Nieuwe locatie

Het vervolg van de blog van Jorn De Cock vindt u voortaan op www.standaard.be/beiroetbagdad


 

Eentje voor de dorst

We weten allemaal dat moslims geen alcohol drinken, en dat alles relatief is. Ik leerde pas onlangs dat ons woord 'alcohol' stamt uit het Arabisch, hetzij van 'al-kuhul' (fijne stof) of waarschijnlijker van 'al-ghol' (geest of demon). Of het werd meegebracht door de kruisvaarders of in Andalusië werd overgedragen, is minder duidelijk.

Toch was het geen voor de hand liggend onderwerp dat gisteravond plots op de tafel stond, in een van de vele bars van Damascus waar een glas wordt gedronken (ook door vrouwen): alcoholisme bij de Syrische jeugd.

'Jongeren drinken massaal', zei Sari, een student. 'Elke christen kan een drankwinkel openen, zolang die maar niet naast een moskee ligt. En er bestaat in Syrië geen wet die de verkoop van drank aan minderjarigen verbiedt.'

Het christelijke Bab Touma is een uitgaanswijk, maar ook in vele moslimwijken zijn er drankwinkels en restaurants 'met'. Het verschil tussen meer seculiere en orthodoxe moslims valt af te leiden aan de kleren, maar aan de gezichten kan je niet aflezen wie hier christen, soenniet of sjiiet is. En Syrië is officieel een seculiere staat. Soms merk je wel enige hypocrisie: families die een glas wijn lusten, serveren enkel fruitsap als de buren op bezoek komen.

Voelt een moslim zich ook niet schuldig bij dat drankverbruik? 'De Koran noemt alcohol een grote zonde die ook nuttig kan zijn', zegt Ali, een sjiitische buitenlander die in Damascus Arabisch studeert. 'Maar de zonde is groter dan het nut. Dat is een afkeuring, maar geen verbod.'

'Latere teksten zijn strenger', zegt hij. 'Soms worden praktische redenen genoemd: bidden kan je niet als je dronken bent, en eigenlijk zouden we vijf keer per dag moeten bidden.'

Ali zelf lust graag een glas Barada, Syrisch bier. 'Dan gaat mijn Arabisch beter', zegt hij. Geen schuldgevoel? 'Houd een christen zich elke dag aan alle tien geboden?'


 

Vrolijke vrienden

In november leek het erop dat de Europese Unie een partnerschapsakkoord met Syrië zou ondertekenen, zoals dat al bestaat met de meeste landen rond de Middellandse Zee. Het gaat vooral om handelsbetrekkingen. Al in 2004 werd daarover onderhandeld, maar toen ontplofte Libanon - met de moord op ex-premier Rafik Hariri, die Syrië werd aangewreven - en schortte Brussel de onderhandelingen op.

Eind vorig jaar was de EU klaar om het intussen heronderhandelde akkoord te ondertekenen. Maar in de laatste minuut haakte Syrië af, om de 'voorstellen nader te bestuderen'.

Zowel politiek als economisch heeft Syrië nog een lange weg te gaan, en het rekent op buitenlandse investeringen. Maar het heeft zichzelf uit een internationaal isolement gewrongen. De relaties met buurland Turkije, in de jaren negentig nog explosief, zijn nu erg intensief. Ook met Saudi-Arabië en Libanon wijst alles op een soort detente. Of zoals een diplomaat me vandaag vertelde: 'Zij stonden lange tijd zwak en waren vragende partij, maar de situatie is intussen veranderd.'

Vanuit Syrisch perspectief krijgt Israël intussen vrij spel van de EU. En zoals gisteren hier geschreven, mag Damascus zelfs geen Europese Airbussen kopen omdat Washington daar een stokje voor steekt.

President Bashar Al-Assad, niet onomstreden in het Westen, klinkt daarover nogal scherp in een gesprek met Le Monde Diplomatique deze week. 'Als Europa een patron heeft, kan ik beter rechtstreeks naar de patron gaan dan met Europa te onderhandelen. Jullie zeggen dat jullie onze partners zijn, maar jullie kunnen me niet de vliegtuigen leveren die ik nodig heb, door een Amerikaans embargo. Als jullie mijn vrienden willen zijn, moeten jullie bewijzen dat jullie echte vrienden zijn.'

