vraag naar goud zal echter, zowel bij juweliers als in de industrie, stilaan weer op gang komen en op die manier de koersen toch in stand houden.

 

Afhankelijk van de economische en financiële actualiteit zal de goudkoers de komende maanden allicht schommelen binnen een vrij ruime marge van 800 tot 1 000 dollar/ons.

 

In dat opzicht kunnen de recente beslissingen van de G20 begin april sommige landen of instellingen (IMF) ertoe aanzetten een deel van de (materiële) goudreserves van de hand te doen. Dat zou een neerwaartse druk uitoefenen op de goudkoers.

 

Conclusie

Mikken op een forse stijging van het goud op korte termijn tot boven 1 000 dollar/ons is risicovol. We geven voorrang aan een belegging in mijnaandelen, die een te grote correctie ondergingen.

Op langere termijn kan beleggen in goud (maximaal 5%) misschien wel verstandig zijn. De moeilijkheden die producenten ondervinden om aan de stijgende vraag te beantwoorden, zullen de prijzen op termijn ondersteunen.

 

 

Bernard Bemelmans – Investment Strategy – Dexia Bank

 


 

Aandelen: te veel en te vroeg?

Advt Het woord ‘saai’ komt in het beleggerswoordenboek niet voor. Nog geen twee maanden geleden moest de diepste naoorlogse recessie in de koersen verdisconteerd worden, inmiddels spreekt men al voorzichtig van een mogelijk snel herstel. Nog geen twee maanden geleden leek de ondergang van het financiële stelsel nabij, inmiddels stromen de beleggers toe, bij koersen die nu al twee of drie keer zo hoog liggen. Wat is er veranderd? En belangrijker nog: houdt het stand?


De onheilsprofeten zijn al een tijdje zwijgzaam nu de aandelenmarkten een sterk herstel hebben laten zien en over het gehele jaar op winst staan. Alles wat u in 2008 had moeten hebben, wordt nu weer van de hand gedaan (bv. farma, telecom, voeding en drank, enz.), terwijl de cyclische en financiële fondsen de hoogte in schieten. Een dergelijke ommekeer is normaal bij een oplevende markt, maar het tempo en de omvang ervan zijn, historisch gezien, zeer uitzonderlijk. De oorzaken zijn tweeledig: niet alleen hebben beleggers overhaast nieuwe posities moeten innemen, ook raakt de markt er steeds meer van overtuigd dat de wereldeconomie van een langdurige en diepe recessie bespaard zal blijven.


Het is duidelijk dat zowel de economische cijfers als de bedrijfswinsten minder slecht uitpakken dan de (sterk naar beneden bijgestelde) verwachtingen deden vermoeden. Hoewel er sprake is van een herstel, mogen we niet vergeten dat dit vanuit een bijzonder laag uitgangspunt begint en dat we nog steeds in een recessie zitten. Verder is de toename in bedrijvigheid eerder gelinkt aan het feit dat de bedrijven hun voorraden aanvullen dan aan een herstel van de consumptievraag. De bedrijfswinsten vallen mee doordat bedrijven hun personeelsbestand hebben ingekrompen en nog sneller dan in eerdere neerwaartse cycli met kostenbesparingen zijn begonnen, niet omdat ze een hogere omzet hebben gerealiseerd. Verder stijgt de werkloosheid en dalen de huizenprijzen: geen combinatie die consumenten er zal toe aanzetten meer uit te geven.


Daarbij is er nog een joker in het spel: China. China gebruikt het overschot op zijn balans om de binnenlandse kredietvraag te stimuleren en om meer te investeren in infrastructuur, en met succes. Dat succes is mede te danken aan het feit dat de Chinese staat grote delen van het financiële stelsel en de economie beheerst. China probeert in feite tijd te winnen en hoopt dit vol te kunnen houden totdat de rest van de wereldeconomie zich herstelt. De relatief gunstige economische tijdingen uit China hebben het sentiment de laatste tijd aardig goed gedaan, vooral in de opkomende en grondstoffenmarkten.