Het ziet er, kortom, niet naar uit dat ik de ondertekening van dat partnerschapsakkoord hier nog ga meemaken.


 

Airbussen omsmeden in Tupolevs

Soms worden internationale sancties erg zichtbaar in de praktijk. Dat gebeurt me telkens als ik in Damascus een vliegtuig van Syrian Air zie overvliegen - en me zorgen maak over de veiligheid van de passagiers. Almaar meer toestellen worden permanent op de landingsbaan geparkeerd. Syrian Air telt nu nog minder dan tien functionerende toestellen.

De luchtvaartmaatschappij kondigde nochtans in 2008 aan vijftig Airbussen te willen kopen. De Franse president Nicolas Sarkozy ging zich daar ook persoonlijk voor inzetten. Maar vorige week kwam het verdict - niet vanuit Toulouse, maar uit Washington.

Hoe dat komt? Sinds 2004 houden de VS sancties in stand tegen Syrië, omdat het land terroristen zou ondersteunen. Damascus is bevriend met Iran en steunt de Libanese Hezbollah en de Palestijnse Hamas. Syrië ziet die als legitieme verzetsbewegingen, ook al omdat het zelf nog altijd officieel in staat van oorlog met Israël is, sinds de bezetting van de Golanhoogten in 1967.

Hoe ook, vorig jaar leek het erop dat de regering-Obama na de Bush-jaren een nieuwe diplomatieke wind naar Damascus zou laten waaien. Gezant George Mitchell kwam voorbij en er werd een nieuwe Amerikaanse ambassadeur aangekondigd. Maar diens residentie staat maanden later nog altijd leeg.

En nu dus geen Airbussen. Producten die voor meer dan tien procent Amerikaanse onderdelen bevatten, vallen immers ook onder het Amerikaanse sanctieregime. Wat ook het geval is voor de Europese vliegtuigbouwer.

Internationale politiek is te complex voor eenvoudige conclusies. Maar toch voelde het vreemd dat ik vandaag wel langs de Kentucky Fried Chicken van Damascus kon rijden en even later een blikje Pepsi opentrok.

Syrian Air heeft nu aangekondigd nieuwe Russische Tupolevs te kopen. Wat mijn zorgen over de veiligheid van die passagiers ook niet bepaald wegneemt.


 

De prijs van eieren

In Dubai wordt vandaag de hoogste toren van de wereld feestelijk geopend. Door de recente financiële crisis hangt er een schaduw over de 800 meter hoge 'Burj Dubai', maar de Emiraten gaan proberen met een groots vuurwerk hun economie weer op gang te schieten.

Dubai ligt op drie uur vliegen van Damascus. De gesprekken hier gingen vandaag niet over hoge torens, wel over doktersbriefjes en de prijs van de eieren. Vorige week heeft de Syrische regering de prijs van een dokterconsultatie verdubbeld, gemiddeld van zo'n 400 lira naar 800 lira (10euro). 'Ziek zijn, wordt duurder', kopte een Syrische krant laconiek.

'De overheid heeft ons in de voorbije jaren zo'n 60procent opslag gegeven', zegt Ahmad, een ambtenaar. 'Maar al dat geld gaat in rook op door de stijgende prijzen.' Vorige week waren er al de eieren: de prijs daarvan steeg met 15procent, omdat geïmporteerd kippenvoer duurder wordt en de eigen landbouw al twee jaar lijdt onder de droogte. Ook de dieselprijzen stijgen, wat de overheid probeert te counteren met subsidies voor chauffeurs.

Het leven in Syrië is naar onze normen nochtans spotgoedkoop. Om een idee te geven: een kebab (hier nog met echt vlees) kost zo'n 0,6 euro. 'Maar de lonen hier liggen laag', zegt Ahmad. 'Een gemiddeld gezin heeft zo'n 25.000 lira per maand (380 euro) nodig om te leven. Dat haal ik alleen door na mijn uren bij te klussen als taxichauffeur.' Net zoals in Oost-Europa in de jaren negentig combineren velen zo meerdere jobs.

Het grotere plaatje vertelt dat de olie in Syrië op geraakt, en dat de regering de jongste jaren daarom een reeks noodzakelijke economische hervormingen heeft doorgevoerd. De eerste privébank in Syrië is nog maar vijf jaar oud. Damascus, tot tien jaar geleden een gesloten socialistische economie, wordt privater en internationaler. Alleen heeft dat voorlopig geen positieve impact op de prijs van de eieren.


 

NIEUWJAAR OP DE GOLAN

‘Houd de straten schoon’, zegt een bord in Quneitra. Misschien gaat het om een vreemd soort ironie. Quneitra is een verlaten stad, die haast volledig in puin ligt. De iconen zijn verdwenen uit de orthodoxe kerk, het topje van de minaret is weggeschoten, de crèche is platgewalst door Israëlische bulldozers, en het hospitaal van Quneitra, ooit tweehonderd bedden groot, is doorzeefd met kogels. Alleen het uitzicht is prachtig: de Golan is een aaneenrijging van groene heuvels, met Alpenweiden en olijfboomgaarden.

Toen Israël in 1967 met zijn grote offensief de oude stad van Jeruzalem, de Westelijke Jordaanoever, Gaza, de Sinaï en de Golan veroverde, veranderde Quneitra en de rest van de hoogvlakte van eigenaar. De lokale Syrische bevolking, vooral Druzen, moest op de vlucht. Na de Yom Kipoer-oorlog van 1973, een grotendeels mislukte aanval van de Arabische staten, kwam een strook van de Golan opnieuw in Syrische handen. Quneitra bleef liggen zoals de Israëlische troepen het achterlieten: bewust platgewalst. Naast de huizen zijn nog de overgroeide aarden ‘loopbruggen’ zichtbaar die Israëlische bulldozers samenschraapten om dan het betonnen dak van de huizen op te rijden en ze zo te doen instorten. Blijkbaar een beproefde methode, want in januari zag ik in Gaza dezelfde aarden opstapjes naast verwoeste huizen.

De Golan is een van die kruispunten die vrede in het Midden-Oosten zo moeilijk maken. Strategisch belangrijk, cruciaal voor de watertoevoer van de regio, en aan de ene kant nu gevuld met joodse nederzettingen en aan de andere kant met Syrische frustratie. De twee landen zijn officieel nog altijd in staat van oorlog. De Golan is de prijs die Israël niet wil betalen voor vrede met Syrië.

‘Het heeft geen zin Quneitra herop te bouwen zolang er geen vrede is’, zegt Mohamed Ali, een lokale functionaris. ‘De stad is in U-vorm omgeven door Israëlische troepen. Hoe zou je hier een normaal leven kunnen opbouwen?’ Ali toont me de enige grensovergang tussen de Israëlische en de Syrische kant van de Golan, bewaakt door Oostenrijkse VN-troepen die zich al dertig jaar vervelen. ‘Als een meisje van onze kant wil trouwen met een Syriër in bezet gebied, neemt ze hier afscheid van haar familie. Voor altijd, want ze laten haar nooit meer terugkomen.’

Verder noordwaarts ligt, in de schaduw van de besneeuwde berg Hermon, een uitzichtsplatform dat over een mooie vallei heen een uitzicht biedt op het dorp Majdal Shams, in Israëlisch bezet gebied maar nog altijd bewoond door de lokale Syriërs en Druzen. ‘Vroeger kwamen we hier met megafoons praten met onze familie aan de overkant’, zegt Yassin Rikab, de oude schoolmeester van het nabijgelegen Syrische dorp. ‘Nu kunnen zij met hun gsm naar ons bellen, maar omgekeerd werkt het niet. We komen hier nog roepen op feestdagen, om te tonen dat we hen niet vergeten zijn.’

Plots weerklinken over de vallei heen doffe knallen, alsof de oorlog opnieuw is uitgebroken. ‘Vuurwerk’, zegt de Syrische grenswachter stoïcijns. ‘Het is Nieuwjaar voor iedereen.’


 

De tijden van de kruisvaarders

Gek hoe een hoop stenen van een mens weer een jongetje kunnen maken. De Krak des Chevaliers, gelegen in de bergen nabij de Syrische stad Homs, is de ultieme kruisvaardersburcht. Ze ziet eruit alsof ze nog altijd wordt verdedigd door Hospitaalridders, belaagd door sultan Baibars in de vallei.