Met een stijging van ruim 30% in slechts twee maanden, zijn beurzen begonnen de mogelijkheid van een snel economisch herstel te verdisconteren. Ons lijkt dit voorbarig. De huidige recessie is zeer ernstig en elk herstel kan gematigd worden doordat het effect van de overheidsstimulering wegebt en de noodzakelijke schuldvermindering de investeringen en consumptie afremt. Opmerkelijk in deze context is dat het IMF zijn groeiprognose tot beneden de 2% in 2010 heeft bijgesteld, waarbij alleen de opkomende economieën positieve groeicijfers zullen schrijven. Mocht de wereldeconomie zich desondanks krachtig herstellen, dan geldt ook hier het ‘te veel en te vroeg’: de noodzakelijke economische aanpassingen en verschuivingen blijven dan uit en de Angelsaksische landen zullen nalaten hun schuldenlast te verlagen. Het is dan alsof men een sporter het veld weer opstuurt voordat hij van zijn blessures is hersteld.


Kortom, wij menen dat de recente rally op de aandelenmarkten momenteel “doorschiet” en dat de kentering naar cyclische fondsen eerder wordt ingegeven door een technische herpositionering dan door de vaste overtuiging dat de economie aan de vooravond van een flinke opleving staat. Mondiaal herstel kost nu eenmaal tijd, en er zullen zich dit jaar waarschijnlijk nog betere gelegenheden voordoen om in aandelen te stappen.

 

Ad van Tiggelen is senior strategist bij de Multi-Asset Group van ING Investment Management. De informatie in zijn columns is niet bedoeld als beleggingsadvies of als aanbeveling tot het doen van bepaalde beleggingen.


 

Loopt de beurs te ver vooruit ?

De uitgelekte nota met positieve signalen van de topman van de Amerikaanse bank Citigroup stak begin maart het vuur aan de lont. Zo spurtte de Amerikaanse S&P-index sinds 9 maart 36% hoger en steeg de Europese beurs met 32% (evolutie van resp. S&P500 en Europese DJ Stoxx 600 tussen 9 maart en 6 mei 2009). Ondertussen werden de eerste positieve geluiden uit de Amerikaanse financiële sector bij de bekendmaking van de eerste kwartaalresultaten bevestigd. Daarnaast putten de beurzen ook moed uit de genomen maatregelen op de G20-top van 2 april en uit enkele beter dan verwachte economische indicatoren. De beurzen hopen duidelijk dat het dieptepunt van de economische crisis bereikt is. Of we het ergste inderdaad achter de rug hebben, zal de toekomst uitwijzen.

 

Stilaan raken de beleggers ervan overtuigd dat de forse renteverlagingen en de gigantische herstelplannen de wereldeconomie weer op de been zullen helpen. De G20-top van 2 april gaf die overtuiging nog een extra duwtje. De Groep van 20 werd in 1999 opgericht met als doel de grote geïndustrialiseerde landen en de groeilanden samen te brengen rond belangrijke economische thema’s. Op de jongste top kwamen de wereldleiders overeen om meer dan 1 000 miljard dollar te besteden aan de aanpak van de wereldwijde crisis. Zo zal het Internationaal Monetair Fonds (IMF) meer middelen krijgen en aan soepelere voorwaarden krediet kunnen verlenen aan de meest kwetsbare landen. Daarnaast zullen er ook maatregelen genomen worden om de financiële sector beter te reguleren.

 

Beter dan verwachte resultaten voor het eerste kwartaal bij de Amerikaanse banken (Wells Fargo, Goldman Sachs, Citigroup en JP Morgan Chase) en bij General Electric, één van ’s werelds grootste industriële conglomeraten, waren eveneens extra doping voor de beursstijgingen.

Speculanten of investeerders ?