Het jongetje heeft weliswaar een knauw gekregen, van een boek: ‘Les croisades vues par les Arabes’ van de Libanees Amin Maalouf. Waar nu de Krak staat, zochten in januari 1099 de inwoners van het dorp Ma’arra hun toevlucht binnen de wankele muren van een oudere burcht. In Ma’arra hadden de ‘Franj’, zoals de Arabieren de Franken noemden, niet alleen de gebruikelijke slachting aangericht, maar ook hun slachtoffers opgegeten – een feit dat in de 19de eeuw spoorloos verdween uit onze geschiedenisboeken.

De Franj waren plots de Levant binnengevallen en vernielden daar eeuwenoude hoogburgen van cultuur. Toen ze in juli van 1099 Jeruzalem bereikten, zo schrijft Maalouf, bouwden ze niet meteen belegeringstorens, ‘maar begonnen ze eerst met een processie rond de muren, geleid door priesters die blootshoofds baden en zongen; dan gooiden ze zichzelf tegen de muren, zonder ladders, als gekken’. ‘Het blinde fanatisme’ verbaasde de verdedigers.

Toen de muren waren gevallen, brachten de indringers ‘een week door met moslims af te slachten’, meldde een kroniekschrijver. ‘De Joden hadden zich teruggetrokken in een synagoge en werden door de Franj levend verbrand.’ Als de geschiedenis een spiegel zou zijn, zou ik nu beelden van 9/11 en Al-Qaeda zien. Mannen met baarden en moordlust in naam van God.

Bij de ingang van de Krak des Chevaliers wordt 15 lira (25 eurocent) gevraagd van Syrische bezoekers en 150 van buitenlanders. Voor een keer stoort het me niet. Ik betaal mijn aflaat, voor het jongetje dat die kruisvaarders echte kerels vond.


 

Poëzieavond

Elke maandagavond verzamelt in een donkere kroeg, diep in de catacomben van een keurig hotel in Damascus, een stoet van Syrische bohemiens, oude keurige dichters en opvallend veel jongeren, in een mist van sigarettenrook. De volgende vier uur wordt poëzie voorgelezen, en arak (anijsalcohol) gedronken, om de stembanden te smeren.

Er is de oude man in pak die in zweverige Arabische volzinnen de zon en de aarde bezingt, de jongen in T-shirt die nerveus over zijn eerste ongelukkige liefde komt stamelen, de jonge communist die de val van de Sovjet-Unie komt betreuren. Er is Shakespeare, een Syrische student die zijn bijnaam kreeg door zijn voordracht van sonnetten. Op het einde van de avond zingt een Iraakse een treurig lied, of speelt een Koerd met zachte ogen oude liederen op zijn gitaar – zijn bijnaam is Stalin.

En tussendoor is er de gastheer, de Syrisch-Koerdische schrijver Lukman Derky. Met zijn lange zwarte haren, leren jekker en kwansuize humor is Lukman zowat de Syrische Arno Hintjens. ‘We zijn vier jaar geleden begonnen met Beit al Kassid (‘het Huis van de Dichter’). Eerst op een andere plaats en alleen op uitnodiging: we lieten alleen mensen binnen die een sms van mij konden tonen’, zegt hij. ‘Nu hebben we elke maandag zo’n honderd bezoekers en we horen poëzie in vijf talen.’

Problemen met de autoriteiten zijn er niet, zegt Lukman. ‘Vroeger kwam er wel eens een agent in burger langs, maar die gaven we dan iets te drinken en op het einde van de avond ging die altijd tevreden weg. Ons gaat het om de schoonheid, weet je.’

‘Tot ik een pistool tegen mijn hoofd zet’, beëindigt een Londense Syrische net haar strofe over hoe de wereld zich altijd met haar zaken bemoeit.

Poëzie is nog rock-’n-roll in Syrië. En sigarettenrook. En arak.


 

Een berg met een uitzicht

Twaalfhonderd meter hoog boven Damascus rijst Jebel Qassioun op, afgezoomd met restaurants-met-uitzicht. Door de wintermist kijkt de berg uit over de oude stad - een wirwar van gezellige straatjes omgeven met stadsmuren die nog grote gladde stenen uit de Romeinse tijd tonen. Damascus claimt de titel van 'langst ononderbroken bewoonde stad ter wereld', waarvan de oudste sporen teruggaan tot zo'n zesduizend jaar voor onze tijdrekening.