Ook op de Belgische beurs springen de koersbewegingen in het oog. Dexia en KBC spurtten meer dan 200% hoger in zes weken tijd. Toch valt deze klim nog altijd in het niets bij de topkoersen die midden 2007 behaald werden. In Europa wordt het beursherstel vooral gedragen door de wederopstanding van enkele afgeslachte sectoren, zoals de banken en de eerder cyclische sectoren. Op onderstaande grafiek ziet u de resultaten per sector sinds het dieptepunt op 9 maart en sinds het afgelopen jaar.

 

Grafiek : Prestatie van de Europese sectoren

 

Grafiek 1_15912_image001

We vrezen dan ook dat eerder speculanten op de beurs aan het kopen zijn dan investeerders die lange termijn posities innemen. Het ziet ernaar uit dat de beleggers vooral focussen op het goede nieuws. Het is dan ook nog te voorbarig om deze herstelrally op de beurzen als duurzaam te beschouwen. Het risico voor een nieuwe neerwaartse correctie blijft aanwezig. Winstnemingen door deze speculanten bij slechter dan verwachte bedrijfsresultaten of slechter macro-economisch nieuws kunnen de koersstijgingen zo ongedaan maken. Op 20 april gingen de beurzen kopje onder met een gemiddeld dagverlies van 3 à 4%. Alhoewel Bank of America meevallende resultaten publiceerde, waren beleggers verontrust door de extra voorzieningen die werden aangelegd voor mogelijke kredietverliezen.

 

In “normale” tijden lopen de beurzen zes à negen maanden vooruit op het economische herstel. Deze economische crisis is echter het resultaat van een zeer zware crisis van het wereldwijde financiële systeem. De beurzen zijn waarschijnlijk te optimistisch en het herstel zal dan ook met vallen en opstaan verlopen. De komende maanden zal vooral het nieuws uit de financiële sector de beurzen blijven sturen.

Nochtans geen economische depressie

Op het economische vlak tekenen zich nochtans een aantal lichtpuntjes aan de horizon af, zoals we ook al in de vorige edities vermeldden. De economen van Dexia zijn het niet eens met hun collega’s, die onophoudelijk hun groeiprognoses naar beneden bijstellen. Dexia Research wacht op meer gegevens, want met de huidige economische cijfers is het extreme zwartkijken niet gerechtvaardigd.

 

Volgens de theoretische modellen leidt de financiële crisis tot een ineenstorting van de kredietverlening, die dan wordt gevolgd door een sterke terugval van de consumptie en de investeringen. Zowel de statistieken van de Amerikaanse Centrale Bank als die van de Europese spreken dat scenario tegen. De kredietverlening stuikt niet in elkaar – noch in de VS, noch in de eurozone. De kredietverlening is weliswaar gestopt met groeien, maar ze is dus niet in een zwart gat terechtgekomen zoals in 1929. Bovendien is de consument koelbloedig gebleven. In de VS, waar de statistieken het verst vooruitkijken, stabiliseert de consumptie de jongste vijf maanden en in de eurozone viel de kleinhandelsomzet lichtjes terug tussen augustus en februari. De ineenstorting van de olieprijzen en de grootscheepse herstelplannen zullen er wellicht voor zorgen dat de consumptie standhoudt en dat een negatieve spiraal verhinderd wordt.

 

Grafiek : Evolutie kleinhandelsverkopen (gecorrigeerd voor inflatie)

 

Image001

Wereldwijd is de industriële productie wel in vrije val, maar omdat de oorzaak van die forse daling niet volledig toe te schrijven is aan de gedaalde consumptie, is de kans veel groter dat ze het gevolg is van een forse afname van de voorraden. Eens de voorraden uitgeput zijn, moeten de ondernemingen hun productie wel degelijk weer op gang brengen. Dat noemen we een technische heropleving, een herstel dat niet op een weer aantrekkende vraag gestoeld is. Deze technische heropleving zal echter een stabiliserende rol spelen voor de economie.

 

Maar dat neemt niet weg dat de opleving van de economische activiteit in 2009 en 2010 moeizamer zal verlopen dan bij vorige herstelfases. De werkloosheid zal immers nog verder oplopen, wat hoe dan ook zal wegen op de consumptie. Toch zijn we van mening dat het huidige probleem vooral een vertrouwenscrisis is, zowel bij de bedrijven als bij de gezinnen.

Strategie

Fundamenteel is onze strategie sedert het begin van het jaar niet gewijzigd. We blijven voorzichtig met aandelen en geven de voorkeur aan defensieve sectoren of aandelen die nog een mooi dividend kunnen betalen. Om het rendement van de obligatieportefeuille wat op te krikken, zijn bedrijfsobligaties een mooi alternatief. We werken wel via fondsen, want in deze turbulente tijden blijft spreiding de boodschap.

Besluit

We vrezen dat de huidige stijging van de beurzen gevolgd zal worden door winstnemingen. Het nieuws uit de financiële sector zal het koersverloop blijven dicteren. Economisch gezien stevenen we weliswaar niet af op een wereldwijde depressie, maar het herstel zal langzaam zijn en de nodige tijd vragen.

Els Vander Straeten – Investment Strategy – Dexia Bank


 

Nooit meer zo als vroeger?

Wie kent het niet? Te vaak wordt het verleden en herinneringen aan het verleden achteraf te rooskleurig afgeschilderd. Vraag de ambitieuze sporter en je zult zien dat wedstrijden en successen uit het verleden met de jaren steeds beter, groter en heroïscher worden. Maar ook het eten, de school, het verkeer. Eigenlijk was vroeger alles beter. Naar de toestand van de wereldeconomie kijkend, wordt het gevoel steeds sterker dat ook wij binnenkort zullen zeggen: vroeger was alles beter.

Iedereen weet het: de mondiale economie zit in de zwaarste recessie sinds de Tweede Wereldoorlog. Het is dus niet moeilijk om te beweren dat vroeger alles beter was. Met dank aan het doortastende optreden van centrale bankiers en overheden lijkt het ergste voorkomen. Miljarden euro voor de economieën en de financiële sector zorgen ervoor dat de wereldeconomie niet in een nieuwe Grote Depressie zal verdwijnen. Het doemscenario is afgewend. De laatste weken zijn er zelfs eerste tekenen van een licht herstel of beter van een stabilisatie van de adembenemende vrije val. De vooruitlopende vertrouwensindicatoren in China liggen eindelijk weer in het groene terrein, het Amerikaanse vertrouwen herstelt en zelfs in de Eurozone lieten bijna alle vertrouwensindicatoren de afgelopen twee weken een herstel zien. Het zal nog een tijdje duren voordat deze trend ook in de reële economie te zien zal zijn, maar de kans neemt toe dat de tweede helft van dit jaar eindelijk weer positieve groeicijfers zal laten zien.

Is dus alles pais en vree? Mond afvegen, een zucht en weer terug naar de normaliteit. Helaas niet. Zodra het eerste stof na deze storm neerdaalt en de wereldeconomie het huidige dal weer heeft verlaten, zal het besef toenemen dat er niets meer zo is als vroeger. De wereldeconomie komt van de eerste hulp (ER) naar de revalidatieafdeling en zal daar langer blijven dan veel mensen op dit moment denken. De structurele problemen zijn namelijk nog lang niet opgelost. Mondiale onevenwichtigheden? Die zijn er nog steeds. Het hoge tekort op de lopende rekening van de VS is er nog steeds en China heeft nog steeds een groot overschot. Een gedeelte van de huidige crisis gaat terug naar dit onevenwicht. Helaas zal het jaren duren voordat de wereld tot een nieuw evenwicht zal vinden.