Rechts van de oude stad toont het uitzicht vanop de berg Qassioun de negentiende eeuwse nieuwe wijken van Damascus, nu gedomineerd door de moderne toren van het Four Seasons Hotel. In de vorige editie van mijn reisgids, die dateert van zes jaar geleden, was dat hotel 'in aanbouw' - het is maar een van de tekenen hoe ingrijpend Damascus is veranderd in de laatste jaren. Een vriendin die vijftien jaar geleden Arabisch studeerde in de Syrische hoofdstad, vond dat de stad nu 'zo proper' is geworden. Het hangt er maar vanaf waarmee je vergelijkt.

Linksachter de oude stad toont het Qassioun-uitzicht armenwijken als Jaramana, vandaag onder meer de thuishaven van tienduizenden Irakezen die sinds de invasie van 2003 naar hun buurland zijn gevlucht.

Op Qassioun zelf ligt een grot waar volgens de overlevering Kain zijn broer Abel de kop heeft ingeslagen. De vallei van de rivier Barada, die nu als een vuile beek door Damascus stroomt, was volgens diezelfde overlevering ooit het aardse paradijs. Dat vond ook de profeet Mohammed nog, die Damascus aanschouwde vanop Qassioun en de stad niet wou betreden, omdat hij het paradijs pas in het hiernamaals binnen wou. Zo wordt gezegd.

Hogerop de berg creëren Damasceense stelletjes hun eigen versie van het aardse paradijs. Daar staan auto's met afgeplakte raampjes geparkeerd, op een stuk bergweg dat in de volksmond 'Lovers' Lane' heet.
 

Spelen met atomen

Tien dagen nadat Abu Dhabi een akkoord over nucleaire samenwerking heeft gesloten met de VS, is in de hoofdstad van de Verenigde Arabische Emiraten een contract van 28 miljard euro getekend met Zuid-Korea. De bouw van de eerste Koreaanse kerncentrale in de Emiraten begint in 2012.
Washington onderhandelt al sinds de Bush-jaren met zijn Emiratische bondgenoten over die nucleaire dossiers. De bedoeling lijkt een tegengewicht te bieden voor het nucleaire programma van de overbuur van de Emiraten, Iran. Maar anders dan Iran zullen de Emiraten geen eigen uranium draaien. Het goedje wordt geïmporteerd. Zo kunnen ze zelf geen uranium verrijken waarmee kernwapens worden gemaakt.

Fijn zo. Of toch niet?

'Dit is geen geïsoleerd geval', schreef de Amerikaanse nucleaire expert Joseph Cirincione in mei in Foreign Policy. 'In de laatste drie jaar heeft een dozijn landen in het Midden-Oosten de intentie bekendgemaakt om burgerlijke nucleaire energie te produceren. Daaronder Egypte, Marokko, Saudi-Arabië, Tunesië en Turkije. Ik kan moeilijk geloven dat de leiders in het Midden-Oosten samen naar Al Gores film hebben gekeken en hebben besloten hun ecologische voetafdruk te verkleinen. Dit gaat niet over energie. Dit gaat over Iran.'

In het Midden-Oosten wijzen ze er graag op dat Israël al lang kernwapens heeft - en dat is ook niet bepaald een kampioen van de mensenrechten. Hier in Syrië was er in 2007 een mysterieuze Israëlische raid op een vermeende nucleaire 'faciliteit' in aanbouw (Syrië ontkent, het Internationaal Atoomagentschap onderzoekt). De Franse president, Nicolas Sarkozy, trekt als een handelsreiziger door de Arabische wereld om nucleaire contracten met Franse bedrijven te verpatsen. Het dossier-Iran weegt op het Midden-Oosten. En nu gaat Abu Dhabi een kerncentrale bouwen - misschien snel gevolgd door buren als Saudi-Arabië?

Misschien krijgen we nog heimwee naar de tijd dat we konden klagen dat de Arabieren gewoon onze olie leverden.
 
Jorn De Cock

 

OVER DEZE BLOG

Jorn De Cock reist vier maanden door het Midden-Oosten, van Beiroet naar Bagdad. Hij tekent onderweg de grote en kleine feiten van elke dag op. Beiroet-Bagdad loopt in samenwerking met het Fonds Pascal Decroos

Zoeken op deze blog





Vlaamse blogs