In feite heeft de Amerikaanse consument de hele wereldeconomie de afgelopen tien jaren meegesleept. Hoge Amerikaanse consumptie heeft het succes van laag-loon-export-landen, met name China, eerst mogelijk gemaakt. De prijs was het hoge tekort op de lopende rekening en afhankelijkheid van kapitaalstromen vanuit het buitenland. De Amerikaanse consument zal moeten leren om niet meer op de pof te leven. Geen vijf kredietkaarten, geen consumptie van de fictieve overwaarde van vastgoed. Dat is zwaar en betekent gedragsverandering. Dit soort van “change” duurt jaren. Reken maar niet op de Amerikaanse consument als mondiale conjunctuurlocomotief. En China? De komende jaren moeten laten zien wat het Chinese export-model waard is zonder de Amerikaanse consument. Mogelijkerwijs moet de Chinese economie zijn structuur aanpassen. Van laag-loon consumptiegoederen naar investeringsgoederen, of zelfs naar een meer binnenlands-georiënteerd model. Ook dit kost tijd en gaat niet van vandaag op morgen.

En Europa dan? In de hele discussie over mondiale onevenwichtigheden stond Europa jarenlang aan de zijlijn en keek ernaar. De lopende rekening van de Eurozone staat toch in evenwicht. Een nieuw evenwicht moest van China en Amerika komen. Toch groeiden in de schaduw van de mondiale onevenwichtigheden ook grote interne onevenwichtigheden binnen de Eurozone. Landen als Spanje, Ierland, Griekenland en Portugal hebben hoge lopende rekeningtekorten. Dat is op zich niet erg, als buitenlands kapitaal in houdbare, lange-termijn investeringen vloeit. Daar was helaas geen sprake van. Buitenlands kapitaal ging vooral naar de binnenlandse huizenmarkt, zorgde voor sterke prijsstijgingen, een oververhitting van de huizenmarkt en overinvesteringen. Nu komt de correctie. Spaanse, Ierse, Griekse en Portugese huishoudens zien hun rijkdom met de prijscorrectie op de huizenmarkt wegsmelten als sneeuw in de zon. Dit zal leiden tot minder consumptie, werkloosheid en lagere lonen. De wisselkoers als aanpassingsinstrument is er niet meer. Alleen structurele hervormingen kunnen deze landen helpen weer op hun hoger groeipad terug te keren. Ook dat gaat niet van vandaag op morgen.

Het doemscenario is afgewend. De kans is groot dat de groei van de mondiale economie de komende jaren sub-optimaal zal blijven. De potentiële groei zal niet zo snel weer worden bereikt. Bijna alle grote landen zijn geconfronteerd met structurele uitdagingen en veranderingen. De oplossingen hiervoor zullen langer duren dan het crisismanagement van de laatste maanden. Niets zal meer zo zijn als vroeger.

 

Carsten Brzeski, Senior Economist, ING


 

De biotechnologiesector

Patrick Vandenhaute Een paradox die kan tellen ... In volle beurscrisis en laagconjunctuur, in tijden waarin geen enkele bedrijfstak gespaard blijft, biedt de nochtans heel volatiele biotechnologiesector aardig weerstand tegen de val van de financiële markten. Tussen 2007 en 9 maart 2009 is de Nasdaq Biotechnology Index slechts met 27% gedaald, terwijl de Standard & Poor’s 500 bijna dubbel zoveel verloren heeft (-53%).

Beschrijving van de sector

In deze sector zitten bedrijven die therapeutische producten ontwikkelen. Het gaat om producten die afgeleid zijn van levende organismen (cellen, bacteriën, gisten) of delen ervan (gen, enzymen). Volgens het studiebureau IMS Health genereerde deze grotendeels Amerikaanse industrie in 2007 wereldwijd een omzet van 75 miljard dollar. Nog volgens IMS Health boekt ze sinds 2002 een gemiddelde jaarlijkse omzetgroei van 17,5%, meer dan het dubbele dan die van de farmaceutische sector.

Het bijzondere aan deze sector is dat hij erg geconcentreerd is qua activiteit. Amper tien groepen zijn samen goed voor 80% van de wereldverkoop, met Amgen en Genentech (40% van de markt) op kop. De rest van de sector bestaat uit kleine spelers die nog geen producten gecommercialiseerd hebben en verlieslatend zijn.

De redenen van deze relatief sterke prestatie

De sterke prestatie van de biotechnologie is te danken aan verscheidene factoren. De gezondheidsuitgaven hangen nauwelijks samen met de economische activiteit. Dat geldt des te meer voor innovatieve producten uit de biotechnologie, die ingezet worden in de behandeling van chronische aandoeningen of zware ziektes.

De uitverkoren therapeutische domeinen van de biotechnologiebedrijven zijn inderdaad oncologie, vaccins en diabetes. De werkzame geneesmiddelen tegen deze ziektes zijn duur en moeilijk te kopiëren door generische geneesmiddelen – in tegenstelling tot de klassieke, chemische moleculen. Farmaciereus Roche had in het begin van de jaren 90 al begrepen dat de biotechnologie potentieel bood en investeerde in het Amerikaanse Genentech (specialist in kankeronderzoek). Vandaag maken de geneesmiddelen tegen kanker 50% van de omzet van het Zwitserse laboratorium uit.

Biotechnologie : reddingsboei voor de farmaceutische industrie ?

Eén van de belangrijkste uitdagingen voor de farmaceutische industrie is het verstrijken van de patenten van een groot aantal succesvolle geneesmiddelen in 2011 en 2012, en dus de grotere concurrentie van de generische geneesmiddelen. Die concurrentie zal de toekomstige winstgroei van de farmacieconcerns sterk verminderen. Daarom kloppen deze laatste bij de biotechnologiesector aan. Zo werd het biotechbedrijf Imclone, dat een medicijn ontwikkeld heeft om darmkanker te bestrijden, overgenomen door Eli Lilly. Na een verbeten overnamestrijd legde Eli Lilly 6,5 miljard dollar op tafel.

De traditionele farmabedrijven worden bovendien meer geconfronteerd met de druk van de overheid om de ontsporing van de begroting voor gezondheidszorg weg te werken.De biotechnologiebedrijven hebben het voordeel dat ze doeltreffende behandelingen ontwikkelen die voldoen aan onbevredigde medische behoeften bij ernstige ziektes, zoals kanker. Het is dus moeilijk in te denken dat de overheid dit soort van research zou bestraffen.

Een erg gegeerde sector

De "mature" biotechnologiebedrijven verkeren in blakende gezondheid. Ze bieden goede groeivooruitzichten en dankzij hun gezonde balans, vaak met een overvloed aan liquide middelen, werden ze niet getroffen door de kredietcrisis.

Bovendien resulteert de zoektocht van de farmaceutische ondernemingen naar nieuwe afzetmogelijkheden in een drukkere fusie- en overnameactiviteit. In 2008 werden meer dan veertig genoteerde bedrijven overgenomen tegenover een twintigtal het jaar voordien.

In de huidige context zal die fusie-activiteit waarschijnlijk intenser worden, wat een niet te verwaarlozen steun betekent voor de prestatie van de sector.

Is de sector een belegging waard ?

De economische vertraging gaat in de kaart van groeiende innovatieve bedrijven met een gezonde balans blijven spelen. Bovendien zal de dreiging voor de farmaceutische industrie de biotechnologiebedrijven steeds aantrekkelijker maken als groeiaflosser. Wie op lange termijn belegt, mag zich dus beginnen interesseren voor de sector.

Evolutie van de S&P500 en de Nasdaq Biotech

 Grafiek 1_18187_image001

Besluit

De kenmerken van de biotechnologiesector – groei, gezonde balansen en groeiende interesse van de farmaceutische firma’s – maken de sector aantrekkelijk op lange termijn.

Patrick Vandenhaute – Investment Strategy – Dexia Bank


 

Beursblogs